‘Het Amerikaanse primaat en zijn geostrategische imperatieven’ luidde de ondertitel van het befaamde boek van Zbigniew Brzezinski ‘The Grand Chessboard’, een boek dat kort gezegd ging over de beheersing van de wereld door de Verenigde Staten van Amerika. En Brzezinski was als politiek analist niet de eerste de beste, hij domineerde het veld was adviseur van de presidenten Johnson en Carter, en bleef daarna tot tijdens het bewind van Obama invloedrijk.

De Amerikaanse aanspraak op de wereldheerschappij, die Brzezinski postuleerde, mag gerust als essentie van het Amerikaanse buitenlandbeleid gezien worden. Dat wordt in Amerika overigens ook niet bestreden: Obama heeft dit leerstuk zelf herhaaldelijk openlijk beleden, de directeur van de invloedrijke denktank Stratfor verkondigt het, en in de Council of Foreign Relations wordt er al decennia aan gewerkt.

Veelzeggend is ook wanneer dit boek verscheen. Dat was in 1997, zes jaar daarvoor was de Sovjet-Unie uiteen gevallen. Rusland bevond zich in deplorabele toestand, zijn natuurlijke hulpbronnen, vooral de energiesector, waren in handen van diverse vooral Amerikaanse multinationals die door wurgcontracten, zogeheten Profit Sharing Agreements, olie en gas uit Rusland uitvoerden en er nagenoeg niets voor betaalden. In Moskou stond Boris Jeltsin aan het roer, regeren kon je het niet noemen, aan zijn zijde stonden Amerikaanse adviseurs die er op toe zagen dat alles naar Amerikaanse wens verliep.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Men kon in Washington met enige reden denken dat men Rusland in de zak had. In de politiek is het echter verraderlijk om je op basis van verhoudingen in het heden rijk te rekenen voor de toekomst of om te denken dat je kunt voorzien hoe de wereld zich zal ontwikkelen.

Met het verdwijnen van Jeltsin uit de politiek en de machtsovername door Vladimir Poetin sloeg Rusland een nieuwe weg in. De olie- en gascontracten werden opgezegd, de schatkist van de staat vulde zich weer, de staatsschuld daalde van 160 naar zeven procent van het BBP, de afhankelijkheid van de economie van de energiesector bedraagt nog slechts 20 procent, de maakeconomie groeit en daarmee ook een nieuwe middenklasse.

In dezelfde tijdsspanne doorliepen de Verenigde Staten een tegengestelde ontwikkeling. Het land bevindt zich in een recessie, de schulden bedragen 20 biljoen dollar (Europees-continentale biljoenen, oftewel 20.000 miljard dollar), de klassieke industriebolwerken zijn grotendeels gedeïndustrialiseerd, de maakindustrie slinkt, de middenklasse bevindt zich in een ontwikkeling van sociale declassering. Meer dan 40 miljoen inwoners van de “enige wereldmacht” leven van voedselbonnen.

Niettemin houdt Washington vertwijfeld aan zijn doctrine vast. Alsof er niets aan de hand is geven de Verenigde Staten nog altijd meer geld aan hun krijgsmacht uit dan de negen landen op de plaatsen twee tot en met tien bij elkaar. De Amerikaanse militaire uitgaven belopen 600 miljard dollar, de Russische 66 miljard. Maar wat baten die grote uitgaven de Amerikanen nu eigenlijk? De superioriteit is niet meer wat ze geweest is. Vooral de defensieve slagkracht van de Russen is sterk toegenomen.

Evenwel hebben de VS, deels samen met de NAVO-bondgenoten, rond Rusland en China een ring van militaire bases gelegd, die een uitdrukking en een bewijs van de Amerikaanse aanspraak op mondiale overheersing is. Alleen het draaiend houden van de meer dan 800 bases kost een flinke som, die de Verenigde Staten zich eigenlijk niet meer veroorloven kunnen. De wereldmacht-droom is een droom op de pof. Het enige dat er wel bij vaart is het militair-industriële complex.

