Op 8 augustus 1918 leidde een succesvolle aanval van Entente-troepen bij Amiens tot wat de ‘zwarte dag van het Duitse leger’ genoemd zou worden. Dit leidde de laatste fase van de Eerste Wereldoorlog in, aan het einde waarvan het Duitse keizerrijk zijn nederlaag moest accepteren.

In november 1917 begon de derde Oberste Heeresleitung, het opperbevel van het Duitse keizerlijke leger, onder veldmaarschalk Paul von Hindenburg en de eerste kwartiermeester-generaal, de infanterie-generaal Erich Ludendorff, met de planning voor een beslissend Duits offensief. Het doel was de verovering van Parijs en het doorstoten naar het Kanaal. Daardoor moest het Duitse rijk in de positie gebracht worden om als overwinnaar een gunstige vrede uit te onderhandelen.

Ten gevolge van het reeds afgesloten vredesverdrag van Brest-Litovsk van 3 maart 1918 met Sovjet-Rusland, kon Duitsland een miljoen extra soldaten voor de beoogde slag aan het westfront inzetten. Ofschoon het 7. leger eind mei daadwerkelijk tot op 92 kilometer van Parijs oprukte, leidde geen van de vijf deeloperaties van de ‘grote slag in Frankrijk’ vanaf 21 maart 1918 tot een duurzaam strategisch succes. Het Duitse leger aan het westfront werd daarbij met zijn aanvankelijk 200 divisies met 3,5 miljoen man echter wel volledig uitgeput.

Op 18 juli haalden de inmiddels door 19 Amerikaanse divisies versterkte legers van de Entente aan de Marne voor een tegenoffensief uit. Onder druk hiervan moesten de Duitse troepen zich naar het noorden terugtrekken en het oprukken naar Parijs als ook naar Amiens, het belangrijkste verkeersknooppunt op weg naar de Kanaalkust, afbreken.

Dit leidde tot verwarring bij het Duitse opperbevel. Ludendorff die zich al in de slag bij Tannenberg als nerveuzer dan de stoïcijnse Hindenburg had laten kennen, reageerde afwisselend met hysterie en verslagenheid. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de dagboeknotities van de aan de generale staf verbonden kolonel Hermann Mertz von Quirnheim van 24 juli 1918: “Ernstig probleem van de nervositeit van zijne excellentie alsmede van de onsamenhangendheid van het door hem verrichte werk.”

Ondanks de waarschuwingen van onder andere generaal-majoor Fritz von Loßberg, de stafchef van het 4. leger, weigerde Ludendorff het bevel te geven voor een strategische terugtrekking achter de goed gefortificeerde Siegfriedlinie tussen Arras en Soissons, maar bleef erbij de duidelijk slechter verdedigbare posities ten oosten van Amiens te houden.

Dat wilden de opperbevelhebbers van de Entente, de Franse maarschalk Ferdinand Foch, de Amerikaanse generaal John Pershing en de Britse veldmaarschalk Douglas Haig benutten. Door het kraken van de Duitse ADFGVX-radiosleutel waren ze op de hoogte van de Duitse aanvoerproblemen en de precaire personele situatie van de bij Amiens staande eenheden. Derhalve planden ze daar een grote aanval met 36 Britse, Canadese, Australische, Franse en Amerikaanse divisies, waar aan de Duitse kant slechts 21 zeer uitgedund divisies tegenover stonden.

Het offensief moest het door de Australiërs onder luitenant-generaal John Monash op 4 juli 1918 in de slag bij Hamel succesvol uitgeprobeerde concept van het gezamenlijk opereren van infanterie en tanks volgen, want anders dan het zompige westen van Vlaanderen, was het landschap van Picardië voor een dergelijke operatie zeer geschikt. In totaal werden 580 Britse en Franse tanks van de types Mark V, Mark A ‘Whippet’ en Renault FT ingezet. Daarbij kwamen 1.886 vliegtuigen voor ondersteuning van de grondaanvallen vanuit de lucht.

Een Britse Mark V-tank steekt een greppel over op 8 augustus 1918.

De aanval begon op 8 augustus 1918 om 5:20 uur plaatselijke tijd en overrompelde de Duitse zijde volledig, omdat er geen trommelvuur aan vooraf was gegaan. In plaats daarvan schoot de artillerie van de Britten en Fransen granaten af op het terrein direct voor hun oprukkende infanterie. Aan het eind van de dag waren Entente-eenheden aan beide zijden van Villers-Bretonneux tot tien kilometer achter de Duitse linies gekomen en veroverden daarbij Harbonnières. Bij deze aanval vielen vooral de Australische eenheden op. Hun aanvalstempo lag dermate hoog, dat veel Duitse eenheden bij het ontbijt in de morgennevel omsingeld werden. Zodoende valt vandaag de dag in deze regio nog wel te vernemen dat de Australiërs Frankrijk van de ondergang hebben gered.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Het succes van de aanval resulteerde echter niet alleen uit de onstuimige vastberadenheid en numerieke superioriteit, maar ook uit de afnemende gevechtsbereidheid van de Duitse soldaten. Volgens berichten van ooggetuigen weigerden Duitse soldaten herhaaldelijk bevelen en legden sommigen hun wapens neer. Ook zouden oprukkende eenheden als ‘stakingsbrekers’ beschimpt zijn.

In ieder geval kwamen er op 8 augustus 1918 circa 17.000 Duitse militairen in krijgsgevangenschap – meer dan ooit tevoren op één dag in de Eerste Wereldoorlog. In totaal boette het Duitse Rijk die dag 30.000 man in. Dit was voor de gechoqueerde Ludendorff aanleiding om van de ‘zwarte dag van het Duitse leger’ te spreken, waarmee hij overigens niet zozeer op het terreinverlies of de gesneuvelden en krijgsgevangenen doelde, als wel op het verlies aan discipline en moreel onder de soldaten.

Duitse krijgsgevangenen komen bij een tijdelijk kamp bij Amiens aan, 9 augustus 1918.

Niettemin hoopte de kwartiermeester-generaal in eerste instantie het tij nog te kunnen keren. Zodoende gaf hij de nacht van 9 op 10 augustus na lange discussies alsnog het bevel tot de dringend noodzakelijke terugtrekking. Een dag later lichtte Ludendorff in Avesnes-sur-Helpe de keizer in over de zware nederlaag bij Amiens en de oorzaken daarvan. Hierop zou Wilhelm II gezegd hebben: “We zijn aan de grenzen van ons kunnen. De oorlog moet beëindigd worden… Ik verwacht de heren derhalve in de komende dagen in Spa.”

Dit treffen in het grote hoofdkwartier in de Belgische Ardennen vond om 14 augustus 1918 plaats. In de loop hiervan werd besloten tot het opnemen van vredesonderhandelingen. Overigens ging de strijd in eerste instantie verder. Eerst trok een groot deel van het westelijke leger zich terug achter de Siegfriedlinie. Dit laatste bolwerk werd dan eind september door troepen van de Entente geslecht, waarmee de acute dreiging bestond dat de gehele Duitse verdediging in zou storten. Ludendorff riep op 29 september 1918 de regering dan ook uit naam van de Oberste Heeresleitung op om onmiddellijk onderhandelingen op te nemen over een wapenstilstand. Op 11 november zou het in Compiègne daadwerkelijk tot een wapenstilstand komen, waarmee de gevechtshandelingen van de Eerste Wereldoorlog beëindigd werden.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.