Volgens de zeventiende-eeuwse Italiaan Giambattista Vico heeft een beschaving twee kenmerken. Kinderen weten wie hun ouders zijn en de doden worden begraven. Waar dit niet meer gebeurt, houdt een cultuur op een beschaving te zijn. In onze wereld waarin kinderen en ouders van elkaar vervreemden en zowel doden, ouders als de traditie monddood zijn gemaakt, is dit het geval. De beschaving maakt plaats voor een koude, harteloze wereld. Er is geen normaal mens die dit wil. Maar wat valt er tegen te doen? Het antwoord begint bij de weerbare burger. Waar is deze sterke burger waar iedere politicus de mond vol van heeft?

Het burgerschap is oud, hoewel niet zo oud als de mensheid. Het is een begrip dat stamt van voor democratie en vrije markt. De opkomst van de burger is verbonden met de opkomst van de stadstaat en koppelde het horen bij een stad en het deelnemen aan de stadsgemeenschap aan de rechten die hiermee gepaard gingen aan elkaar. Zowel in de middeleeuwse stad als in de Romeinse Republiek speelde het burgerschap een grote rol. Het klassieke denken ziet in de burger dan ook niet voor niets alle componenten van de Republiek: zelfredzaamheid, weerbaarheid, gemeenschapsbinding en moreel en religieus besef.

In de burger komen alle belangrijke bronnen van de Europese traditie bij elkaar: de Christelijke (inclusief het voorafgaande Jodendom), de Klassieke (Romeins en Grieks) en de Germaanse (of voorchristelijke). Samen dragen deze bronnen bij aan de synthese van de Europese cultuur. Het Germaanse denken heeft met haar nadruk op gemeenschap (stam) en eer de bedding gelegd voor de bevruchting door het christendom die met haar nadruk op gewetensvorming en de uniciteit van de menselijke persoon gebruik maakte van de klassieke middelen en inzichten op het gebied van institutievorming en cultuuroverdracht. Het klassieke liberalisme heeft haar succes voor een groot deel te danken aan deze voor-kapitalistische en voor-democratische burger. Pijnlijk is het nu om te zien hoe in onze tijd datzelfde liberalisme thans de burger verslindt.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Verval
Het burgerschap is in verval. En het verval van het burgerschap hangt samen met het verval van de stad. De Groningse postmoderne filosoof en ex-hoogleraar popmuziek René Boomkens vergelijkt zijn ideale samenleving met de stad Los Angeles. Wie de kaart van deze Californische metropool bekijkt, ziet volgens hem veel wegen en verbindingen, maar geen stadscentrum. Waar de Franse politieke filosoof Claude Lefort een politiek zonder hart bepleit, doet Boomkens hetzelfde wat betreft de cultuur en de inrichting van de stad. Boomkens en Lefort vervangen de mens die verantwoording aflegt voor zijn daden aan het “centrum” in zijn leven en zijn bestaan, door een reeks willekeurige beslissingen van het moment. Zo wordt er door denkers als hen een nieuwe infrastructuur geschapen voor onze levens: overal moet het centrum leeg worden. Met behulp van de verzorgingsstaat, de vrijemarkteconomie en de directe democratie trekt de moderne cultuur alle verbanden uit elkaar en maakt van de burger een lachwekkend schouwspel. Daarbij gaat men slim te werk. “Los Angeles” gebruikt elk succes van de ondernemende burger om deze burger te verzwakken. Wanneer een burger welvaart nastreeft, zet de overheid een beleid in om op lange termijn deze welvaart te garanderen (om zo de verzorgingsstaat te kunnen betalen). Door alles met alles samen te laten hangen wordt de burger steeds meer onderdeel van een groot radarwerk. “Los Angeles” voedt zich met burgers en transformeert ze tot mensen zonder hart.

