Jaren geleden was ik al gewaarschuwd. Een goede vriend van me, die zelf theologie studeerde, waarschuwde me om vooral met feestdagen niet naar de kerk te gaan. Wordt er al veel ondermaats werk geleverd in kerkdiensten, met feestdagen was het volgens hem zo mogelijk nog veel erger. Zo waarschuwde hij. Hij ging dus zelf al steevast nooit met feestdagen ter kerke en raadde iedereen af het wel te doen. Om teleurstelling en frustratie te voorkomen.

Het kerkelijke christendom is voor een groot deel haar overtuigingskracht verloren. Men probeert niet meer te overtuigen door met gezag en inhoud beslag te leggen op de hoorder die per slot van rekening gekomen is om tijdens de kerstgang iets te ondergaan. Daarentegen stemt men af op de hoorder. Men is een gevoelige plaat die alle signalen ontvangt en denkt te ontvangen en past haar boodschap aan op wat anderen erover zouden denken, zeggen of voelen. De rollen zijn dus omgedraaid. In plaats van dat de kerk beslag legt op de hoorders c.q. kerkgangers, leggen de willekeurige, vaak anonieme abstracte kerkgangers beslag op de kerk en haar dienaren.

Vlakke praatjes

Het resultaat van deze weinig vrolijk makende ruil zijn liturgische draken in de vorm van onbekende liederen, banale grappen van voorgangers die het heilige karakter van de samenkomst verstoren, en vooral: vlakke praatjes die meer om humanisme draaien dan om de ‘opengescheurde hemel’, zoals dit vanuit deze woorden van de profeet Jesaja (64: 1) vanouds met Kerst werd beleden, gevierd en verkondigd.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Sinds die tijd probeer ik tevreden te zijn met wat kruimels. Kruimels van schoonheid in oude, vaak bekendere kerstliederen. Van terloopse ontmoetingen en gesprekken. En van geboden inzichten die geleverd worden door voorgangers die toch nog enige moeite hebben gedaan er iets van te maken.

Geslachtsregister van Jezus

Van dit laatste was sprake toen ik een overdenking hoorde over het geslachtsregister van Jezus uit het eerste hoofdstuk uit het Evangelie volgens Mattheus. Bij de voorbereiding van deze tekst had de prediker zich erover verbaasd dat in het geslachtsregister van Jezus niet zozeer namen als Abraham centraal stonden, maar dat vooral de persoon van David de afkomst van Jezus zo sterk bepaalt. Meer dan zoon van Abraham (en dus ware jood), meer dan zoon van Adam (en dus ware mens), meer dan tweede Mozes of Elia (daar gaat het zelfs niet over in de aanvang van Mattheus). Niet Zijn jood-zijn, of mens-zijn, of brenger of vervuller van de Wet, en ook niet Zijn profetische rol, maar het koningschap in de lijn van David is het zwaartepunt in Mattheus. Van daaruit wordt opeens veel begrijpelijk. De uitroep van de blinde Bartimeüs: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij”. De uitroep van de Kanaänitische, heidense vrouw uit Tyrus en Sidon: “Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David”. En natuurlijk de roep van het volk in Jeruzalem bij de intocht van Jezus op een ezel: “Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen.”

Icoon uit 1614 in de iconostase van de kapel van de aartsengel Gabriël van de Annunciatie-kathedraal van het Kremlin van Moskou: Christus en zijn moeder geflankeerd door de koningen David en Salomo.

Juist dat laatste laat zien dat Jezus niet alleen werd gezien door anderen als ‘Zoon van David’, maar Hij nam deze ‘rol’ ook bewust aan door op een ezel Jeruzalem binnen te rijden op weg naar het ‘hoogtepunt’ c.q. eindpunt van Zijn leven op aarde. Immers, volgens het Bijbelboek 1 Koningen was de muilezelin het dier van David waarop men Salomo de stad Jeruzalem deed binnenrijden als teken van vrede. Het volk, door de Farizeeërs vaak weggezet als ‘de schare die de Wet niet kent’, herkende meteen zijn Messias in dit beeld. Heidenen, blinden en gepeupel wisten instinctief wie er voor hen stond en later op een ezel Jeruzalem binnenreed.

Tweespalt

Jezus was, net als Jozef en Maria, van het ‘huis van David’, geboren in Bethlehem, de ‘stad van David’. En net als David een herder-koning en een vrede-brenger. De feiten logen er dermate niet om, dat er rond Jezus de tweespalt in het joodse volk zichtbaar werd. Want waar het gewone volk Hem zag als Messias, zagen de sektes van de Farizeeërs en de Sadduceeërs en hun trawanten Hem als gevaar en godslasteraar die de wankele vrede met de Romeinen op het spel zette. Deze laatsten zouden Hem laten kruisigen via het systeem van de seculiere rechtsstaat.

