Terwijl het nog vers in het geheugen lag hoe de nieuwe Amerikaanse ambassadeur in Duitsland gelijk bij zijn aantreden de Duitse regering al te verstaan gaf wat te doen, deed Richard Grenell er onlangs nog een schepje bovenop. In een interview verklaarde hij voornemens te zijn conservatieve partijen in Europa te versterken. Een dergelijke uitlating schendt alle normen van het internationale verkeer onder staten, die diplomaten tot partijpolitieke neutraliteit verplichten.

Dat het niet de eerste keer is, maakt wel duidelijk dat het niet slechts om een uitglijder gaat. Dat Grenell bovendien als ambassadeur in Duitsland dan ook nog de bondskanselier van het naburige Oostenrijk, Sebastian Kurz, als voorbeeld voorhoudt, verergert de zaak nog.

Aanvankelijk meenden sommigen nog dat Grenells gedrag te herleiden was tot slechte manieren of tot de diplomatieke onervarenheid van de man uit Michigan, maar een dergelijke verklaring stoot niet door tot de kern van het probleem. Grenell kent de diplomatische mores wel degelijk, maar voelt zich daaraan als Amerikaan niet gebonden. Hij weet donders goed dat het zijn taak is de Amerikaanse politiek te vertegenwoordigen en niet om de Duitse de les te lezen, maar dat interesseert hem niet. Als Amerikaan waant hij zich verheven boven dergelijke diplomatieke normen en in dat denken staat hij niet alleen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


We zien deze Amerikaanse houding immers niet alleen in het gedrag van ambassadeurs terug. De grondhouding dat voor de Verenigde Staten niet dezelfde regels gelden als voor andere landen, zien we bijvoorbeeld ook terug in een toespraak die generaal James Clapper, van 2010 tot 2017 hoogste coördinator van de Amerikaanse geheime diensten, onlangs hield. Hij verzekerde daarin zijn toehoorders ervan dat de Verenigde Staten zich alleen dan in de verkiezingen van andere landen zullen mengen en daar ook regimewissels door zullen voeren wanneer dat “in het belang van de mensen” is. Daarmee zei hij in feite twee dingen, namelijk ten eerste dat inmenging in verkiezingen en regime change tot het buitenlandbeleidsinstrumentarium van de VS behoren, en ten tweede dat het aan Washington is om te bepalen wat al of niet in “het belang van de mensen” in welk land dan ook is. Clapper deed deze uitspraken bij een prominente gelegenheid, namelijk de presentatie van zijn boek ‘Facts and Fears’. In een interview met Tobin Harshaw van Bloomberg weidt hij uit: “Ik geloof, hoe ik het zie, is dat wanneer we, doorheen onze geschiedenis, probeerden verkiezingen te manipuleren of te beïnvloeden of simpelweg regeringen omver te werpen, we steeds op het oog hadden wat het beste voor de mensen in deze landen was.” Hij voegde er nog aan toe dat de VS een “traditionele eerbied hebben voor de mensenrechten”.

Deze geschiedenis van ‘eerbied voor de mensenrechten’ waarop Clapper zich beroept – niet ter rechtvaardiging, want die hebben de VS niet nodig, maar alleen ter illustratie – telt 242 jaar. Daarvan voerde het land 225 jaar oorlog, dikwijls in meerdere oorlogen tegelijk. De politicoloog Dov H. Levin van het Institute for Politics and Strategy aan de Carnegie-Mellon University in Pittsburgh identificeerde alleen in de jaren tussen 1946 en 2000 al meer dan 80 gevallen van verkiezingsinmenging en regime change. In de vorige eeuw begonnen de VS circa 70 oorlogen, ongeveer de helft daarvan in Latijns-Amerika. Je zou kunnen zeggen dat de Latijns-Amerikanen het buitenlandbeleid van de VS om die reden dikwijls heftiger afwijzen dan andere landen, omdat ze het beleid het beste kennen.