civitas humanaDit toekomstbeeld van harteloze en zielloze mensen was voor de Duitse econoom Wilhelm Röpke een waar schrikbeeld. In Civitas Humana (1947) schreef hij: “Het verval van de maatschappij gaat gepaard met ontbindingsverschijnselen op het gebied van het geestelijke en morele leven, in de ziel van ieder mens, in de familie zelf, in het onderwijs, in de ethische oriëntering, in wetenschap en kunst en ook in die moeilijk te waarderen regionen van het geloof, de overtuiging en de verering. Tegelijk met het verval van de familie krijgt men het verlies van het gevoel van generatie, zodat de enkeling niet alleen het oriënteringsgevoel in de levende gemeenschap kwijt raakt, maar ook het gevoel voor de tijdsopvolging van doden, levenden en nakomelingen, zodat de volgende woorden van Edmund Burke toepasselijk wordt op hem: Lieden, die nooit aan hun voorvaderen denken, zullen ook wel geen gedachten aan het nageslacht wijden.”
Een zielloos burgerschap vreet dus aan alle fundamenten van een gezonde maatschappij. Wie redelijk is ingesteld, is dus voor een weerbaar en sterk burgerschap. Zonder burgers vervalt het recht van bestaan van de Westerse cultuur. Want de Europese burger staat voor verantwoordelijkheid en is iemand die vanouds doordrongen is van het algemene belang. De burger leeft nooit louter en alleen voor zichzelf, maar leeft zelf ten bate van zijn familie, zijn vrouw en kinderen en zijn volk en gemeenschap. Het is deze burger die onder vuur ligt; de socialisten, liberalen en democraten zien namelijk niets in de burger. De klassieke burger is een bedreiging voor onze moderne samenleving. Daarom moet hij verdwijnen.

Dat de burger bij de holle vaten van de moderniteit hoort, is goed te horen tijdens in verkiezingstijd. Beloften en beschuldigingen dat beloften niet zijn nagekomen tuimelen over elkaar heen. Nieuwe problemen worden aangedragen samen met nieuwe oplossingen. En waar men ook de mond vol van heeft, is het burgerschap. Na een tijd lang vergeten te zijn geweest, moet deze weer ‘participeren’, dat wil zeggen: deelnemen aan zijn eigen leefomgeving. Nadat hij dus eerst terzijde was gesteld, maar dat vertelt men er niet bij.

Het semantisch gegoochel met het begrip burger verraadt iets van de verlegenheid die de politieke machthebbers hebben de onderdelen te duiden van het politieke bedrijf. Men zou waarschijnlijk maar al te graag zonder begrippen als ‘burger’ – en ook ‘volk’ – willen opereren, maar men voelt blijkbaar aan dat het dan voor de kiezer nergens meer over gaat, terwijl de politici daar zelf uiteraard geen last van zouden hebben. Het geweten mag dan bij politici zijn verdampt, het systeem stelt gelukkig nog steeds de legitimiteitsvraag. Voorlopig althans.

De burger is hoe dan ook een vast ingrediënt van de politiek. Deze politiek bemoeit zich met de burger zoals de politiek zich met alles in ons leven bemoeit. Wie de kranten openslaat leest voortdurend uitspraken van politici waarvan de impact diep ingrijpt in de levenssfeer van burgers en lokale gemeenschappen. De arbeidsparticipatie van vrouwen, langer doorwerken na je 65e, het steunen van de krantenmedia, integratie binnen wijken, het aanleren van tolerantie in onderwijsprogramma’s, enz. enz. Ondanks het gepraat over burgers en maatschappij concludeert de politiek steeds maar weer dat de burger het blijkbaar zelf niet kan, en dat de burger zelf niets doet en niets wil. Dus doet de overheid het maar weer. En ze doet dit met een volmacht om desnoods hard in te grijpen in de levenssfeer van de burgers zelf.

Verzwakking
Onze cultuur raakt derhalve meer en meer gepolitiseerd. Problemen die voorheen door de mensen zelf of met directe naasten werden opgelost, worden nu in de handen van de overheid gelegd. Maar niet alleen de cultuur raakt gepolitiseerd, ook de burger raakt steeds meer in de greep van de politiek. De burger doet alles, de staat bepaalt alles. Er is dus sprake van een structurele verzwakking van de burger. Alles wordt hem uit handen genomen. Hij wordt gegijzeld door de goede intenties van de politiek. En om te geloven dat we nog steeds zelf verantwoordelijk zijn, gelooft de moderne burger in de mythe dat de overheid het beste met hem voor heeft. De staat houdt zich bezig met voedselveiligheid, met verkeersveiligheid, met de kwaliteit van de taxichauffeurs, met uw pensioenleeftijd, met de stoeptegels voor uw huis.

Voortdurend is er vanuit de politiek de suggestie: als wij er niet meer zijn, vervalt u tot misère. Voortdurend wekt de politiek de suggestie dat een normale samenleving er één is van dieven en verkrachters. Waren tot ver na de Tweede Wereldoorlog veel huizen niet op slot, vandaag is alles zwaar bewaakt en zijn we omgetoverd in een land van dieven en rovers. Zonder staat wordt u overvallen, slaat u elkaar de hersens in, en is er geen onderwijs. Of zorg. Of bedrijvigheid. Dat wil men de burger tenminste doen geloven.

