Zestig jaar geleden meldde de Sovjet-Unie de eerste succesvolle test van een intercontinentale raket. Het gebruikte model, de R-7 (Semjorka), was militair echter niet te gebruiken. Het zou zich daarentegen als ideale draagraket voor de ruimtevaart bewijzen, die in de daarop volgende jaren meer dan duizend succesvolle lanceringen maakte en in aangepaste vorm nog altijd ingezet wordt – bijvoorbeeld voor vluchten naar het Internationale Ruimtestation ISS.

Vanaf augustus 1949 beschikten zowel de Verenigde Staten als ook de Sovjet-Unie over atoombommen. Om deze massavernietigingswapens naar hun doel te brengen had men draagsystemen nodig, zonder effectieve manier om de nucleaire ladingen af te leveren zou er ook geen afschrikking van uitgaan.

De VS bouwden zodoende in eerste instantie talrijke lange-afstandsbommenwerpers om te stationeren op luchtmachtbases rond de Sovjet-Unie, terwijl Moskou vanaf het begin aan de voorkeur gaf aan intercontinentale raketten, die vanuit het eigen territorium kunnen gelanceerd kunnen worden en moeilijker af te weren zijn.

Destijds vielen de Sovjet-kernwapens overigens nogal fors uit, zodat ook draagraketten nodig waren die springladingen van meerdere tonnen konden dragen. Derhalve kreeg het experimentele constructiebureau OKB-1 onder de leiding van Sergej Koroljov de opdracht een intercontinentale raket genaamd R-6 te ontwikkelen die naast zijn eigen gewicht een lading van drie ton zou kunnen dragen. Op 12 augustus 1953 testte de Sovjet-Unie echter haar eerste waterstofbom, wat het Kremlin er toe bracht de eis voor de draagraket op te schroeven naar 5,5 ton. Dit leidde tot de doorontwikkeling van de R-6 tot R-7, waarvan het ontwerp op 20 november 1954 door de ministerraad van de Sovjet-Unie werd goedgekeurd.

Deze raket was nog deels gebaseerd op Duitse technologie, want Koroljov en zijn medewerkers hadden zich verdiept in het werk van de Duitse raketexperts Helmut Gröttrup en Werner Albring en hieruit onder andere het principe overgenomen van de bundeling van meerdere motoren om de prestatie op te schroeven. De zo geconfigureerde middentrap van de R-7 omgaven ze met vier starthulpen in de vorm van aan de zijkant aangebrachte R-5-middellange-afstandsraketten. Het resultaat was een gevaarte van 34 meter lang, dat volgetankt 280 ton woog en zijn thermonucleaire springlading, waarvan de detonatiekracht bij 30 megaton TNT zou liggen, tot 8800 kilometer ver zou kunnen dragen, met een trefzekerheid van vijf à tien kilometer.

Parallel aan de ontwikkeling van de reusachtig R-7 werden ook speciale lanceerinrichtingen in Plessetsk in het noorden van Rusland gebouwd alsmede in het 5e Centrale Testterrein nabij het Kazachse treinstation Tjoeratam aan de spoorlijn van Moskou naar Tasjkent, dat later ter misleiding naar het 320 kilometer verderop gelegen dorp Baikonoer genoemd werd.

De bouw van lanceerinrichtingen bleek veel duurder dan verwacht. Het kostte bij elkaar ruim een miljard roebel, wat toch tien procent van de toenmalige defensie-uitgaven van de Sovjet-Unie vertegenwoordigde. Na de oplevering van de lanceerinrichting in Tjoeratam gaf een staatscommissie groen licht voor de eerste testvlucht van de R-7. Deze vond plaats op 15 mei 1957 en eindigde catastrofaal. 98 seconden na het van de grond komen raakte starthulpraket D los waarop de raket rond 19.03 uur (Moskou-tijd) neerstortte. Ook de tweede en derde tests op 11 juni en 12 juli 1957 mislukten. In eerste instantie kwam de R-7 überhaupt niet van de grond omdat er problemen waren met de brandstoftoevoer in starthulpraket B, vervolgens herhaalde zich het fiasco uit mei in de 33e seconde van de lancering vanwege kortsluitingen in de stuurinrichting.

Pas op 21 augustus 1957 kon de R-7 daadwerkelijk de geplande afstand van circa 800.000 kilometer tussen Baikonoer en het doelgebied op het schiereiland Kamtsjatka afleggen. Daarbij barstte echter wel de bekleding van de dummy van de kernkop bij het terugkeren in de dampkring. Desalniettemin maakte de Sovjet-nieuwsdienst TASS de test op 26 augustus als een groot succes wereldkundig.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Op de eerste vlucht van de R-7 volgde de nog duidelijk spectaculairdere inzet als draagraket voor de eerste drie aardsatellieten van het type ‘Spoetnik’ op 4 oktober en 3 november 1957 en 15 mei 1958. Deze missies vonden vooral plaats, omdat de constructeurs – die vooralsnog geen oplossing hadden voor het probleem van de terugkeer in de dampkring met de kernkoppen – testvluchten zonder lading vanwege de kosten wilden vermijden.

Lancering van een Sojoez-raket in 2003 vanuit het kosmodroom in Baikonoer, met aan boord een Amerikaanse astronaut voor het ISS.

Al met al lanceerde Koroljovs team 31 R-7-raketten, waarbij 11 van de 28 militaire tests in een mislukking resulteerden. Dat was echter geenszins de enige reden dat de eerste intercontinentale raketten ter wereld uiteindelijk niet geschikt waren als kernwapendragers, maar in plaats daarvan tot basismodel van de meeste ruimtevaartdraagraketten van de Sovjet-Unie werden. De motoren van de R-7 liepen op kerosine en meer dan minus 183 graden Celsius koude, vloeibare zuurstof. Dit leidde ertoe dat de startvoorbereidingstijd 24 uur bedroeg en de raket in tegenstelling tot de later ontwikkelde Amerikaanse Titan en de R-16, een opvolger van de R-7, niet uit verdekte onderaardse silo’s gelanceerd kon worden. Daarmee waren first strikes zonder voorafgaande waarschuwing even onmogelijk als een snelle reactie op een eventuele Amerikaanse aanval.

Desalniettemin verklaarde de Sovjet-leiding Koroljovs R-7 op 20 januari 1960 voor inzetbaar. Daaraan waren de stationering van meerdere van deze intercontinentale raketten in Plesetsk en de formele oprichting van de Strategische Rakettroepen van de Sovjet-Unie op 17 december 1959 vooraf gegaan. Dat de R-7 vanwege haar voor de terugkeer in de dampkring nog altijd onrijpe bekleding nooit daadwerkelijk van kernkoppen voorzien kon worden, verzweeg Moskou om de nucleaire afschrikking overeind te houden.

Pas de in september 1960 in dienst genomen versie R-7A met een reikwijdte van 12.100 kilometer was daadwerkelijk in staat een afgeslankte waterstofbom van 3,3 ton naar zijn doel te brengen. En dat zou tijdens het hoogtepunt van de Cuba-crisis in oktober 1962 ook bijna gebeurd zijn. Destijds stonden vier R-7A-raketten in Plesetsk gereed om Washington, New York, Chicago en Los Angeles van de kaart te vegen. In de daarop volgende jaren zouden zowel de R-7 als R-7A vervangen worden door opvolgers, die echter deels op de oudere modellen gebaseerd waren.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.