Slowly the sun fell from the sky down into the West. A smoke seemed to rise up and darken the sun´s disc to the hue of blood, as if it had kindled the grass as it passed down under the rim of the earth. “I see a great smoke,” said Legolas. “What may that be?” “Battle and war!” said Gandalf. “Ride on!” ( J.R.R. Tolkien)

De wereld maakt zich op voor de laatste slag. Grote delen van de westerse en van de islamitische wereld bevinden zich in een oorlogsroes. Beider manier van leven staat op de tocht. Vooral het westen voelt zich zwak. Het islamitische gevaar staat buiten de poorten van de stad, maar ook binnen de stad wemelt het van vijfde colonnes: cultuurrelativisten, fundamentalisten en islamofascisten. Westerse troepen vechten oorlogen uit in verre landen. Veiligheidsdiensten staan voortdurend op scherp om indringers in de gaten te houden en oproerkraaiers onder de duim te houden. De sfeer in het westen is aan het omslaan. Vrijheid wordt ingeruild voor veiligheid. Iedereen moet zich aanpassen. Wie zich niet aanpast, is een potentieel gevaar. Want in oorlogstijd gelden andere wetten. Pas als aan de islam de laatste vernietigende slag is toegediend kunnen we weer rustig gaan slapen. Tot die tijd is het oorlog; “Battle and war! Ride on!”

Is er nu sprake van oorlog of niet? Met wie? En hoe lang is die oorlog dan aan de gang? Liberalen en neoconservatieven wijzen met hun vinger richting de islam. De politieke islam – door hen ook wel islamofascisme genoemd – zou de grootste bedreiging zijn voor het westen sinds WO II. Een enkeling spreekt zelfs van een groter gevaar dan het Nazisme. Als er dus oorlog is, dan is het met de islam. Of in ieder geval met de fundamentalistische, terroristische varianten ervan. Zij hebben het immers op ons gemunt.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Maar is dit wel zo? Is de islam onze grootste dreiging? Op wie richten zich de meeste agressie en de tal van preventieve maatregelen van de westerse regeringen? Op de islam? Wie beter kijkt ziet niet zoiets als een door de islam bedreigd westen. Europa en Amerika vechten weliswaar oorlogen uit in verre landen. Maar al langer en veel massaler worden er elders grotere oorlogen uitgevochten. Geen militaire oorlogen, maar culturele oorlogen. Niet in Arabië of Afrika, maar in het westen zelf. Het conflict met de islam is slechts een intermezzo in een al langer durend conflict: de strijd om het Avondland – “the Battle of the Heartland” (Tolkien). De islam heeft daar een nieuwe fase in aangebracht. Wie zich echter uitsluitend op de islam richt, ziet niets en snapt niets. Niet de islam is het gevaar; het gevaar zijn wijzelf.

Sinds 9/11 met haar aanslagen op de Twin Towers in New York is het westen zich bewust geworden van de vijandschap vanuit de islamitische wereld. Massa’s wereldbewoners haten het ‘vrije westen’. En niet alleen dat. Veel Europeanen zijn zich opeens bewust geworden van de grote aantallen moslims binnen de grenzen van Europa. En dit aantal neemt alleen maar toe. Hun aanwezigheid heeft het vergrootglas van de moderne media gericht op tal van misstanden als eerwraak, vrouwenbesnijdenis en de ongelijkheid van man en vrouw.

Dat deze zaken nu onder ons plaatsvinden ervaren veel mensen als een regelrechte aanval op de verworvenheden van onze verlichte cultuur. Steeds vaker wordt er gehamerd op zaken als individualisme, secularisme, democratie en vrije markt. Zaken waar we zuinig op zouden moeten zijn. Elk van deze ‘verworvenheden’ impliceert enorm veel. Ik geef hieronder een korte uiteenzetting.

De moderne cultuur kan het beste getypeerd worden als een ‘cultuur’ van individualisme. In het befaamde essay “Cultuur van de vrijheid” deed prof. Udo di Fabio, rechter bij het Duitse Constitutioneel Hof, een poging de vrijheid zeker te stellen. Het hyperindividualisme speelt de sterke staat in de kaart en zet derhalve onze vrijheden op de tocht. Di Fabio:

“Zonder staat is er zeker geen maatschappij mogelijk die is gegrondvest op individuele vrijheid. En toch ligt – volgens mij – de kardinale fout van dit moment in de overschatting van het primaat van de politiek. De oorzaak hiervoor ligt in de te eenvoudige, simplistische benadering van een “staatsvrije” maatschappij. Een maatschappij die het concept “individuele vrijheid” dermate geïsoleerd behandelt dat politiek en staat automatisch verantwoordelijk worden gesteld voor de algehele sociale integratie en solidariteit. Uit het radicale individualisme dat de gemeenschap vergeet, vloeit automatisch het neo-etatisme van onze tijd voort.”

