Is er in Nederland ruimte voor een conservatieve partij? En als die ruimte er is, zijn dan de voorwaarden aanwezig om tot een zekere conservatieve partijvorming te komen? Op maandagavond 10 juni gaat Joshua Livestro in Gouda in op de vraag ‘waarom wij in Nederland geen conservatieve partij hebben’. Hij doet dit op een bijeenkomst die wordt belegd door het Conservatief Café [1]. In de toelichting worden grote vragen aaneen geregen: “Waar vindt een kiezer die veel waarde hecht aan Gezag, Onderwijs en Vorming en een kleine overheid, maar ook een verantwoordelijke burger wil zijn, onderdak? Waar kunnen zij met een gerust hart op stemmen? Of moeten conservatieven zich terugtrekken uit de politiek en actiever worden in de samenleving buiten partijpolitieke activiteiten. Bewegen bestaande partijen als VVD, CDA, SGP in de goede richting of is er weinig conservatiefs aan hun standpunten? Met andere woorden: wat is in Nederland de (partij)politieke toekomst van het conservatisme?”

nisbet

Het zijn geen nieuwe vragen. Het is wel opmerkelijk dat ze steeds weer opklinken. Zelfs anno 2013. Want ook al is het conservatieve wervelwindje van enkele jaren geleden reeds geluwd, nog steeds leeft er dus bij enkelen de vraag naar de levensvatbaarheid van het conservatieve project. De Burke Stichting leidt een slapend bestaan, het weekblad Opinio is ter ziele en de zogenaamde conservatieve opinieleiders zijn grotendeels uit het blikveld verdwenen. Wat rest zijn wat lezingenclubs en het groepsblog De Dagelijkse Standaard dat vooral de naam heeft conservatief-liberaal te zijn vanwege de inbreng van Joshua Livestro en Bart Jan Spruyt, maar vooral een liberale en soms zelfs libertijnse boodschap uitdraagt.

Dat is niet veel. Er zijn dus niet alleen geen conservatieve partijen, maar verder hebben de Nederlandse conservatieven ook geen noemenswaardige media of andere instellingen. De eerste vraag is dan ook hoe realistisch het is een partijvraag te stellen als men bewezen heeft niets conservatiefs van de grond te kunnen tillen. Zijn er in ons land eigenlijk wel conservatieven? En zijn de mensen die zich conservatief noemen, wel conservatief?

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


En zijn de vragen die in de inleiding van het Conservatief Café worden gesteld – en aan het begin van dit artikel werden herhaald – , en die door Bart Jan Spruyt op De Dagelijkse Standaard werden overgenomen [2], wel conservatief? Mijns inziens niet. Zonder al te vervelend te willen doen, is het opvallend dat deze hypothetische vragen van een conservatief als twee druppels water op de vragen van een liberaal lijken. En er zijn in Nederland al liberale partijen. Dus is hiermee niet meteen verklaard waarom er in ons land geen nood lijkt te zijn aan een conservatieve partij? Namelijk omdat conservatieven eigenlijk klassieke liberalen zijn en op liberale partijen kunnen stemmen. Zoals ook de ‘conservatief’ Livestro allang politiek onderdak heeft gevonden bij de VVD?

Livestro is dus geen zoeker. In de vragen klinkt geen absolute noodzaak door om een alternatief te formeren voor zijn huidige keuze. De vragen zijn dus vrijblijvend gesteld, door iemand die deze vragen voor zichzelf reeds heeft beantwoord.

Tot zover de spreker. Waarom wordt deze uitgenodigd? Waarom komt er een publiek op af – en welk publiek komt er op af? De aard van het Nederlandse conservatisme zorgt voor een specifiek publiek met specifieke vragen en zorgt er tevens voor dat er nooit wezenlijke vragen kunnen worden gesteld waardoor er wezenlijk iets gaat veranderen waardoor er – bijvoorbeeld – iets dergelijks als ‘een conservatieve volkspartij’ zou kunnen ontstaan. Ik wil dit illustreren met de figuur van Heldring.

Het overlijden van Jerôme Heldring, vooral bekend als jarenlange columnist van het NRC-Handelsblad, bracht nog eventjes één van diens denkvruchten aan het licht: het conservatisme. Het was immers zelfs voor een NRC-journalist als Mark Kranenburg onmogelijk om  iets geloofwaardigs over Heldring te zeggen zonder het conservatisme te vermelden [3]. Want was het niet Heldring geweest die sinds vele jaren dit begrip weer enigszins salonfähig had gemaakt? En voelde hij zich niet verwant met het sceptisch conservatisme van Michael Oakeshott? En daarmee is het conservatisme Angelsaksisch ingekleurd.

