Op 21 juni bracht de Duitse marine zelf haar in Scapa Flow geïnterneerde oorlogsvloot tot zinken. Sommigen houden het ervoor dat ze hiermee na de Novemberrevolutie haar eer redde. Critici wijzen er op dat de oorlogsvijanden zich vervolgens door Duitsland lieten compenseren met andere schepen en havenmateriaal. 

Artikel 23 van de op 11 november 1918 gesloten wapenstilstand van Compiègne tussen Duitsland aan de ene kant en Frankrijk en Groot-Brittannië aan de andere kant begint met de woorden “De oorlogsschepen van de Duitse Hochseeflotte, die geallieerden en de Verenigde Staten aanduiden, zullen onverwijld ontwapend en geïnterneerd worden. De havens zullen door de geallieerden en de Verenigde Staten aangeduid worden. Ze blijven daar onder de bewaking van de geallieerden en de Verenigde Staten, er zullen slechts bewakingsdetachementen aan boord blijven. De aanwijzing van de geallieerden betreft: 6 pantserkruisers, 10 linieschepen, 8 kleine kruisers (waarvan 2 mijnenleggers), 50 torpedobootjagers van het nieuwste type… Alle ter internering aangeduide schepen moeten bereid zijn de Duitse havens zeven dagen na ondertekening van de wapenstilstand te verlaten. De reisroute zal hen per radio voorgeschreven worden.”

De Duitse Hochseeflotte stoomt op naar Scapa Flow, voorop de Seydlitz, gevolgd door de Moltke, Hindenburg en Derfflinger, 21 november 1918.

Scapa Flow

Dienovereenkomstig verzamelde vanaf 27 november 1918 het gros van de Duitse Hochseeflotte zich in ontwapende toestand in de bocht van Scapa Flow onder toezicht van de Britten. De onder Wilhelm II opgebouwde en versterkte marine had in de oorlog, anders dan geanticipeerd, nauwelijks een bepalende rol gespeeld. In de beroemde Zeeslag bij Jutland van 1916 demonstreerde ze weliswaar haar slagkracht, maar was ze niet in staat de slag beslissend te beëindigen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Definitief uitgeleverd

Aanvankelijk was nog onduidelijk wat er na de wapenstilstand met deze trots van de keizer zou gebeuren. Van Duitse zijde hoopte men ten minste een deel van de geïnterneerde schepen te mogen behouden. Op 7 mei werd de Duitse delegatie echter het ontwerp van het vredesverdrag voorgelegd, waarin het desillusionerend heette: “Met het in werking treden van het onderhavige verdrag verliest Duitsland het eigendom van alle Duitse oppervlakte-oorlogsschepen die zich buiten Duitse havens bevinden. Duitsland ziet van alle rechten op de genoemde schepen af. Schepen die momenteel in uitvoering van de wapenstilstand van 11 november 1918 in de havens van de geallieerden en geassocieerde mogendheden geïnterneerd zijn, worden voor definitief uitgeleverd verklaard.”

Ultimatum

Voor het geval de Duitsers niet zouden ondertekenen, dreigden de overwinnaars op 16 juni 1919 per ultimatum met een hervatten van de krijgshandelingen. Konteradmiral (schout-bij-nacht) Ludwig von Reuter hoorde van dit ultimatum uit een krantenbericht dat hij op 21 juni te zien kreeg. Dat was de dag dat het ultimatum af zou lopen. Hij zag een overgave van de vloot zonder gevecht echter als eerloos. Bovendien wilde hij voorkomen dat zijn schepen in het geval van hervatting van de krijgshandelingen tegen zijn eigen land ingezet zouden worden. Daarenboven was er een keizerlijk bevel dat geen schip in handen van de vijand mocht vallen.

“Es wird fortgesoffen”

Men trof voorbereidingen werden en tegen 11 uur gaf Reuter per vlaggensignaal het gecodeerde bevel om de schepen tot zinken te brengen: “Paragraf elf bestätigen. Chef Internierungsverband”. Paragraaf elf verwees naar het Bier-Comment: “Es wird fortgesoffen”. Vanwege de geheimhouding waren slechts weinigen ingewijd. De manschappen waren aanvankelijk dan ook aangeslagen. Volgens het rapport van het vlaggenschip, de kleine kruiser Emden, heerste er na het bevel eerst complete stilte, vervolgens lichtten de ogen echter op en zette men zich voortvarend aan de taak de vloot een eervol einde te bereiden. In het rapport van het laatste grote slagschip dat zonk, de Hindenburg, heette het “nergens moedeloze gezichten”.

Het grote slagschip Bayern zinkt in Scapa Flow, 21 juni 1919.

Zonder springstof

Nadat ze doorhadden wat er gaande was, probeerden de Britten zonder succes de Duitsers tegen te houden. Van de in totaal 74 schepen waren aan het eind van de middag de meeste tot zinken gebracht, een kleiner deel aan de grond gelopen. Het was de grootste zelfverzinking in de geschiedenis. Aangezien de schepen ontwapend waren, had men alles zonder springstof moeten doen. Men benutte allerlei middelen, zoals water binnen laten stromen door de opening van ventielen en torpedobuizen.

Aan de grond gezette torpedobootjager

Laatste gevallenen van de Eerste Wereldoorlog

Van de bemanningen die op de schepen gestationeerd waren, is bij de actie niet een iemand verdronken. Wel vonden er acht matrozen en een luitenant door Britse kogels de dood. Ze gelden als de laatste gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. De tweeduizend man veilig aan land gekomen Duitse marinepersoneel werden in eerste instantie vastgezet. Begin 1920 keerden ze naar Duitsland terug.

Wisten de Britten ervan?

Volgens Andreas Krause, die in 1999 een uitvoerige weergave van de gebeurtenissen gepubliceerd heeft, kan men het handelen van Reuter zowel als burgerlijke ongehoorzaamheid – er kwamen van Duitse zijde geen wapens aan te pas – zien, als ook als anachronisme, Reuter volgde immers een bevel van de keizer op die al niet meer op de troon zat. Krause uit het vermoeden dat de Britten van de plannen om de schepen tot zinken te brengen geweten zouden hebben. Ze zouden deze actie dan niet verhinderd hebben, omdat het hen op een bepaalde manier wel van pas kwam. Want als de schepen niet gezonken waren, zouden ze onder de oorlogswinnaars verdeeld zijn op een manier die meer in het voordeel van de andere mogendheden in kwestie geweest was.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.