Wie de staat verwerpt, haalt haar volgens Di Fabio via de achterdeur weer naar binnen. Vandaar Di Fabio’s pleidooi voor gematigdheid; voor een gematigde staat, een gematigde individu en een gematigde religie. Maar wat is gematigdheid? Charles Colson, de bekende Amerikaanse conservatief en oud-rechterhand van Nixon, geeft daar een eigen draai aan:

“Wij christenen kunnen niemand iets opleggen. Dat willen we ook niet. Wat we willen is – in de prachtige woorden van Richard Neuhaus – mensen iets voorleggen. We willen ze niets opleggen. We leggen ze een manier van leven ter overweging voor: doe met ons mee! (…) Christenen moeten het recht om gehoord te worden altijd verdienen. We hebben geen basis om naar mensen te gaan en te zeggen: zo is het!”

De vrijheid om dit te zeggen, maakt dat Colson onomwonden kiest voor de westerse cultuur:

“Er woedt in de 21e eeuw een tweeërlei oorlog. Aan de ene kant de botsing tussen de westerse beschaving en de islam. Aan de andere kant de culturele oorlog. De christelijke uitdaging vandaag de dag is de wereld met liefde te benaderen en te zeggen: er is een tweeërlei strijd gaande, en wij willen jullie laten zien waarom onze manier beter is.”

Met deze houding win je ook geen oorlog. Vrijblijvendheid is ook vrijblijvendheid om je aan de strijd te onttrekken. Vrijblijvendheid is leven zonder strijd. En leven zonder strijd mijdt elk reëel conflict en gevaar.

Maar laten we verder gaan. Met het individualisme is onlosmakelijk de gelijkheidsgedachte verbonden. Deze gelijkheid moet gehanteerd worden door een sterke staat om de ongebonden individu van dienst te kunnen zijn en te lijf te kunnen. Een individualistische maatschappij kent immers niet zoiets als sterke corporatieve en institutionele inzettingen om de individu te beschermen en op te vangen; dus moet de staat het doen.

Deze bescherming gaat ver. De individu moet ook tegen de aloude corporatieve en institutionele inzettingen worden beschermd. Immers, bijzondere inzettingen impliceren ongelijkheid en traditie – twee remmen op de ontplooiing van de individu. Bijvoorbeeld: een vereniging bestaat niet zonder exclusiviteit, zowel op het gebied van lidmaatschap als op het gebied van toelatingscriteria. En een vereniging heeft alleen zin als lidmaatschap van een vereniging op bepaalde terreinen het verenigingslid meer rechten geeft dan iemand die niet lid is. Het verenigingsrecht vooronderstelt dus het corporatistische element. Dit element vooronderstelt ongelijkheid en traditie (de vereniging impliceert namelijk de institutionele voortzetting van haarzelf).

Iemand die dit ziet en tegelijkertijd klip en klaar is in zijn afwijzing van elk corporatisme in onze maatschappij is John Ralston Saul. Deze Canadese filosoof omhelst de natiestaat vanuit radicaal democratische en individualistische motieven. Zijn veel gelezen boeken bevatten een nieuw pleidooi voor nationalisme om het denken in kleine groepen, management-elites en bureaucratieën te lijf te kunnen. Dat klinkt sympathiek. Maar zijn dieperliggende analyse is deze: de basis van kapitalisme en democratie is nog steeds het corporatisme. Dit corporatisme – als restant van de klassieke samenleving van gemeenschappen – moet kapot om zo een radicale democratisering door te kunnen voeren die nog slechts de individu kent en erkent.

Wat Ralston Saul voorstaat, gebeurt reeds. Met de antidiscriminatiewet heeft de staat een instrument in handen om deze oude inzettingen te lijf te kunnen. Met behulp van diezelfde antidiscriminatiewetgeving creëert de staat een klimaat waarin alle grondrechten op de tocht staan. De meeste grondrechten zijn immers geënt op een lokale corporatieve maatschappelijke basis: vrijheid van godsdienst, van drukpers, van vereniging en van onderwijs. Elk van deze rechten impliceert een corporatief samenwerkingsverband.

