De Tsjechoslowaakse staat, het zogenaamde gelukskind van het Verdrag van Versailles, ontstond in 1918 en viel 74 jaar later in twee helften uiteen. Oorzaak hiervoor was het diepgaande antagonisme tussen Tsjechen en Slowaken, waarvan de betekenis alleen maar toenam naarmate etnische minderheden – met name Duitsers en Hongaren – uit de veelvolkerenstaat verdreven werden.

Meer dan 1000 jaar lang leefden de beide Slavische volken in tenminste juridisch gescheiden politieke structuren – tot 30 oktober 1918. Toen kondigden de vertegenwoordigers van alle belangrijke partijen in Slowakije de toetreding van hun thuisland, dat tot dan toe onderdeel was geweest van het koninkrijk Hongarije, tot de twee dagen daarvoor geproclameerde Tsjechoslowaakse Republiek (CSR) af. Het bestaan hiervan was het resultaat van de inspanningen van de Tsjechen om zich los te maken van het Habsburgse rijk. Hierin werden ze vanaf 1916 gesteund door de Britten, de Fransen en de Amerikaanse president Woodrow Wilson, die een verklaard voorvechter was van het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren. Dat laatste weerhield echter het Tsjechische leger er niet van om ook die delen van Bohemen, Moravië, Slowakije en Oostenrijks-Silezië te bezetten waar nauwelijks Tsjechen maar overwegend andere etniciteiten, zoals Slowaken, Polen, Hongaren of Duitsers woonden.

Toezeggingen van autonomie

De Slowaken kozen voor de losmaking van Hongarije en het politieke samengaan met de Tsjechen, uit vrees dat ze anders gemagyariseerd zouden worden. Daarbij vertrouwden ze erop dat ze in de CSR op de autonomiestatus konden rekenen, die hen in het Akkoord van Pittsburgh van 31 mei 1918 tussen Amerikaanse Tsjechen en Amerikaanse Slowaken verzekerd was. Bovendien had de toonaangevende Tsjechische nationaal-liberaal Tomáš Garrigue Masaryk in 1917 in zijn programmatische boek ‘Het nieuwe Europa’ nog gesteld: “Met het oog op zijn centrale positie zal de Tsjechoslowaakse staat er steeds belang bij hebben, alle minderheden van de volle rechten te verzekeren.”

De opdeling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog

Ook de Tsjechische nationaal-socialist Edvard Beneš, wiens decreten later de basis voor de onteigening en verdrijving van de Duitsers en Hongaren schiepen, beloofde de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan het Verdrag van Saint-Germain op 20 mei 1919 schriftelijk: “De Tsjechoslowaakse regering heeft de intentie haar staat zo te organiseren, dat ze als fundament van de nationaliteitsrechten de principes aanneemt, die in de constitutie van de Zwitserse Republiek tot gelding gebracht worden.” Gezien deze volmondige beloftes, bevestigden de geallieerden in de verdragen die in de Parijse voorsteden gesloten werden en de Eerste Wereldoorlog formeel beëindigden, het bestaan van de CSR, die zichzelf naar buiten als een nieuw Zwitserland presenteerde.

Daarmee ontstond een veelvolkenstaat in het hart van Europa, waarvan de etnische diversiteit zich nauwelijks van de aan stukken gereten Donaumonarchie onderscheidde. Zo kwam uit de volkstelling van 1921 naar voren, dat naast 6,7 miljoen Tsjechen en 2 miljoen Slowaken ook precies 3,1 miljoen Duitsers in de Tsjechoslowaakse Republiek woonden. Het aantal Duitsers oversteeg met andere woorden het aantal leden van de tweede titulaire natie van de CSR aanzienlijk. Daarbij kwamen nog zo’n 745 duizend Hongaren, 462 duizend Russen, Oekraïners en Karpathorussen of Rutheniërs, 76 duizend Polen, circa 180 duizend Joden en een onbekend aantal Roma. Al met al maakten de minderheden meer dan een derde van de gehele bevolking uit. Alleen de groep Duitsers, die zowel in de historische regio’s Bohemen, Moravië en Silezië als ook in Slowakije aanwezig was, vormde al een kwart van de bevolking.