Iemand die Heldring goed kende en daarom kon typeren is Bart Jan Spruyt. Hij omschreef Heldrings conservatisme’ vijf jaar geleden [4] aldus: “Het karakter van Heldrings conservatisme is helder. Het is gebaseerd op een pessimistisch mensbeeld en op ‘ongeloof in de onbeperkte maakbaarheid van mens en wereld’; het is daarom sceptisch en anti-utopistisch, en het berust op de gedachte dat het in goede banen leiden van veranderingen het beste is wat we kunnen doen.” Het verval van de samenleving, maakte de moderne liberale mens volgens Heldring kwetsbaar. Spruyt: “Wat volgens Heldring nu dus dreigt – nu oude zekerheden zijn weggevallen en een irrationeel nihilisme domineert – is een nieuw soort fascisme, dat weliswaar niet inhoudelijk maar als beweging wel qua structuur aan dat van de jaren dertig doet denken.”

In het kort kwam Heldrings conservatisme hier op neer: De mens is geneigd tot kwaad. Hij heeft daarom instituties nodig die hem beteugelen. Het wegvallen hiervan zorgt voor een nihilisme en biedt ruimte aan simplificateurs en uniformisten die de massa’s willen bedwelmen met gevaarlijke utopische plannen.

Het negatieve is overheersend in Heldrings conservatisme. Het is niets anders dan het negatieve sentiment van de puriteinen die Engeland en haar instellingen hebben gevormd, aan de bakermat stonden van liberalisme en marktdenken, ingetoomd in een bedding van instituties en van christendom. Het is het conservatisme dat dicht aanleunt tegen een andere Engelsman dan Oakeshott: Edmund Burke. Hiërarchischer dan de meeste mede-liberalen van zijn tijd (hij was ook een liberaal), richtte hij zijn pijlen vooral op de overheid, en liet het liefst de vrije markt zo veel mogelijk haar gang gaan [5].

Het is kenmerkend voor de doorsnee Nederlandse conservatief, dat deze inzet bij het Angelsaksische conservatisme. Niet voor niets tooide de conservatieve denktank ‘Edmund Burke Stichting’ zich met de naam van het boegbeeld van het Engelse conservatisme: de 18e-eeuwse politicus en publicist Edmund Burke. Deze aandacht voor de Angelsaksische variant van het conservatisme sluit dan wel goed aan op het klimaat in Nederland (waar vooral puriteinen en vrijemarkt-liberalen zich ‘conservatief’ noemen), het is er meteen de hoofdoorzaak van dat het conservatisme in Nederlands niets zal worden. Ik wil dit op twee manieren illustreren. Allereerst met een enkele stelling, daarna met enkele korte stellingen.

Allereerst met de stelling dat het Angelsaksische conservatisme niet in staat is de cultuur te restaureren of te revitaliseren. Het ‘in goede banen leiden’ houdt immers op wanneer de bodem van de culturele neergang is bereikt. Zoals nu te zien is in Engeland, waar de conservatieven bezig zijn om met een agressief libertijnse agenda het denken van burgers en zelfs van kerken te veranderen, wanneer het gaat om zaken als het homohuwelijk. De door Blair ingezette controle- en repressie-staat is niet of nauwelijks in staat de sociale, morele en economische proletarisering van het Britse volk te stoppen. Als één van de eerste centralistische staten (cf. Robert Nisbet), nog steeds opgezadeld met een decadente elite die niet meer wordt getemd door een staatskerk of door tal van tradities, is het volk nog steeds slachtoffer van de negatieve mensvisie van haar elite die haarzelf immer buiten schot plaatst.

Hoe zit het dan met het ‘andere’ voorbeeld voor Nederlandse conservatieven: Amerika? Wanneer we spreken over Angelsaksisch conservatisme lijkt Amerika een ander geval te zijn dan Groot-Brittannië. De sterke civil society, de zelfredzame burger daar, wordt door conservatieven graag als authentiek Brits-conservatief gezien. Historisch gezien is echter het tegenovergestelde het geval geweest. In zijn studie The “American Way” – Family and Community in the Shaping of the American Identity komt de conservatieve Amerikaanse publicist Allan Carlson tot de opmerkelijke conclusie dat de veelgeprezen ‘American Way’ vooral een ‘Duitse’ inbreng in de Amerikaanse cultuur is geweest [6].