Om aan de corporatieve resten hun rechtsbasis te ontnemen en om aan de individu haar rechten te ontnemen is het nodig een radicale secularisatie door te voeren. Elke verwijzing naar een autoriteit buiten het bestaande recht dient te worden geëlimineerd. Dit gebeurt door het doorsnijden – ondergeschikt maken – van natuurlijke, historische en religieuze verbanden.

De secularisatie van het recht door het loskoppelen van recht en moraal kent haar evenknie in de secularisatie van de staat. De staat treedt niet meer alleen op als supervisor die boven alle banden die (vanouds) heilig zijn uitstijgt, ze treedt nu ook in de verhoudingen tussen mensen en vervangt deze banden.

De moderne staat verschuift de blikrichting van mensen betreffende hun verlangens, hun zekerheden en hun levensbeschouwing. De basis van de moraal wordt veruitwendigd: politiek en wetenschap bepalen haar voortaan. De blikrichting wordt zo verlegd van het concrete leven naar de abstracte idealen. Dit wordt versterkt door een beleid om heel het leven te democratiseren en te vereconomiseren. Mensen moeten namelijk niet alleen geloven in vooruitgang – of erop hopen – maar men moet erin denken. Dit vooruitgangsdenken heeft betrekking op alle dingen. Niet alleen op de materiële zaken, ook op geestelijke, culturele, morele en religieuze zaken. Ja, zelfs het natuurlijke en het historische bewustzijn ontsnapt niet aan deze manier van denken.

Alles wat deze manier van denken in de weg staat, is een bedreiging. Abstracte gevaren treden in de plek van concrete gevaren om een bedreiging te vormen voor abstracte levensidealen. De islam is zo’n abstract gevaar. Elke weerzin tegen de moderne hedonistische consumptiemaatschappij in de islamitische wereld is opeens ‘Islam’ en derhalve een bedreiging voor het westen. Familie-eer, eerwraak en zelfverdediging in islamitische milieus zijn niet meer concrete universele gegevenheden waarmee we rekening moeten houden, maar onderdeel van het islamitisch gevaar. Gemakshalve wordt vergeten dat deze zaken ook inherent zijn aan de basis van onze eigen cultuur. Zonder sterke familiecultuur was er waarschijnlijk geen liberale maatschappij geweest. Ook fenomenen als godsdienst, en weerzin tegen homoseksualiteit moeten het in de strijd tegen de islam ontgelden. Kortom: alles wat de verworvenheden ter discussie stelt, is bedreigend en kan nu gelukkig op het bordje van de islam worden geschoven om daarna weggevaagd te worden.

De War on Islam begint zelfs apocalyptische trekken te krijgen. In de islam wordt alles verenigd wat de moderniteit in de weg staat. Iedereen die de moderniteit verwerpt, is een islamiet. Orthodoxe christenen, joden, traditionalisten, fascisten, nationalisten, klassieke republikeinen, reactionairen – allen zijn ze een afspiegeling van het grote Gevaar: de islam. Door het conflict met een islamitische minderheid te transformeren tot een oorlog met de wereldwijde achterlijkheid hopen de liberalen de geschiedenis van deze wereld naar haar einde te voeren. De overwinning van democratie, mensenrechten, gelijkheid, de seculiere staat en vrije markt ligt in het verschiet – moet volgens de liberalen in het verschiet liggen. Obstakels moeten opgeruimd worden: religie, nationalisme, ongelijkheid en onderdrukking.

De inzet van het westen is hoog: er moet een einde komen aan de onoverkomelijke tegenstellingen, de stelselmatige onderdrukking, de onoplosbare problemen, aan het afremmen van vooruitgang door traditie en godsdienst. De laatste slag is gaande. Wint het westen deze, dan is er niets wat de mondiale modernisering nog tegenhoudt.