De Duitse theoloog Heinz-Lothar Barth heeft er ooit op gewezen dat er een verschil bestaat tussen het oorspronkelijke jodendom van Jezus’ dagen en het huidige jodendom dat vooral door de Farizeeërs is vormgegeven en hun nazaten: de Talmoedische joden. Waar deze laatsten in de Romeinse tijd een minderheid vormden van de joden, die zich echter wel via de Romeinen sterk kon maken ten koste van het volk, en zelfs van Gods Zoon, vormden de eersten het leeuwendeel van het jodendom in die tijd. Waar de Farizese sekte dweepte met de Wet van Mozes, leefde het volk bij de oorspronkelijke joodse verwachting, namelijk bij de komst van het Messiaanse Vrederijk en het herstel van het Davidische koningshuis.

Niet alleen de dynamiek van de persoon van David sprak dus vele gelovigen toen enorm aan, maar men koppelde dit ook aan de verwachting van het herstel van het Davidische koningshuis en de komst van het Messiaanse vrederijk. Het eerste geeft veel meer kleur en betekenis aan de persoon van Jezus als Messias en als ‘tweede David’. Het tweede toont aan dat het huidige jodendom theologisch niet de voortzetting is van het toenmalige jodendom. Het volkse geloof sloot aan op het Evangelie, terwijl het huidige jodendom is gevormd door de Farizeeërs die (via het opstellen van de Talmoed dat door hen is gebeurd) het zwaartepunt van ‘hun’ geloof hebben verlegd van ‘het Davidische’ naar de Wet van Mozes.

Volkser en hemelser

Voor onze tijd, en voor de viering van Kerst in onze tijd, betekent dit heel wat. Het maakt de viering van dit feest tegelijkertijd zowel volkser als hemelser. Volkser omdat Jezus, net als Zijn voorvader David, uit het veld kwam en het volk bepaalde bij haar oorsprong die door de elite werd veracht: die van herdersnomaden en ronddolende bedoeïenen. Jezus omhelsde hierin voluit de beelden en herinneringen van het volk waar ook de rauwheid en heldhaftigheid en zelfs bloeddorstigheid bij hoorde. David was niet alleen ‘de sterke held’ die vanachter de schaapskooi werd weggehaald om zijn volk te leiden en te dienen; hij versloeg en verdelgde daarbij ook de vijanden van het volk en smeedde de stammen met harde hand samen tot een sterk volk. Het is typerend voor Jezus, dat Hij zich niet schaamde om als zoon van David zich te vereenzelvigen met figuren als Mozes en Elia, die in bloeddorstigheid niet voor David onderdeden.

Het volk begreep het dan wel deels, en veel te ondermaans, maar ze begreep dit deel wel goed. Namelijk dat een vrederijk gesticht zou worden door de weg van recht en desnoods van geweld. En dat Jezus gekomen was om de dood en het Kwade in deze weg te verdelgen, en niet de Romeinen (deze opstand liet Hij aan het volk zelf, zoals in de gehele geschiedenis mensen en volken zelf dienen op te staan tegen overheersers).

De verscheurde hemel

Jezus was dus volkser dan de toenmalige elite. Maar Hij was ook hemelser. Maar dan hemelser in de zin van Jesaja: behorend tot de sfeer van de verscheurde hemel. Die rauwheid zat dus niet alleen in de vereenzelviging met mannen als Mozes, Elia en David, maar ook in het opengebroken perspectief. Vanuit kloeke mannen openbaart de hemel ons de waarheid. Daarom kon Petrus, ziende op David, Mozes en Elia, belijden Wie Jezus werkelijk was. Mattheus 16:

Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: “Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?” En zij zeiden: “Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten.” Hij zeide tot hen: “Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” En Simon Petrus, antwoordende, zeide: “Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: “Zalig zijt gij, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.  En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.”

Een christendom, een kerk, en daarmee een kerstverkondiging, die zich niet schaamt voor godsmannen als Mozes, Elia en, vooral, David, zal de woorden van deze taaie visserman volledig beamen. Zo’n christendom houdt geen vlakke praatjes meer over humaniteit en vage vrede. Die eert eerst de helden van weleer alvorens het Kindeke te begroeten als Vredevorst.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.