In zijn boek schetst Carlson een Amerika dat begin negentiende eeuw een ‘natie’ in verval was. Hiermee zegt hij hetzelfde als iemand als Francis Fukuyama die identieke beelden schetst van het Amerika rond die tijd [7]. De leefwijze van het ‘gewone’ volk kenmerkte zich in die tijd door enorme criminaliteit, geweld, alcoholconsumptie, echtscheiding, een lage kerkgang, een onhygiënische manier van leven, enz. enz. Waar Fukuyama de morele kentering in de VS vooral toedicht aan religieuze factoren in het algemeen, en de ‘Great Awakenings’ in het bijzonder, doet een Carlson een opmerkelijke ontdekking: de revitalisering van het Amerikaanse gezins-, gemeenschaps- en kerkleven is direct toe te schrijven aan de enorme Duitse inbreng van de talloze Duitse immigranten die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw in de VS vestigden. Overal waar men kwam, richtte men verenigingen op, stichtte men kerken, eigen scholen die beter waren dan de staatsscholen, verzorgde men cursussen voor de goede ‘Hausfrau’, enz. enz. Zowel de Lutherse Duitsers als de katholieke introduceerden het idee van corporatisme in de Amerikaanse cultuur. De angst voor het verval van de familie en de sociale verbanden, deed deze immigranten niet verlammen, maar werken aan antwoorden. Zoals de Amerikaanse historicus Jon Gjerde het verwoordt: “In response, these movements sought to privilege “natural institutions” such as family and community, and to protect them from „artificial“ structures such as big corporations and the state.” Onderzoek in 1970 toonde bovendien aan dat de talloze (!) nazaten van deze Duitse immigranten nog steeds hoger opgeleid waren dan de doorsnee Amerikaan, meer verdienden, vaker naar de kerk gingen, minder echtscheiding kenden en vaker agrariër waren.

Wie dus als conservatief restauratie of behoud van onze cultuur verlangt, en een conservatieve partij als restauratiefactor van belang ziet, kan dus beter niet Engeland of de VS ten voorbeeld nemen, maar het continentale, sociale conservatisme van protestantse of katholieke aard. Wie hiervoor kiest, komt automatisch terecht in een andere sfeer dan die van het sceptische, economisch liberale conservatisme dat alleen bekend is. Die komt ook terecht in een klimaat waarin minder negatief over de mens en zijn kunnen wordt gedacht. En daarmee valt dus meteen al veel winst te halen in een land waarin zo’n beetje niets conservatiefs van de grond komt.

Het denken vanuit de basis, het loslaten van scepticisme en het ultra-negatieve mensbeeld en het omhelzen van de natuurlijke ‘eerste dingen’, brengt me bij het poneren van enkele korte stellingen i.c. gedachten om dit artikel mee af te sluiten.

  1. Waar conservatieven nood hebben aan bondgenoten, zadelt het negatieve Angelsaksische conservatisme ons slechts op met ‘lotgenoten’. Daarmee staan de gemeenschap en het onderlinge vertrouwen op de tocht die nodig zijn om een conservatieve beweging te starten.
  2. We moeten niet streven naar een kleine overheid, maar een maximale toepassing van het principe ‘overheid’. Overheid betreft allereerst en met name de natuurlijke verbanden. Alleen al deze denkrichting behoedt ons voor verlammend scepticisme.
  3. Dit ‘denken vanuit de eerste dingen’ behoedt ons eveneens voor een reductionistisch wereld- en mensbeeld. De mens is geen individu, de markt is niet autonoom. En ook voor de conservatief is de mens nooit allereerst een ‘burger’, zelfs geen ‘verantwoordelijke burger’, maar een vader, een kind, een gelovige en een persoon.
  4. Het wenden naar de continentale, sociale traditie van het conservatisme, brengt conservatieven in de sfeer van de zekerheden, de natuurwet en de rust. Tegenover het puriteinse en liberale denken vanuit de arbeid, vanuit de reductie van de mens tot economisch wezen, is het klassiek-Europese denken vanuit de rust een positieve ondergrond voor een boodschap die opgejaagde en geproletariseerde burgers van node hebben.
  5. Dit brengt ons bij de conservatieve ‘cultuur van dankbaarheid’, waarin historische en traditionele verwortelingen nooit alleen utilaristische zaken zijn, maar ons immer vervullen met dankbaarheid en eerbied voor het overgeleverde, het publieke en het collectieve’.

Mijns inziens zijn dit belangrijkere zaken dan een eventuele conservatieve volkspartij.


Noten

[1]http://www.conservatiefcafe.nl/archief/bericht-1943

[2]http://www.dagelijksestandaard.nl/2013/05/een-conservatieve-partij

[3] http://nos.nl/audio/501140-oudhoofdredacteur-nrc-handelsblad-heldring-95-overleden.html

[4] http://bartjanspruyt.blogspot.nl/2008/01/als-te-veel-te-snel-verandert.html

[5] http://www.barttrompstichting.nl/publicaties/publicaties_item/t/vreemd_conservatisme

[6] Allan Carlson, The “American Way” – Family and Community in the Shaping of the American Identity, Wilmington, Delaware, 2003, p. 17v.

[7] Francis Fukuyama, De grote scheuring – De menselijke natuur en de reconstructie van de sociale orde, Amsterdam/Antwerpen 1999, p. 281v.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.