Kan het door modernisme overwoekerde westen deze slag winnen? Bezitten we nog voldoende viriliteit om te vechten? Maar ook: willen we dat het westen deze slag wint? Natuurlijk: oorlog is oud. Volgens sommigen zelfs ouder dan de mensheid. En oorlog kent logica: kleine conflicten groeien uit tot grote conflicten. Soms uit agressie of expansiedrift, soms uit zelfverdediging of andere rechtvaardige belangen. Zowel slechte als goede intenties zijn vanouds sterke motoren achter het georganiseerd geweld van de oorlog. Later kwam daar het relatief nieuwe fenomeen burgeroorlog bij. Maar altijd betekende oorlog: strijd van de ene partij tegen de andere. Dat is nu radicaal aan het veranderen. Partizanenoorlogen en terroristenoorlogen zetten een verschuiving in gang van militaire conflicten naar culturele en politiektheologische. Moderne oorlogen worden op elk terrein van het leven uitgevochten. Oude oorlogen vonden bij de voordeur plaats; moderne oorlogen vinden overal plaats. Oude oorlogen streefden naar verandering van status quo; moderne oorlogen gaan om niets minder dan het einde van elke oorlog en streven daarmee niets minder na als het einde van de geschiedenis. Deze oorlog om het einde van de geschiedenis vindt plaats aan het eind der tijden: nu.

Het gebeuren op 9/11 en de daarop volgende ‘War on Terror’ heeft de wereld veranderd. Discussies rond integratie en grondrechten zijn opeens niet meer vrijblijvend. Emancipatie en achterstelling van bevolkingsgroepen hebben opeens een sterk politieke – en soms zelfs politiektheologische – lading gekregen. De toon in het maatschappelijk debat wordt harder. Het geduld van de liberalen is op: de verworvenheden van het westen moeten door iedere westerling, door iedere wereldburger omhelst worden. Goedschiks of kwaadschiks. Voor islamieten wordt het slikken of stikken. Net als voor joden, christenen, traditionalisten en andere groeperingen die hun identiteit in de moderniseringsgolf staande proberen te houden.

De verharding van de liberale politiek is vanzelfsprekend. Lange tijd geloofde men in een geleidelijke ontwikkeling van secularisatie, individualisering, emancipatie en democratisering van de Europeaan. Samenlevingsverbanden brokkelden af, kerken stroomden leeg, principes waren opeens achterlijk. Ironisch genoeg gooide juist één van de kinderen van het liberalisme – het globalisme – roet in het eten. De geïmporteerde islam bleek minder snel in deze ontwikkelingen mee te gaan dan oorspronkelijk werd gehoopt. Ze had weliswaar bijgedragen aan de sociale ontwrichting van talloze volkswijken; ondertussen bleek de islam zelf redelijk bestand tegen de liberale politiek van desintegratie.

Vervelende waarheden kwamen – en komen – aan het licht. De reacties die de islam uitlokt, zijn voor veel moderne liberalen niet alleen een stap terug in de tijd. Ze laten ook (pijnlijk genoeg) zien dat moderne mensen nog niet verlost zijn van primitieve instincten. Autochtoon populisme en radicalisme gooien in zekere zin de liberale wensdroom van een democratische heilsstaat aan diggelen. De islam is een bedreiging geworden voor ons fragiele bestel én tegelijkertijd blijken veel autochtonen dat ook.

De politieke elite heeft zich vergist. De snelheid van de ontwikkelingen op het gebied van mondialisering – politiek, sociaal en economisch – hielden geen gelijke tred met de ontwikkelingen op microniveau. Mensen emanciperen en individualiseren wel, maar lang niet zo snel als zou moeten. Bepaalde natuurlijke en historische gegevenheden zijn weerbarstiger dan gewenst. Nog steeds nemen veel vrouwen (parttime) een traditioneel rolpatroon op zich wanneer er kinderen komen, en nog steeds zijn nationale gevoelens soms sterker dan Europese wensdromen.

De culturele dispositie van natuur, historie, sociaal weefsel en religie is taaier en complexer dan politici en wetenschappers vaak voor mogelijk houden. Maar behalve in de tempoverschillen van ontwikkelingen, heeft men zich ook vergist in de aard van de ontwikkelingen. Men heeft weliswaar taai, complex weefsel vervangen door ander, modern weefsel, maar men komt er achter dat het resultaat in veel gevallen desintegratie teweeg brengt. En dat is het wrange. Juist nu de tegenstellingen met islam en Derde Wereld toenemen, zien we de tekorten en zwakheden van onze verlichte beschaving.

De wil om ons voort te planten is tanende. Met de vergrijzing lopen het creatieve en innovatieve vermogen van onze cultuur gevaar. De Europa brede malaise in het onderwijs versterkt deze neerwaartse tendens. In steeds meer landen blijkt het onderwijs een plek waar het maatschappelijk gebrek aan opvoeding aan het licht komt. Steeds meer mensen vereenzamen, of komen niet meer mee. Ondertussen vraagt de moderne maatschappij steeds meer van ons. We moeten leren leven zonder zekerheden. Je baan, je partner, je woonplaats – niets is nog zeker. Elke binding kan een bron van frustratie worden. Overgeleverde normen en waarden kunnen je zomaar op maatschappelijke achterstand zetten.