Het is overigens zo dat de Latijns-Amerikanen ook proberen uit de geschiedenis te leren, en dat heeft tenminste in zoverre vrucht gedragen dat de ‘gringo’s’ daar in het algemeen niet geliefd zijn en met arrogantie, intimidatie en geweld in verband gebracht worden. De Amerikaanse vicepresident Mike Pence nam de Top van de Amerika’s medio april in de Peruviaanse hoofdstad Lima als aanleiding om nog wat olie op het vuur te gooien. Hij ging met het oog op de Latijns-Amerikaanse landen tekeer tegen “dictatuur en tirannie”, maar moest vervolgens zijn deelname aan de top onderbreken, toen bekend werd dat zij president Donald Trump zojuist een raketaanval op Syrië had laten uitvoeren.

De dikwijls bizarre manier van doen van president Trump mag ons er niet toe verleiden al zijn voorgangers voor redelijke huisvaders te houden. Ook zijn voorganger Barack Obama, die al aan bij zijn aantreden de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst mocht nemen, was van dezelfde arrogantie in het internationale verkeer met de rest van de wereld vervuld, en wel uit diepe overtuiging. Steeds weer hield hij zijn toehoorders het “Amerikaanse exceptionalisme” voor en onderstreepte daarmee de vanzelfsprekende reden waarom de VS ontheven zijn van de plicht om zich net als andere landen aan gezamenlijke overeenkomsten te houden. Op 30 mei 2014 hield Obama voor de geslaagden van de militaire academie West Point, de meest exclusieve instelling in zijn soort in de VS, een toespraak waarin hij onverkort het Amerikaanse interventionisme beleed. Hij onderstreepte daarbij dat zijn regering ook in de toekomst op het “recht” van het Amerikaanse imperialisme zou staan om militair in te grijpen waar en wanneer het besluit dat het in zijn belang is.

Sinds Obama en tot in de voorzienbare toekomst speelt Syrië een een centrale rol in de interventie- en oorlogsstrategie van de VS. Obama zelf noemde Syrië een “belangrijk element” in een groter plan om fundamenteel veranderen van het Midden-Oosten. Voor dergelijke ondernemingen moet altijd een actueel voorwendsel gevonden worden. Noord-Vietnamese aanvallen op Amerikaanse marineschepen in de Golf van Tonkin, die in werkelijkheid nooit plaats hebben gevonden, voor de Vietnam-oorlog of de vermeende massavernietigingswapens van Colin Powell voor de Irak-oorlog.

Sinds 9 november 2001 is het Amerikaanse buitenlandbeleid echter ontheven van de noodzaak naar een voorwendsel voor oorlog te zoeken, want nu is er een voorwendsel dat tot in lengte van dagen gebruikt kan worden: het terrorisme. Ongeacht of een jihadistische groepering door de CIA opgericht is of niet – de verklaring dat ze bestreden moet worden, doet altijd dienst. Op deze ticket bevindt de Amerikaanse krijgsmacht zich nu illegaal in Syrië, waar overigens voor het ingrijpen van Rusland – dat door het wettige Syrische gezag daarom gevraagd is, de zogeheten ‘Islamitische Staat’ (IS) alleen nog maar in omvang, macht en terrein toenam, ofschoon de Amerikanen daar zogezegd toch waren om IS te bestrijden. Het is hetzelfde liedje als nu al 17 jaar in Afghanistan: Het voorgewende doel wordt niet gerealiseerd.

Achter de Amerikaanse strategie steekt dan ook niet zozeer de verbreiding van democratie en mensenrechten als wel de bedoeling om de landen te verdelen en op deze manier zodanig te verzwakken dat ze geen weerstand meer (kunnen) bieden aan de Amerikaanse invloed. In dit verband staan ‘mensenrechten’ en ‘democratie’ in dienst van de Amerikaanse voorstelling van een wereldorde waarin zij onaangevochten bovenaan staan. Of in Clappers termen: De VS weten wat goed is voor ‘de mensen’. Of deze mensen, voor zover ze niet tot de miljoenen dodelijke slachtoffers van de Amerikaanse oorlogen behoren, daar ook zo over denken, is de vraag.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.