Vandaag 100 jaar geleden begon de British Expeditionary Force (BEF) in Frankrijk het eerste grote tankoffensief ooit. Ze hoopte daarmee de overgang van een loopgravenoorlog naar een bewegingsoorlog te forceren.

De operatie, die als aanloop naar de definitieve nederlaag voor het Duitse keizerrijk voorzien was, had echter niet het gewenste effect. Anderzijds probeerde de Entente in de Slag bij Cambrai innovatieve tactische concepten uit, die zich later nog van nut zouden bewijzen. Er werd dus veeleer winst op de lange dan op de korte termijn behaald.

Op 15 september 1916 hadden de Britten voor het eerst geprobeerd de verstarde frontlinie in Frankrijk met hun nieuw ontwikkelde tanks op te breken. Dat was echter over de hele linie mislukt, waaruit een van de bevelhebbers de laconieke conclusie trok: “Ten eerste zijn tanks op moeilijk terrein niet inzetbaar. Ten tweede is het terrein in een gevecht altijd slecht. Ten derde zijn tanks op het slagveld nutteloos.”

Andere militairen zagen echter nog wel mogelijkheden in de tanks. Ze moesten in de toekomst in geconcentreerde eenheden en grotere aantallen ingezet worden. Aan de Somme had men er per slot van rekening ook maar 49 ingezet op linie. De première van de nieuwe aanpak vond plaats bij het spoorwegknooppunt Cambrai, dat een sleutelrol vervulde in de aanvoer naar de Duitse troepen in de stelling tussen Arras en Soissons. Daarbij was het gebied rond Cambrai in tegenstelling tot het zompige Vlaanderen en de regio van de Somme duidelijk beter geschikt voor de inzet van tanks.

De Slag bij Cambrai (kaart: W. Wolny)

Het door de Britse opperbevelhebber veldmaarschalk Douglas Haig goedgekeurde plan voor ‘Operation GY’, waarvan de Entente een uitkomst verwachtte die beslissend zou zijn voor de hele oorlog, voorzag in een geconcentreerde aanval in het gebied van de relatief korte frontlijn tussen het Canal du Nord en het Canal de Saint Quentin.

Hiervoor zette de BEF 15 divisies van het 3. Leger onder luitenant-generaal Julian Byng in, waar aan Duitse zijde in eerste instantie slechts zeven, in de slag om Ieper aanzienlijk verzwakte divisies tegenover lagen. Eveneens stond het Royal Tank Corps onder brigadegeneraal Hugh Elles gereed en wel met 378 tanks en 98 pantserinfanterievoertuigen. De opdracht van dit verband bestond er in, het hoofdoffensief van het III. Korps van de Britten richting Marcoing, Crèvecoeur en Bonavis te ondersteunen en een weg te banen voor de volgende cavalerie die Cambrai zelf in moest nemen.

Verder voorzag het plan van Byng in zo nauw mogelijke samenwerking tussen de tanks en de infanterie en de luchtmacht, waarmee nieuwe maatstaven aangelegd werden voor de toekomst van de oorlogsvoering, die later bijvoorbeeld van invloed zouden zijn op de Duitse Blitzkrieg-strategie in de Tweede Wereldoorlog. De militair-historisch derhalve zeer betekenisvolle slag begon op 20 november 1917 om 6.20 uur met een ongewoon kort trommelvuur van de artillerie, om de vijand te verwarren maar het terrein niet door te veel kraters ontoegankelijk te maken.

Door Highlanders buit gemaakte Duitse houwitser, zoals oorspronkelijk door Krupp vervaardigd voor Belgische forten en tijdens de oorlog door de Duitsers als veldgeschut gebruikt (foto: Imperial War Museums).

De Duitse zijde was overigens gewaarschuwd en rekende met de inzet van de tanks, die om 7.15 uur daadwerkelijk in beweging kwamen. Desalniettemin konden de aanvallers de frontlinie doorbreken en negen kilometer in de richting van Cambrai oprukken, waarbij ze evenwel meer dan 60 tanks verloren. In hoge mate verantwoordelijk hiervoor was generaal-majoor George Montague Harper, de commandant van de 51. Highland Division, die de plaats Flesquières moest innemen. Deze commandant van de oude stempel wantrouwde de inzet van tanks en vreesde dat ze onnodig vijandig artillerievuur aan zouden trekken op zijn infanterie. Zodoende beval hij zijn infanterietroepen om 100 meter achter de tanks op te rukken, in plaats van in hun dekking te blijven en tegelijk de tanks te beschermen tegen aanvallen van Duitse infanteristen. Hierdoor werden zowel de tanks als ook de Highlanders gemakkelijke doelwitten en stagneerde het oprukken van de 51. Divisie. Dat liet op zijn beurt de flanken blootvallen van drie naburige divisies, waaronder ten slotte de gehele operatie leed.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Het Duitse opperbevel reageerde daarna door versterkingen naar het front te sturen. Dat deden de Britten weliswaar ook, maar niet in de vereiste mate. Zwaar woog vooral dat ze geen extra tanks in reserve hadden om de intussen al rond de 250 verloren gegane tanks te vervangen. Derhalve werden de resterende tanks op 27 november teruggetrokken. De volgende dag kreeg de infanterie het bevel zich voor Cambrai in te graven. Daarmee was het offensief, ondanks enige terreinwinst, mislukt.

Duitse stoottroep in de Eerste Wereldoorlog (foto: Bundesarchiv)

Maar het zou nog beroerder worden voor de Britten: Op 30 november begon namelijk een Duitse tegenaanval met 13 divisies van het 2. Leger onder de cavalerie-generaal Georg von der Marwitz. Daarbij werden voor het eerst op grotere schaal stoottroepen ingezet. Aan deze gevechten nam ook Ernst Jünger deel, die later bekend zou worden als schrijver en hierover in zijn boek ‘In Stahlgewittern’ berichtte.

Parallel voerde de Duitse artillerie beschietingen uit met diverse soorten gifgas. Doel van het gebruik van diverse soorten gas tegelijk was dat de vijandige troepen wanneer een ervan door het gasmasker zou dringen geneigd zou zijn het masker af te nemen. Ondanks de inzet van deze nieuwe tactische middelen stokte het tegenoffensief al snel rond de oude frontlinie uit de tijd voor 20 november. Er ontstond een patstelling, die op 6 december 1917 tot het afbreken van de gevechten leidde. Tot dan toe hadden beide zijden respectievelijk rond de 45.000 man verloren – inclusief hen die in gevangenschap raakten, vermist bleven, verwond of ziek werden.

De uiteindelijk geslaagde afweer van het eerste grote tankoffensief van de geschiedenis sterkte de Duitse legerleiding in haar fundamentele geringschatting van het nieuwe wapen. Zodoende bleef de versnelde ontwikkeling van tanks als ook de ontwikkeling van effectievere anti-tankwapens aan Duitse zijde vooreerst uit. Dat zou zich in de loop van het volgende jaar wreken, toen de Entente de samenwerking van haar tanks met infanterie en luchtmacht optimaliseerde en zo in toenemende mate de vuurkracht en snelheid van de tanks wist te benutten. Het gevolg waren Duitse nederlagen met een grote impact, zoals die in de Slag bij Amiens in augustus 1918.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.