Naar aanleiding van de recent aangekondigde ingrijpende bezuinigingen op de begroting van defensie, heeft menig politicus al laten weten te vrezen dat de Nederlandse staat haar grondwettelijke verplichting niet langer zou kunnen nakomen om ‘de internationale rechtsorde te bevorderen’. Tegelijkertijd zien we echter dat het Amerikaanse staatsapparaat op de rand van faillissement staat, wat in niet geringe mate debet is aan de massieve inzet van haar krijgsmacht in Irak en Afghanistan. Dichter bij huis zien we dat bijvoorbeeld de Britten en Fransen hardop denken over het samenvoegen van bepaalde onderdelen van hun krijgsmacht.Het is op het moment zo dat nagenoeg alle westerse landen hun staatsbegroting op orde proberen te krijgen door bezuinigingen door te voeren en dat een deel van deze bezuinigingen onvermijdelijk bij Defensie terecht komt. Het vreemde is echter dat, terwijl men weet dat er bezuinigd moet gaan worden, materieel massaal ingezet is en wordt in militaire missies. Wanneer dit materieel terug komt is het zo goed als aan vervanging toe. De bedragen die omgaan in militaire interventies zijn astronomisch. Zo meldde het ANP onlangs bijvoorbeeld dat de no-flyzone boven Libië zo’n 21 à 70 miljoen euro per week zal kosten, dat lijkt een lage schatting aangezien het Amerikaanse ministerie van Defensie inmiddels al gemeld heeft dat het de Amerikanen alleen nu al 421 miljoen euro gekost heeft. En niemand weet hoe lang deze no-flyzone gehandhaafd zal moeten worden. Als er zoveel geld in militaire interventies omgaat mag men er niet alleen een goede rechtvaardiging voor verwachten, maar mag men toch ook hopen dat er evidente successen behaald worden.

Ik noemde het eerder al even, de rechtvaardiging voor het deelnemen van Nederland aan militaire interventies over de hele wereld, ligt in onze grondwet, die stelt dat Nederlandse staat de internationale rechtsorde moet bevorderen. Dit is zo’n vage formulering dat het als lopend argument dient voor deelname aan zo ongeveer iedere militaire interventie. Waar landen als Frankrijk en Duitsland zich bij tijd en wijle kritisch opstellen tegenover zulke operaties die door bijvoorbeeld de Verenigde Staten worden voorgesteld of selectief aan interventies mee doen, wil Nederland altijd het beste jongetje van de klas zijn. Frankrijk heeft bijvoorbeeld niet meegedaan aan de invasie en bezetting van Irak en dat heeft ze veel bespaard, daarnaast opereert Frankrijk vooral in haar voormalige kolonies of mandaatgebieden, waarmee het vooral iets van haar grandeur als regionale grootmacht in stand lijkt te willen houden, hier geen grote woorden over internationale rechtsorde. Zo niet Nederland, nog voordat we überhaupt ergens voor gevraagd zijn, staat Nederland al te trappelen om z’n krijgsmacht weer eens in te kunnen zetten. Maar zijn die militaire interventies dan zo succesvol en bevorderen ze de internationale rechtsorde?