Linguïstische kaart van Tsjechoslowakije in 1930 (kaart: Henry Mühlpfordt)

Tsjechoslowakisme

Al deze naties moesten zich onderwerpen aan de doctrine van het Tsjechoslowakisme, die  in 1920 formeel ingang in de constitutie van de CSR vond. Deze leerde dat er een traditionele etnische en culturele eenheid van Tsjechen en Slowaken was en dat hen daarmee de onaangevochten leidende rol in Tsjechoslowakije toekwam. Op basis van dit idee, dat ook door de meeste Slowaken van de hand gewezen werd, richtten de Tsjechen vervolgens een centralistische staat in, waarin ze de macht in de handen van Tsjechen concentreerden en de hypocriet toegezegde minderhedenrechten papieren beloftes bleven.

Onder dit beleid had de Duitse minderheid het meest te lijden, de Duitsers kregen van het begin af aan met onverholen haat te maken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een memorandum van de Tsjechische rechter aan het Hooggerechtshof Ladislav Josef Stehule, waarin hij stelt: “De Duitser als vijand van de mensheid kan het recht op zelfbeschikking niet naar zijn egoïstische behoeften waarnemen.” Praag ontzegde de Duitsers in Bohemen en Moravië dan ook niet alleen de politieke autonomie, maar probeerde zelfs hun culturele identiteit door een rigide taal- en onderwijsbeleid te vernietigen. Daarnaast vonden er onteigeningen van ruim 150 hectare akkerland plaats, om het “onrecht van 1620” terug te betalen. Vanwege zulke en andere discriminaties diende de Duitse minderheid in Tsjechoslowakije alleen al tussen 1920 en 1930 175 klachten in bij de Volkenbond.

De Britse premier Winston Churchill en Edvard Beneš bezoeken een in Engeland gevormde Tsjechoslowaakse birgade in 1943 (foto: Stzeman).

Het ergste waren uiteindelijk de verdrijvingen vanaf 1945, die naar schatting 300.000 Sudeten-Duitsers het leven kostten en nog ons drie miljoen hun thuisland. De Hongaren verging het niet veel beter, waarbij hun vervolging eveneens met het eind van de Tweede Wereldoorlog en de heroprichting van de Republiek culmineerde. Dit niet in de laatste plaats ten gevolge van de publieke oproep van Beneš op 16 mei 1945 om “de Hongaren in Slowakije te elimineren”.

Federalisering

Overigens hadden ook de Slowaken in de staat, die toch ook de hunne heette, weinig te lachen. Zo namen de pogingen tot een geforceerde Tsjechisering allengs toe – en iedere Slowaakse burger of politicus die zich op de gegarandeerde autonomie beriep, werd genadeloos vervolgd. Aan de hieruit voortvloeiende vervreemding tussen Tsjechen en Slowaken veranderde ook de Praagse Lente van 1968 niets, al kwam er in de nasleep daarvan tenminste een formele federalisering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek (CSSR) tot stand.

De inspanningen van de Tsjechen om een gemeenschappelijke Tsjechoslowaakse identiteit onder leiding van Praag te creëren faalden over de hele linie. Zo barstte na de Fluwelen Revolutie van eind 1989 de zogenaamde Koppeltekenoorlog los. Er bestond consensus over dat na de val van het communistische bewind het ‘Socialistisch’ geschrapt moest worden uit de naam ‘Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek (CSSR), die Tsjechoslowakije sinds 1960 voerde. De Tsjech die op dat moment aan het hoofd stond van Tsjechoslowakije, Václav Havel, hoopte dat deze terugkeer naar de staatsnaam tot 1960 genoeg zou zijn.

Na de Praagse Lente kwam tenminste een formele federalisering tot stand.

Van Slowaakse zijde werd echter, in plaats van het schrappen, de vervanging van ‘Socialistische’ door ‘Federatieve’ geëist. Hierover kon men het eens worden. Lastiger was de vraag of ‘Tsjechoslowaaks’ ook in de toekomst zonder koppelteken geschreven zou worden. Het onbevredigende compromis waar men op uitkwam, was dat het woord in de Tsjechische versie zonder (Ceskoslovenská federativiní republika) en in de Slowaakse met koppelteken (Cesko-slovenská federativna republika) geschreven werd. Zo werd de CSSR op 29 maart 1990 de ‘Tsjechoslowaakse Federatieve Republiek’.