Politisering en democratisering gaan hand in hand. Wanneer het politieke ergens de hand op legt, klinkt al gauw de roep om de democratisering. Alles wat beheerst wordt, geregeld wordt door de overheid, dient door diezelfde overheid gecontroleerd te worden. En controle dient democratisch te geschieden. Verantwoording moet er opeens worden afgelegd aan democratisch aangestelde vertegenwoordigers, lichamen en bestuurders. Elke stap van democratische controle gaat gepaard met het uitkleden van de burger, die zijn jas afgeeft om iemand aan te kleden die door diezelfde burger wordt betaald (en die daarna het leven van die burger bepaalt).

Zowel de politiek als de democratie staan als het ware vijandig tegenover de burger: ze staan er tegenover met een houding van wantrouwen en controle. Maar het volk wil eigenlijk geen politiek. Dit lijkt het volk te zijn vergeten. Politiek is namelijk vrij abnormaal. De politiek ontstaat wanneer de verantwoordelijkheden van de burger zich losmaken van het leven van de burger zelf. Als iedereen zich met een aspect van jouw leven mag bemoeien, is dat aspect onderdeel geworden van het politieke. Een gezond mens wil dat van nature niet. De gezonde samenleving is dan ook apolitiek, zij het met een pragmatische omgang met het noodzakelijk ‘politieke’: er zijn nu eenmaal bepaalde dingen die je niet zelf kunt doen.

Gezonde burgers zijn niet bezig met politiek, maar met de vanzelfsprekendheid van het leven. Waar de politiek zich bezig houdt tweede- en derdehands zaken, zoals voorlichting over seksualiteit op scholen alsof er geen ouders meer bestaan, houdt de burger zich bezig met het vinden van een goede levensgezel en met het krijgen van kinderen. Waar de burger de opvoeding van zijn kinderen zelf ter hand neemt, houdt de politiek zich bezig met de vraag in hoeverre onze kinderen in het klaslokaal moeten integreren met allochtone kinderen.

Aantasting
Omdat de politiek niet bij machte is het leven zelf te bepalen, doet ze niets anders dan maatregelen nemen om het leven aan te tasten. De moderne verantwoordelijkheid van de burger is deze: dat we verantwoordelijk zijn voor dat wat de overheid ons opdraagt te doen.

Waar de gezonde samenleving het gemeenschapsleven weerspiegelt – als vanzelfsprekende uitbreiding van de burgerlijke levenssfeer, staat de politiek vijandig ten opzichte van datzelfde gemeenschapsleven. Gemeenschap werkt integratie immers niet in de hand. Gemeenschap bevestigt namelijk gewoontes en rolpatronen terwijl volgens de politiek de mensen juist moeten worden losgemaakt uit hun patronen. Een gemeenschap koestert en bewaart traditie en waarden, terwijl politiek juist met standaardprocedures en algemene wetten de culturele en plaatselijke verschillen probeert te omzeilen. Niet in de laatste plaats via het onderwijs.

De democratie heft de grenzen op die het klassieke burgerbestaan kenmerkten, om zo een collectieve realiteit te vormen. Als er geen grenzen zijn, is iedere burger volledig vastgelijmd aan de grillen van zijn medeburgers. Het socialisme heeft dat goed begrepen. Een mens die voor alles en iedereen verantwoordelijk wordt gemaakt, verliest zijn verantwoordelijkheden aan processen, bestuurders en deskundigen. Het zogenaamde integratiedebat is een goed voorbeeld hoe men sjoemelt met wederzijdse afhankelijkheid die omslaat in de collectiviteitsdwang van “we hebben elkaar nodig, we zitten in hetzelfde schuitje”. En daarbij maakt het niet uit of men liberaal of socialistisch denkt.

massa (2)
De socialistische manier om de burger af te schaffen is: hef de verschillen tussen de mensen op en vorm ze om tot collectief. Het liberale principe is: maak mensen allemaal onderling afhankelijk ten behoeve van vrede, vrijhandel en beschaving, en je voorkomt oorlog, godsdiensttwist en armoede. Beide vormen zijn een aanval van het zelfvoorzienend karakter van de burger. Maar zelfvoorziening is de grondtrek van elke burger die hij meeneemt in het maatschappelijke en gemeenschappelijke verkeer.