Daar zijn wel wat vraagtekens bij te plaatsen. De moeilijkheid is ook dat succes van de militaire operatie nog niet betekent dat de internationale rechtsorde er ook mee geholpen is. Ook is uiteindelijk vaak moeilijk te zeggen of de humanitaire situatie beter of slechter is door het militaire ingrijpen. Het spreken van militaire ‘interventie’ is overigens ook kwestieus. Het woord interventie kan de indruk wekken dat het om een ‘tussen beide komen’ zou gaan, terwijl zulks bij militair ingrijpen zelden het geval is. In de praktijk is het dikwijls onvermijdelijk partij te kiezen. Zo kozen de geallieerden er in de Kosovo-oorlog voor om bombardementen op Servië uit te voeren. Naast het blote feit dat dit een internationaal-rechtelijk illegale militaire operatie was, werd hiermee partij gekozen voor de Kosovaarse Albanezen. De Serviërs werden als de grote boze wolf afgeschilderd en de Kosovaarse Albanezen als weerloze lammetjes. Toen Servië bezweek onder de bombardementen en het Servische gezag in Kosovo gebroken was, gingen de Kosovaarse Albanezen er toe over om Kosovaarse Serviërs en andere etnische minderheden uit hun huizen te verdrijven, kerken en kloosters af te branden en wat dies meer zij. Het feit dat Servische soldaten zo’n tweehonderd etnisch Albanese burgers gedood hebben, werd destijds als rechtvaardiging voor de bombardementen gebruikt. Die bombardementen, waartegen Servië zich nauwelijks kon verweren, hebben echter juist tot de verbetenheid geleid, waarmee de Serviërs vervolgens nóg honderden etnische Albanezen de dood in hebben gejaagd. Daar komt nog bij dat de geallieerden door hun militaire ingrijpen de rebellen van het ‘Kosovo Bevrijdingsleger’ (UCK) de vrije hand hebben gegeven om zo’n kwart miljóen etnische Serviërs, zigeuners en anderen te verdrijven. Inmiddels bereiken ons berichten over de toenmalige leider van de UCK, Hashim Thaci, dat hij betrokken geweest zou zijn bij de handel in organen van gevangengenomen Serviërs. Deze Thaci is ondertussen nota bene premier van het afgescheiden Kosovo.  Na deze illegale oorlog hebben de Albanezen immers eenzijdig de onafhankelijkheid van Kosovo uitgeroepen, iets wat veel, hoewel bij lange na niet alle, Europese landen maar hebben geaccepteerd om geen gezichtsverlies te lijden. Als we de rekening opmaken zien we dat het militaire ingrijpen in Kosovo mogelijk  humanitair leed heeft voorkomen maar het zeker ook veroorzaakt heeft en ruimte heeft geschapen voor en aanleiding gegeven tot verdere humanitaire vergrijpen. Voorts zien we dat de internationale rechtsorde op tenminste twee wijzen geweld aangedaan is, namelijk door een illegale oorlog en door eenzijdige secessie. Dat het Internationaal Gerechtshof heeft uitgesproken dat de Kosovaarse onafhankelijkheidsverklaring ‘niet illegaal’ was, doet daar niet af. Deze uitspraak lijkt namelijk groter dan ze is. De onafhankelijkheidsverklaring op zichzelf constitueert weliswaar geen ‘illegale handeling’, er is evenwel nooit aangetoond dat aan de gerechtvaardigde gronden voor eenzijdige secessie werd voldaan. Het gaat er dus niet om dat men niet de onafhankelijkheid uit mag roepen, maar dat er aan bepaalde gronden voldaan moet zijn om te rechtvaardigen dat men zich eenzijdig afscheidt. Toen Servië eenmaal geen effectieve soevereiniteit over Kosovo meer kon uitoefenen werd evident niet meer aan deze gronden voor eenzijdige afscheiding voldaan, zo dit al het geval is geweest. Hoewel de onafhankelijkheidsverklaring dus op zichzelf geen illegale handeling was, was de eenzijdige afscheiding van Kosovo internationaal-rechtelijk derhalve niet te billijken.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Terwijl het ingrijpen in Kosovo, zo mag voldoende aangetoond zijn, geen onverdeeld genoegen was, en er niet alleen in Servië, maar ook in Irak en Afghanistan nog rekeningen open staan door het militaire ingrijpen aldaar van het Westen, dient de Kosovo-oorlog inmiddels als een soort model voor het militaire ingrijpen in Libië. Na het wapenembargo werd ook een no-flyzone ingesteld, wat al snel verhullend taalgebruik bleek te zijn, inmiddels voeren geallieerde vliegtuigen immers ook aanvallen uit op tanks en wat dies meer zij. Waar dit alles toe zal leiden is volstrekt onduidelijk. Inmiddels is er in Libië een soort tweedeling ontstaan, waarbij de opstandelingen een soort van gezag uitoefenen in het oosten van het land, terwijl Khadaffi nog de scepter zwaait in het westen van het land, waar hij overigens ook nog aanzienlijke aanhang lijkt te hebben. Tegelijkertijd zien we het een en ander gebeuren in diverse landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, waarbij het niet uitgesloten is dat het Westen ook hier op enig moment militair in zal grijpen, resultaat opnieuw onbekend.

Franse militairen in de voormalige Franse kolonie Ivoorkust.

In Ivoorkust, één van die voormalige Franse kolonies in West-Afrika, hebben onlangs presidentsverkiezingen plaats gevonden, die gewonnen zouden zijn door Outtara. President Gbagbo wou echter niet vertrekken, formeel omdat sprake zou zijn geweest van onregelmatigheden bij de verkiezingen in bepaalde delen van het land. Nu mag het duidelijk zijn dat dit een smoesje is van Gbagbo, maar intussen meen ik te mogen vast stellen dat ‘de internationale gemeenschap’ er verkeerd aan heeft gedaan om Outtara zonder meer als nieuwe president te erkennen en het vertrek van Gbagbo te eisen, zonder dat het verloop van de verkiezingen ook maar kort onderzocht is. Inmiddels heeft het er alle schijn van dat Outtara-gezinde troepen honderden Gbagbo-aanhangers afgeslacht hebben. Dat roept vanzelfsprekend de vraag op of er ook geen sprake zou kunnen zijn geweest van intimidatie van kiezers. Doordat ‘de internationale gemeenschap’ Outtara erkend heeft als president van Ivoorkust, lijkt hij nu weg te komen met deze slachtingen die hij mogelijk gesanctioneerd heeft dan wel toegelaten. Ondertussen heeft hij al aangekondigd dat Gbagbo vervolgd zal worden, terwijl het in het licht van de slachtingen onder zijn aanhangers al veel begrijpelijker wordt waarom hij het presidentschap niet over wilde dragen aan Outtara. Het moge duidelijk zijn dat de internationale rechtsorde niet zaligmakend is.

Oorlog is een smerige zaak. We kunnen er verhullend over spreken. We spreken dan van een interventie, maar het is zelden zo dat we daadwerkelijk tussen beide komen. Vaker is het zo dat we partij kiezen, waarbij we achteraf gezien niet altijd de gelukkigste keuzes maken. We zouden er goed aan doen om realistischer te zijn over wat het inhoudt om militair in te grijpen in een conflict en wat de gevolgen kunnen zijn ook in een negatief scenario. We moeten ons niet omwille van een vaag zinnetje uit de grondwet verplicht voelen om aan ieder conflict deel te nemen. Ook spreken we beter geen grote woorden over bevordering van de democratie of de internationale rechtsorde, zeker niet wanneer we die willen bevorderen met zulke botte middelen als bombardementen of ander militair ingrijpen.  Het zou goed zijn als de bezuinigingen op defensie, die nu door nagenoeg alle leden van de NAVO doorgevoerd worden, lijden tot een bezinning op het wanneer, waartoe en hoe van militair ingrijpen in binnenlandse conflicten. Bezinning daarop wordt node gemist.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in het online politiek magazine Politant.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.