Omstreden was nu echter nog de kwestie of de ‘s’ van ‘Slowaaks’ in de samenstelling ‘Tsjecho-slowaaks’ met een grote of een kleine letter geschreven zou worden. Van Slowaakse zijde werd op grond van de gelijkberechtiging een grote ‘s’ geëist, maar de spelling in de beide talen schreef een kleine voor. Tsjecho-slowaaks werd zodoende gewijzigd in ‘Tsjechisch en Slowaaks’. Zo werd op 23 april de ‘Tsjechoslowaakse Federatieve Republiek’ de ‘Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek’ (CSFR). Deze oplossing had twee voordelen. Ten eerste kon de ‘s’ van Slowaaks nu met een grote letter geschreven worden zoals de Slowaken wilden zonder de spellingsregels geweld aan te doen. Ten tweede luidde de naam van de staat nu in beide landsdelen met respectievelijk ‘Ceská a Slovenská Federativní Republika’ en ‘Ceská a Slovenská Federatívna Republika’ identiek.

Naast de ontwikkeling van de naam van de staat laat ook de ontwikkeling van het staatswapen de federalisering van de eenheidsstaat en de emancipatie van de Slowaken na de Fluwelen Revolutie zien. Het wapendier van de CSSR en de CSR was de uit Bohemen stammende zilveren dubbelstaartige leeuw tegen een rode achtergrond. Slowakije was in het wapen alleen door het borstschild van de leeuw aanwezig. Het wapen van de CSFR was daarentegen in vieren gedeeld en toonde beide tweemaal diagonaal de Tsjechische witte leeuw op rood en het wapen van Slowakije. Deze symbolische breuk met de door de Tsjechen gedomineerde centralistische eenheidsstaat, bracht echter nog allerminst een einde aan de zwaarwegende nationale en economische verschillen tussen de beide deelrepublieken.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Einde van de federatie

De definitieve breuk brachten uiteindelijk de parlementsverkiezingen van juni/juli 1992. De Slowaken hadden weinig vertrouwen in de hervormingsdrang van de Tsjechen en hun radicale keuze voor het kapitalisme en kozen de nationaal-conservatief Vladimír Meciar tot minister-president van hun deelrepubliek. Meciar meende dat er geen mogelijkheid was de toenmalige situatie te handhaven: “Anders zouden de ontwikkelingen uit de hand kunnen lopen.” Daarin gaf de nieuwe Tsjechische premier Václav Klaus hem gelijk, omdat hij het armere Slowakije als een blok aan het been van Praag zag en er zo snel mogelijk vanaf wilde. Zodoende werden de beide politici het eind augustus 1992 in de tuin van Villa Tugendhat in Brno na meerdere gesprekken onder vier ogen eens over het eind van de federatie.

Volgens opiniepeilingen waren niet alleen de Tsjechen, maar ook de Slowaken, ondanks alle animositeit over en weer, in meerderheid tegen het opbreken van de CSFR. Bij de Tsjechen was 65 procent er tegen en van de Slowaken toch altijd nog 55 procent. Desalniettemin ging de ontwikkelingen nu snel. Op 25 november 1992 nam het federale parlement van de CSFR een wet aan, waardoor de federatie na 31 december 1992 ophield te bestaan. Aansluitend werden op 1 januari 1993 de zelfstandige staten Tsjechische Republiek en Slowaakse Republiek geconstitueerd.

Wapen van de  Federatieve Republiek

Wapen van de Tsjechische Republiek

Begrijpelijkerwijs treuren de Tsjechen meer om de teloorgang van de door hen gedomineerde Tsjechoslowaakse staat dan de Slowaken. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in de staatssymboliek. De Slowaakse Republiek heeft teruggegrepen op de reeds door de eerste Slowaakse Republiek van 1939 tot 1945 gebruikte symboliek. Het belangrijkste verschil is dat de huidige wit-blauw-rode vlag aan de broekingzijde extra het wapen draagt om verwarring met de in 1991 opnieuw ingevoerde vlag van Rusland, die de Panslavische kleuren in dezelfde volgorde kent, te voorkomen. De Tsjechische Republiek heeft daarentegen de vlag van Tsjechoslowakije overgenomen, ofschoon de blauwe driehoek oorspronkelijk voor het Slowaakse landsdeel stond. Ook zijn grote wapen nam de Tsjechische Republiek in essentie over van de CSFR, alleen maakten de Slowaakse wapens in de kwartieren linksboven en rechtsonder plaats voor de wapens van Moravië en Silezië. Zelfs de Tsjechoslowaakse afkortingstraditie wordt door Tsjechië, in tegenstelling tot Slowakije, voortgezet. Zo wordt daar analoog aan de ‘CSR’, ‘CSSR’ en ‘CSFR’ nu gesproken van de ‘CR’, als het over de eigen staat gaat. In Slowakije is dit niet gebruikelijk. Tsjechoslowakije was dan ook in de eerste plaats een Groot-Tsjechisch project.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.