Wie echter zoals de liberalen en de socialisten de burger wegsnijdt uit de samenleving, creëert een samenleving zonder hart. In de burger worden alle grondtrekken zichtbaar van een gezonde westerse beschaving: gemeenschapszin, ondernemerschap, opofferingsgezindheid, weerbaarheid, rechtsgevoel en rechtshandhaving, moreel en religieus besef, familiezin, huwelijkstrouw en zelfvoorziening. De burger wekt dan ook zijn omgeving tot leven. Als hart van de samenleving is hij in zijn ondernemingszin een vitale figuur voor zijn werknemers en vakbroeders. Als vader en echtgenoot draagt hij altijd het belang van vrouw, kinderen en familie in zich om wanneer hij op pad gaat. Waar de verschillende levensterreinen, levensfuncties en verantwoordelijkheden dicht bij elkaar liggen, zoals bij de burger, kan dat omdat het hart – het centrum – van deze dingen hierop in is gesteld. Waar het hart wordt weggesneden zie je tegenovergestelde processen. Levensfuncties scheiden zich af en creëren niet alleen een dood centrum, maar doden uiteindelijk ook de ledematen.

Wie als tweeverdiener alle zaken zoals opvoeding, koken, boodschappen doen, ontspanning en de hond uitlaten uitbesteedt, creëert een huis zonder hart. In het huis wordt er niet geleefd omdat iedereen een eigen eenzaam leven leidt. Wie als stad alle functies opdeelt in bedrijventerreinen, kantoorgebieden, woonwijken, winkelcentra en bejaardeneilanden, creëert overdag niet alleen doodse buitenwijken, maar maakt het stadscentrum doods. Hier wordt niet gewoond en niet geleefd, maar toch is het er altijd een drukte van belang. Zoals een volle zak met knikkers. Vol met mensen die de monotone winkelketens afstruinen terwijl ze volgens onderzoekers steeds minder tijd hebben om op visite te gaan en om vrienden te maken. En wie als bedrijf zijn bedrijfsonderdelen opdeelt in zelfstandige bedrijfsunits, maakt van de holding een centrum voor planning & control; zonder band met producten, mensen en klanten wordt het centrum een plek waar managers de agenda beheren.

De centra van ons land, onze steden, onze huizen en van onze bedrijven raken leeg. En ze moeten in naam van de democratie leeg blijven. Het is opvallend dat de laatste tijd zelfs progressieven en zelfverklaarde liberalen bij monde van de Franse politieke filosoof Claude Lefort zeggen dat het centrum van de macht leeg is en leeg moet blijven. Het hart is gevaarlijk voor politici die grip willen houden op de dingen. En om macht te houden, maakt de politiek van de burger een politicus. Ouders moeten managers worden van hun leven, werknemers van hun carrière en bestuurders van hun gemeentes. Maar nooit mag er een vast centrum zijn waarin cultuur, normen en waarden en andere zaken vastliggen. Het hart moet uit de samenleving worden gesneden.

Om de maatschappij weer een hart te geven moet het burgerschap worden hersteld. Maar de burger is afgeschaft door het liberalisme en de liberale democratie. Liberalisme is het project van de moderne tijd om de burger te elimineren, net zoals het socialisme dat is. Juist vanwege de kracht van het klassieke burgerschap hebben de liberalen het begrip gekaapt om er een non-betekenis aan te geven. Zoals de klassieke liberaal Henk Vonhoff het vlak voor zijn dood treffend verwoordde: “ons land heeft geen burgers meer, maar louter en alleen nog onderdanen”. En de socialisten? Die hebben er een scheldwoord van gemaakt: “burgerlijk”. De burger is in onze rechtsstaat gecorrumpeerd tot onderhorig stemvee. Waar de eigen verantwoordelijkheid en het algemeen belang centraal staan voor de burger, maakt de liberale democratie van de samenleving een optelsom van eigenbelang zonder verder te kijken dan je neus lang is.

De democratie maakt de verantwoordelijkheid van de burger los van de gevolgen die zijn daden kunnen hebben. Je kunt trouwen zonder trouw te zijn en te blijven. Je kunt geen kinderen willen krijgen, en toch later verzorgd worden door kinderen van hen die wel zo ‘gek’ waren voor kinderen te kiezen in plaats van een carrière nu; en later zelfs een mooi pensioen en een luxe verpleeghuis. Je kunt de moraal in je eigen leven afschaffen en de rechters en maatschappelijk werkers het werk laten doen. Je kunt pacifist zijn en ondertussen politieagenten en militairen opofferen voor “de goede zaak”.