De mens past zich aan – hij moet wel – en geeft steeds meer uit handen. Je overleeft namelijk het beste door met lege handen het bestaan te aanvaarden. Als bedelaars banen de moderne westerlingen hun weg door het bestaan.

Maar er is ook een keerzijde. Europa is niet alleen bezig haar voorsprong te verliezen op het gebied van wetenschappelijke, technologische en economische creativiteit. Het verlies gaat dieper. Ook het recreatieve en regeneratieve vermogen om een cultuur te herstellen en te bewaren – het zelfreparerende en zelfredzame cement van iedere cultuur – is aan het weg eroderen.

Natuurlijk, mensen worden steeds mondiger, maar tegelijkertijd zijn ze steeds minder in staat zelf hun problemen op te lossen – althans zonder een beroep te doen op de staat en haar instellingen. Met andere woorden: de moderne westerse mens doet wel flink, maar is ondertussen een bevend rietje. De aanslagen van 2001 9/11 legden deze waarheid onbarmhartig bloot. Waar door de eeuwen heen oorlogen, invallen, conflicten en bedreigingen van buitenaf de samenlevingen bestookten, brengt datzelfde in onze tijd iets anders teweeg. In klassieke samenlevingen veroorzaakten oorlog en dreiging een gevoel van weerbaarheid, verzet en strijdlust. In moderne samenlevingen is de eerste reactie die van angst.

De moderne mens – de Europeaan in het bijzonder – is een lafaard. Veiligheid gaat hem boven alles. Boven eer, boven rechten en vrijheden, boven welvaart en welzijn. De zekerheid van het sterven in het bed is hem liever dan vrouw en kinderen.

De Amerikaanse filosoof Amitai Etzioni, inspirator van onder meer Balkenende, verklaarde onlangs onomwonden in de buitenlandse politiek veiligheid boven vrijheid te stellen:

“Op grond van het beginsel “het leven gaat voor alles” stel ik een aanpak voor die je “veiligheid voor alles” zou kunnen noemen. (…) Wij in het Westen zijn geneigd te denken dat streven naar veiligheid in een land zou kunnen uitlopen op een dictatuur. Die zorg is niet ongegrond, en waarschuwingen zijn op hun plaats. Toch valt niet te ontkennen dat het recht op leven vóór alles gaat. Niet gedood, verminkt of gefolterd te worden zijn grondrechten die worden vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. Bovendien gaat het leven altijd voor de vrijheid.”

Etzioni doet deze uitspraken primair met het oog op de vraag hoe om te gaan met ‘schurkenstaten’ als Noord-Korea of Iran. Toch biedt zijn visie een waardevol inzicht in bepaalde processen die gaande zijn in het westen in het algemeen en Europa in het bijzonder.

“Eerder heb ik laten zien dat de belangrijkste oorzaak van de instorting van democratische regimes is dat zij er niet in zijn geslaagd om te voorzien in de elementaire behoeften van de bevolking, met name op het gebied van de veiligheid; en niet, zoals vaak wordt gedacht, door de geleidelijke uitholling van wettelijke en politieke rechten. De Weimarrepubliek is hiervan het voorbeeld bij uitstek en ook de ontwikkeling van Rusland sedert 1990 vormt er een illustratie van. Wanneer politieke rechten en veiligheid botsen – wat doorgaans het geval is – geldt de stelregel “veiligheid voor alles”.”

Ook in Europa is de tegenstelling actueel: veiligheid of vrijheid. Steeds meer politieke rechten sneuvelen in de strijd om veiligheid in casu de oorlog tegen terrorisme. Etzioni’s inzet oogt sympathiek. Hij zet primair in bij bestaande restanten van de oude, overwonnen orde. Waar dat niet gebeurt, gaat het mis; het voorbeeld van Rusland sedert 1990 spreekt boekdelen. Toch blijft de vraag hoe het mogelijk is dat in oorden waar de moderniteit heeft huisgehouden – Rusland, Afghanistan, Irak of Duitsland – een vacuüm kon ontstaan waarin allerhande vorm van ellende wortel kon schieten.

