Sinds zijn ontstaan heeft Tsjechoslowakije zichzelf steeds voorgesteld als slachtoffer van samenzweringen en agressie van andere Europese staten. Zelf schrok de jonge staat er echter ook niet voor terug om een buurland binnen te vallen voor territoriaal gewin. Dat bewijst het militaire conflict over het Olza-gebied 100 jaar geleden.

huidige situatie

Tot de Eerste Wereldoorlog was het voormalige hertogdom Teschen, waardoor zich de Olza, een zijrivier van de Oder, slingert, deel van het kroonland Oostenrijks Silezië. Aan het eind van de oorlog werd Oostenrijk-Hongarije echter ontmanteld en werden de Republiek Polen en de Tsjechoslowaakse Republiek opgericht, die beide aanspraak maakten op het Olza-gebied. In het gebied bevonden zich talrijke kolenmijnen en staalfabrieken. Daarbij kwam nog de strategisch gunstige positie aan de Moravische Poort.

Demarcatielijn

In eerste instantie werden de beide gegadigden het op 5 november 1918 eens over een demarcatielijn langs de Olza respectievelijk de aangenomen etnische grenzen. Dat er ook een groot aantal Duitsers in het gebied woonden werd daarbij overigens net als in het Sudetenland compleet genegeerd. Zodoende kreeg Tsjechoslowakije de controle over het belangrijke spoortraject van Zilina naar Bohumin, een hoofdverbinding tussen Tsjechië en Slowakije. De voorlopig vastgelegde grens bleef echter omstreden. Warschau verwees naar het grote Poolse bevolkingsaandeel in de Tsjechoslowaakse helft en Praag zag zichzelf als legitieme erfgenaam van het gehele voormalige hertogdom Teschen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Poolse mobilisatie

Escalatie bleef dan ook niet lang uit. Als aanleiding fungeerden de verkiezingen voor het Poolse parlement, die op 26 januari 1919 gehouden moesten worden. Om in de aanloop haar sterkte te demonstreren liet de regering van Pilsudski in december 1918 troepen naar de Olza oprukken. Daarop eiste de Tsjechoslowaakse regering per ultimatum de terugtrekking van die troepen. Polen nam echter de vlucht naar voren en riep nu ook in de Poolse sector van het betwiste Olza-gebied op voor de Poolse verkiezingen. Praag zag dit als een zwaarwegende provocatie, die om een militair antwoord vroeg.

Tsjechoslowaakse invasie

Šnejdárek in het uniform van het Franse Vreemdelingenlegioen

De invasie van het aan Polen toebedeelde deel van het voormalige hertogdom Teschen door het pas gevormde Tsjechoslowaakse leger begon op 23 januari 1919. De troepen stonden daarbij onder het bevel van luitenant-kolonel Josef Snejdárek, een oudgediende van het Vreemdelingenlegioen, die nog tot 1927 formeel lid zou blijven van de Franse strijdkrachten en daarna pas Tsjechoslowaaks staatsburger werd. Deze huurling, nu in dienst van Praag, ontmoette op de eerste dag van de grensoorlog om 11 uur ’s morgens de Poolse kolonel Franciszek Latinik in de gedeelde stad Teschen aan de Olza en eiste van hem, in aanwezigheid van een groep waarnemers bestaande uit officieren van westerse staten, dat hij zijn troepen binnen twee uur terug zou trekken. Aangezien de Pool dit echter categorisch afwees, rukten Snejdareks troepen vanaf 13 uur op naar Bohumin en Karvina. Daarmee begon een van de talrijke oorlogen na het verval van de veelvolken-monarchieën in Centraal-, Zuidoost- en Oost-Europa, waarover de latere Britse premier Winston Churchill treffend zei: “De oorlog van de giganten is ten einde, de twist van de pygmeeën is begonnen.”

Polen met handen en voeten gebonden

Aangezien de Tweede Poolse Republiek reeds militaire conflicten met Duitsland en de West-Oekraïense Volksrepubliek opgestookt had met als doel om enerzijds de Pruisische provincie Posen en anderzijds Oost-Galicië en Wolhynië in te lijven, was ze niet in staat de Tsjechische aanvallers effectief tegen te houden. Tot 30 januari 1919 slaagde het Tsjechoslowaakse leger er zodoende in grote delen van het Poolse Olza-gebied te bezetten. Tijdens de gevechtshandelingen sneuvelden 92 Polen en 53 Tsjechen. Daarbij gingen de manschappen van Snejdárek dikwijls met grote wreedheid te werk. Zoals Jirí Friedl van het Historische Instituut van de Tsjechische Academie der Wetenschappen in 2009 onthulde, werden in krijgsgevangenschap geraakte Poolse soldaten deels door bajonet-steken afgeslacht.

Wapenstilstand

Ongeacht haar militaire overwinning moest Tsjechoslowakije de buit al snel weer afstaan. Op 31 januari 1919 werd onder druk van de westerse grootmachten het offensief bij Skoczów aan de bovenloop van de Wisla afgebroken. Daarop ondertekenden Praag en Warschau op 3 februari een wapenstilstandsovereenkomst. Deze voorzag in de terugtrekking van alle Tsjechoslowaakse en Poolse troepen uit het Olza-gebied, dat onder internationale controle zou komen te staan tot een diplomatieke oplossing gevonden was.

Volksraadpleging

De onderhandelingen hierover bleven in juli 1919 echter zonder resultaat, omdat Tsjechoslowakije het Poolse voorstel voor een volksraadpleging in de regio afwees. Warschau gaf uiteindelijk toe, omdat het zich inmiddels ook in oorlog met Sovjet-Rusland bevond en zijn krachten noodgedwongen moest concentreren. Daarop besloten de westerse grootmachten op 25 juni 1920 om het plebisciet te laten zitten en het in november 1918 overeengekomen grensverloop langs de Olza nu als bindend vast te stellen. Dit werd op 28 juli 1920 vastgelegd in een nieuw verdrag tussen Tsjechoslowakije en Polen.

Poolse revanche

De mogelijkheid om deze in tegenspraak met het nationale zelfbeschikkingsrecht van de volken staande grensvaststelling te herzien werd geboden door de Conferentie van München, waar Tsjechoslowakije het overwegend door Duitsers bevolkte Sudetenland verloor. Direct na het afsluiten van het Verdrag van München annexeerde Polen begin oktober 1938 grote delen van de Tsjechische helft van het voormalige hertogdom Teschen – alles bij elkaar 869 van 1273 vierkante kilometer.

Poolse tanks trekken het Tsjechische deel van Teschen binnen in 1938.

De freeloaders in Warschau konden echter slechts tot 3 september 1939 van deze annexatie genieten. Toen viel immers de Wehrmacht het Olza-gebied binnen, om het anderhalve maand later toe te voegen aan het district Kattowitz van de Pruisische provincie Silezië. Na de Tweede Wereldoorlog gold vervolgens weer de grens van 1918 c.q. 1920, die uiteindelijk op 2 juni 1958 onder druk van de Sovjet-Unie door zowel Tsjechoslowakije als Polen onherroepelijk als definitief erkend werd.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.