De moderne burger moet vooral goed voor zichzelf zorgen. En dit eigenbelang maakt hem blind, manipuleerbaar en kwetsbaar zonder dat hij het in de gaten heeft. Moet hij kiezen tussen zijn levensgeluk en dat van zijn vrouw en kinderen, dan kiest de moderne burger voor zichzelf. Moet je kiezen tussen minder winst en de laatste arbeidsjaren van je oudere werknemers, dan kies je voor de winstgevendheid. Dat vindt de moderne elite niet erg. Want in tegenstelling tot wat men vaak denkt, wil de overheid zich niet zozeer richten op het zakelijke, maar op het niet-zakelijke. Zoals een Minister als Lodewijk Asscher het probleem van miljoenen verdwijnende banen in het middensegment onoplosbaar acht, maar zich in plaats daarvan vooral druk lijkt te maken over het fenomeen ‘pesten op de werkvloer’.

De laatste burger
Sociale en economische mobilisatie, en culturele en morele ontworteling doen de burger zijn of haar laatste restje burgerzin vergeten. Losgemaakt van alles waar zijn voorouders nog waarde aan hechtten, is de laatste burger een statenloze, waardenloze doch super wendbare individu geworden: bruikbaar materiaal voor multinationale concerns en supranationale overheden.

Al het gepraat over burgerschap, participatie, VOC-mentaliteit, verantwoordelijkheid door politici en mediale slippendragers dient men dan ook niet serieus te nemen. Zolang het slechts woorden zonder uitwerking zijn, vindt de politiek alles wel best. Maar zodra mensen deze woorden serieus gaan nemen en ernaar gaan handelen, schrikt de overheid vanzelf terug. Dan wordt bijvoorbeeld thuisonderwijs verboden. Toevallig door liberalen die de mond vol hadden van eigen verantwoordelijkheid van de burgers. Zoals in Rotterdam. En zoals door VVD’er Sander Dekker, Staatssecretaris van Onderwijs.

Alle mooie woorden ten spijt, maar mensen moeten vooral geen burgerschap tonen. Want een sterke burger kent sterke verplichtingen, leeft in sterke verbanden en is onlosmakelijk verbonden met zijn verwanten, zijn gemeenschapsleden, zijn idealen en zijn territorium. Wie de banden bedreigt, krijgt dus met de sterke burger van doen. En dat is gevaarlijk voor een maatschappij die leeft van mobiliteit, arbeidsdeling en overdracht van bevoegdheden aan anonieme democratische, markttechnische en andere processen. Voor deze maatschappij is een gebonden mens een potentiële opstandeling; een potentieel sta-in-de-weg. En is iemand met een eigen territorium per definitie gevaarlijk. Zelfs mentale territoria zoals ambtsgeheimen en beroepsgeheimen blijken dan obstakels te zijn voor liberale politici.

De laatste burger is dus een eenzame burger. Het welvaartsdenken, de directe democratie en de warme deken van de verzorgingsstaat hebben de laatste burger opgezadeld met een harteloze wereld. Het hem opgedrongen leven van langer werken en toenemende mobiliteit hebben hem vervreemd van zijn kinderen, hebben zijn huwelijk spaak doen lopen, lieten hem zelfs geen tijd om vriendschappen te onderhouden, ouders te bezoeken of kinderen op te voeden.

Aan het einde van de geschiedenis is de laatste mens allesbehalve een burger. Hij is de perfecte mix van aan elkaar gelijmde liberale, socialistische, democratische en kapitalistische brokstukjes van de westerse cultuur. De burger is een relict uit een oude tijd, afkomstig van een wereld van voor de democratische rechtsstaat en onze moderne tijd. Toen de burger nog bestond, was hij geen individu maar een gemeenschapsmens. Toen de burger werd afgeschaft, was hij ondertussen allesbehalve een mens geworden. Wie dus de burger ontdekt en in ere herstelt, redt de menselijkheid. Het is aan mensen die verlangen weer burger te zijn de taak deze opdracht ter harte te nemen.


Dit artikel is een bewerking van een versie die eerder verscheen in Bitterlemon Magazine 2007/1

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.