Het vanuit het westen geïmporteerde communisme heeft in Rusland enorme schade aangericht aan de orde van het Oude Europa. Datzelfde communisme heeft de verwoesting geëxporteerd naar een land als Afghanistan. Irak was een westers seculier experiment te midden van een islamitische omgeving met wisselende inspiratiebronnen. Het resultaat was hetzelfde als in Rusland: miljoenen doden. Volgens de bekende Britse historicus Niall Ferguson, schrijver van De grote oorlogen (2007), was het Duitsland van de jaren ’30 één van de modernste, zo niet de modernste natie ter wereld. Toch kent iedereen het vervolg van deze ‘moderniteit’. De waslijst is langer te maken. Het Jacobinische Frankrijk was het eerste land ter wereld dat experimenteerde met genocide en gaskamers. En datzelfde laïcistische Frankrijk stuurde later als geen ander land ultra-cynisch haar manschappen een gewisse dood in tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De overeenkomsten zijn belangrijker dan de verschillen. De moderniteit creëert een vacuüm dat later – in tijden van crises – onbeheersbaar blijkt te zijn. Dit gevaar is in een moderne westerse samenleving altijd latent aanwezig. De angst voor een door conflicten verscheurd Europa die tal van Europese politici lieten blijken tijdens discussies over de Europese Grondwet mag belachelijk en grotesk lijken, de uitwerking is er niet minder om. Vanwege de veiligheid moet het verenigd Europa er komen; om ons te beschermen tegen gevaren van buitenaf èn voor gevaren die van binnenuit komen.

Vrijheden moeten wijken voor veiligheid. Met het wijken van de vrijheden, verdwijnen de laatste herinneringen aan de basiswaarden van onze cultuur. Waar de vrijheid van godsdienst wordt ingesnoerd, wordt de herinnering aan het christendom gewist. De vrijheden van onderwijs en opvoeding worden gekortwiekt ten koste van het gezin. De vrijheid van vereniging moet eraan geloven al is dit ten koste van gemeenschapsleven en civil society.

Het superieure westen legt haar tradities aan banden, maar laat alle exponenten van cynisme, plat vermaak, pornografie en cultuurrelativisme vrij. Dit geeft te denken. De aanval van de islam op het westen gaat gepaard met de steeds heftiger wordende aanvallen op onze eigen cultuur en tradities van binnenuit. Elke aanval van de islam op ons is een aanval op de vrijheden als die van onderwijs. Maar ook andersom: elke aanval op de vrijheid van onderwijs is een aanval op de islam, maar treft vooral de eigen beschavingstraditie.

Een moderne oorlog is geen enkele vector met een enkele richting. Moderne oorlogen zijn tegelijkertijd naar binnen en naar buiten gericht. Moderne oorlogen zijn façades voor andere oorlogen. De echte oorlog wordt binnen een cultuur uitgevochten. Een weerbaar Europa heeft niets te vrezen van de islam. Maar het liberalisme heeft alles te vrezen van een weerbaar Europa. Deze oorlog gaat dan ook niet om vrijheid, maar om weerbaarheid. Iets wat ‘rechtse’ denkers als Di Fabio, Colson en vele anderen maar niet lijken te beseffen. Voor antwoorden moeten we niet in Europa zijn en ook niet bij christelijke en andere gematigde conservatieven.

Een bruikbaarder en helderder geluid is te vinden bij één van de grootste moderne denkers van de westerse cultuur: de Amerikaanse paleoconservatief Robert R. Nisbet. Deze schreef in de jaren tachtig een belangrijk boek: The Present Age – Progress and Anarchy in Modern America. In dit meesterwerk belichtte Nisbet de 75-jarige oorlog en de gevolgen van deze oorlog voor Amerika. De auteur wees met de term ‘75-jarige’ oorlog op de oorlog die volgens hem in 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was begonnen en zijn inziens nog steeds voortduurde. Nisbet schreef zijn boek in 1988, kort voor de afloop van de zogenaamde Koude Oorlog, waarvan het einde meestal gesitueerd wordt in 1989: het moment dat het IJzeren Gordijn neer werd gehaald.

In de ogen van Nisbet is Amerika een beschaving in verval. Hij schaamt zich er niet voor daarmee in de lijn te staan van Oswald Spengler, een Duitse filosoof die tussen de beide wereldoorlogen zijn beroemde Untergang des Abendlandes schreef. Volgens Nisbet zijn er drie belangrijke zaken te noemen die het verval van de Verenigde Staten kenmerken: 1) militarisme, of constante oorlog; 2) absolutisme, of bureaucratisering van de maatschappij; 3) atomisering, of individualisering van de samenleving.