De Russische president Poetin, die de ontwikkeling van zijn land in de afgelopen 15 jaar in belangrijke mate gestuurd heeft en daarmee in de VS geen vrienden gemaakt heeft, wees er onlangs op de Russische televisie op dat alle pogingen een unipolaire wereldorde te vestigen mislukt zijn. Momenteel komt er in de wereldarena weer een machtsbalans tot stand.

Niet alleen de Russische president is deze mening toegedaan. In het gerenommeerde dagblad Financial Times schrijft de directeur van het Rusland- en Azië-programma van het Carnegie Center, Eugene Rumer: “De Russische president Vladimir Poetin heeft met zijn buitenlands-politieke beslissingen de wereldorde verandert.” De oorlog in Syrië ziet Rumer als een goed voorbeeld voor zijn stelling: “Syrië laat zien dat Rusland, dat in de jaren ’90 als eenvoudige regionale macht buiten beschouwing gelaten werd, over een aanzienlijk militair potentieel beschikt, waar het zo nodig naar kan grijpen.” Vervolgt Rumer: “Assad werd gered en alle zijden in de burgeroorlog werden van de overtuiging afgeholpen dat alleen een militaire oplossing van het conflict mogelijk zou zijn.” Bovendien heeft Rusland in het hele Midden-Oosten zijn positie gevestigd. “De problemen in de regio laten zich nu niet meer zonder Moskou oplossen.”

Ook de Washington Post vestigt de aandacht van haar lezers op Aleppo en de Russische inzet. Na de westerse dominantie die met het einde van de Koude Oorlog begon staat de wereld weer aan de vooravond van het grote verval van een supermacht, zoals destijds de Sovjet-Unie, maar ditmaal gaat het om het Westen. Het voorheen zwakke Rusland is weer terug. Het is niet moeilijk in te zien hoe de VS geleidelijk posities op zal geven. “Het Westen is toenemend in zichzelf  gekeerd en laat het veld in Syrië aan Rusland, China en Iran.”

De analyticus Luke McGregor schrijft bij persbureau Reuters dat veel landen in Europa genoeg hebben van de sancties, van de isolatie van Rusland. Ook steeds meer politici laten sympathie voor Rusland blijken, zoals de Franse presidentskandidaat François Fillon en leidende politici in landen als Oostenrijk, Hongarije en Bulgarije. Dat Poetin de Amerikanen in Syrië zo buiten spel kon zetten, ligt aan de mengeling van militaire kracht en diplomatie. Daar kunnen de Amerikanen niet tegen op. Zij hebben namelijk geen traditie van diplomatie, zij kennen slechts druk, dreigen en oorlog.

Vanzelfsprekend is er voor een dergelijke atavistische houding een historische verklaring. Deze ligt in de existentiële zelfoverschatting, een erfenis van de Pilgrim Fathers met hun gedachte uitverkoren te zijn. Op zijn laatst sinds de Burgeroorlog in de 19e eeuw heeft zich daardoor in de Amerikaanse politiek de gedachte postgevat van de inherente superioriteit van de Verenigde Staten.

Obama hield op 29 mei 2014 een toespraak aan de militaire academie van West Point waarin hij stelde: “Amerika moet op het wereldtoneel steeds leiden. Als wij het niet doen, zal niemand het doen.” En daar voegde hij nog aan toe: “Ik geloof in het Amerikaanse exceptionalisme met ieder vezel van mijn wezen.”

Het idee van “God’s own country”, dat andere landen ook wel gekend hebben, is in Amerika anders dan elders staatsdoctrine. Het is op grond van deze overtuiging dat de Amerikaanse politiek iedere oorlog, iedere oorlogsmisdaad en ieder onrecht kan rechtvaardigen. Dit alles gebeurt in de trotse overtuiging dat men recht doet. Wat er echter moet gebeuren wanneer de leiders van de “enige wereldmacht” op enig moment toe moeten geven dat ze niet meer de macht en de mogelijkheid hebben om hun historische missie te vervullen, is een vraag waarop het antwoord vooralsnog in nevelen gehuld blijft. De Pilgrim Fathers hebben voor dat geval in ieder geval geen instructies nagelaten.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.