De drie kenmerken van Nisbet lijken verdacht veel op de vervalskenmerken van Spengler. Nisbet noemt ze ook: constante oorlog, politiek despotisme, monetarisering en derhalve verval van morele grondslagen van een beschaving. Hoewel de kenmerken van Nisbet enigszins afwijken, beaamt hij alle drie de punten van Spengler.

Ook hij ziet een constante oorlog in Amerika vanaf 1914, een opkomende totalitaire staat en een hyperindividualisme dat alleen nog wordt samengehouden door de “nexus of money”. Nisbet beschrijft processen die elkaar versterken. De verschuiving binnen het liberalisme van vrijheid naar gelijkheid heeft processen van individualisering en politisering in gang gezet die hun einde nog lang niet hebben bereikt. Met andere woorden: waar liberalen eerst – net als conservatieven – opponeerden tegen de staat, hebben ze een knieval gemaakt voor diezelfde staat met desastreuze gevolgen. Nisbet citeert Jacques Ellul:

“Door te denken dat alles politiek is (…) door alles in handen van de staat te geven, door in alle omstandigheden een beroep op de staat te doen, (…) – deze factoren kenmerken de politisering van de moderne mens, en geven als zodanig een mythe weer. De mythe openbaart zich in geloof, om tenslotte haast religieuze driften uit te lokken.”

De boodschap van Nisbet voor Amerika is een boodschap voor het gehele westen. Opvallend in Nisbets analyse is de nadruk op interne aspecten. Bij militarisering zet hij niet direct in bij de externe factoren: een concrete vijand, maar bij de processen die intern en van binnenuit de samenleving transformeren tot iets dat haaks staat op de erfenis van onze voorvaderen.

Robert Nisbet spreekt van een 75-jarige oorlog die begon in 1914. Had Nisbet nog geleefd – hij zou waarschijnlijk zonder moeite de oorlogslijn hebben doorgetrokken over 9/11 naar 2007 anno nu. Zijn focus zou – eveneens waarschijnlijk – in de eerste plaats gericht zijn op de directe Amerikaanse oorlogshandelingen in Irak en Afghanistan. Maar de analyse in Progress laat zien dat ook in dat geval zijn analyse zou zijn uitgelopen op de constatering dat oorlog iets doet met de ziel, het weefsel en het gebinte van een natie.

De constante aanwezigheid en druk van oorlog tast alles aan. De ingezette ontwikkeling van machtscentralisatie, federale belastingen, ambtenarenapparaten, juridisering, machtiger wordende presidenten en zwakker wordende deelstaten en parlementen is in Amerika omstreeks 1914 ingezet, maar zet zich nog steeds door. Toenemende belastingdruk, veiligheidsmaatregelen en opgedrongen seculariteit (niet mogen bidden op school) zijn zo enkele voorbeelden van concrete oorlogsinvloeden in het dagelijkse leven van de gewone Amerikaan.

Ook Europa voldoet aan de kenmerken die Nisbet noemt voor het aftakelingsproces van ‘vooruitgang en anarchie’ dat hij signaleert. Alleen al het Europese eenwordingsproces is onlosmakelijk verbonden met de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de wens om herhaling ervan te voorkomen.

Nisbet analyseert de moderne oorlog als iets dat slechts aan de randen is te herkennen als een militair project. Waar het om gaat is de uitwerking op de binnenkant van een cultuur, op de ziel van een natie. Constante oorlog vernietigt een cultuur. Niet direct door economische uitputting, maar door het creëren van een sfeer waarin maatregelen – snel en rücksichtslos – kunnen worden doorgevoerd die een streep zetten door vrijheden en tradities van eeuwen her. En alles in het kader van veiligheid en het uitbannen van elk risico.

We zien dit om ons heen gebeuren. De deuren worden wagenwijd opgezet voor grootschalige afluisterpraktijken. Er is nu een identificatieplicht voor mensen vanaf 14 jaar. Er zijn wetten die het mogelijk maken preventief te fouilleren, geld in beslag te nemen of bij niet-verdachte personen verplicht DNA af te nemen. Mensen vinden alles best zolang de islamdreiging maar wordt geneutraliseerd.

Het voortdurende afbreken van de eigen identiteit, de weerbaarheid en het gevoel van eigenwaarde van elke gezonde Europeaan laat zien dat het werkelijke conflict niet militair is. Er is geen werkelijke dreiging van buitenaf. We hoeven niet weerbaar te zijn omdat er geen dreiging bestaat van buitenaf. De meeste energie richt zich op het afbreken en aantasten van elke innerlijke kracht. Iedere voorwaarde voor weerbaarheid moet eraan geloven. Niet de islam, maar de traditie is de vijand die moet worden verslagen.

Het westen heeft een rotsvast vertrouwen in de ‘transformerende’ kracht van de moderniteit. Sommige voorbeelden geven het westen gelijk. Zuid-Afrika. Latijns-Amerika. Heeft het Oude Europa daar nog iets tegenover te stellen? Robert Nisbet gelooft in de regeneratieve kracht van een cultuur. Dit klinkt als een eufemisme. Het is dezelfde regeneratieve kracht waar ook Andreas Kinneging op wees in een interview met het Reformatorisch Dagblad. Maar Nisbet gaat verder dan Kinneging; hij hanteert deze term zonder blozen in de zin van Oswald Spengler. Daarmee doet hij een uitspraak die met de kennis van 1988 wordt gedaan; namelijk dat Spengler als denker niet los kan worden gezien van de Konservative Revolution van het Duitsland tijdens het interbellum. Nisbet is geen beschavingsdeterminist, maar schroomt niet te hopen op een revolutie van ideeën:

“We hebben in Amerika op dit moment een grote behoefte aan een revolutie van ideeën. Doch het schijnt het privilege van de mens zijn eigen revolutie te wensen wanneer hij daar behoefte aan heeft.”

Het is een constatering, en wel een hoopvolle constatering met een gevaarlijke lading. De dynamiet is hoopvol voor ons; ze is gevaarlijk in de ogen van de liberale elite. De conservatieve Europeaan koestert de openheid. Voor hem is de geschiedenis niet iets dat ergens moet eindigen; voor hem is de geschiedenis – de werkelijkheid waarin hij leeft – een open ruimte die ook open gehouden moet worden.

De Europeaan heeft een rotsvast geloof in de orde van het leven. Het is een orde die zich voltrekt buiten de menselijke wil om. Het is een organische orde die de Europeaan verbindt aan God, de schepping en de natuur. In historie, traditie en in de wijsheid der eeuwen wordt deze orde zichtbaar. Maar deze orde is alleen tastbaar en zichtbaar in een open wereld: een wereld die niet denkt in eindtermen. Het is deze openheid die de oude Europeaan kenmerkte. Het gebrek aan totalitaire systemen en ideologieën, de afwezigheid van de staat en de ‘global players’, maakten van de middeleeuwse samenleving een vitale en open wereld. Nisbet wijst in zijn boeken meerdere malen op het vermogen van de middeleeuwers om spontaan tot ‘nieuwe’ gemeenschapsvormen te komen.

Het herstel van de orde gaat gepaard met een open geschiedenis. In een open geschiedenis is er altijd de mogelijkheid, nee: de noodzakelijkheid van de omwenteling. De geschiedenis – de aard van de mens – heeft de ingebakken neiging alles dicht te timmeren. De mens wil beheersen ten bate van welvaart, veiligheid en vrede. Deze beheersing mag slechts van tijdelijke aard zijn, anders wordt ze gevaarlijk.

Twee geluiden onderstrepen het gevaar van een gesloten wereld. Ten eerste de Bijbel waarin een beeld wordt geschetst van de wereld voor de Zondvloed. Er werd handel gedreven, getrouwd, geleefd en gelachen. Het lachen bleek spotten. Het leven van alledag bleek vol te zijn van geweld. Na de Zondvloed zien we een duidelijker illustratie van diezelfde aard van de mens. De mensen meden de dynamiek van het volle leven door bij elkaar te blijven wonen in een alomvattend gesloten systeem dat werd uitgebeeld in de torenbouw van Babel. Het najagen van welvaart, veiligheid en vrede breekt het menszijn af. De gesloten wereld wordt blind voor goed en kwaad, vergeet God, wordt impliciet gewelddadig, vertrapt de zwakken en knecht de sterken.

De Duitse filosoof Eric Voegelin zag hetzelfde gebeuren tijdens de jaren ’30. Als een overweldigende waarheid overviel hem het inzicht dat de moderne mens blind was geworden voor “Gott oder Teufel”. De toegesloten wereld (zonder God en transcendentie) manifesteerde zich steeds meer tot de “ijzeren kooi” waar Max Weber eerder over schreef. Deze onttoverde wereld bleek een gevaarlijke wereld waarin alles mogelijk was.

In een gesloten wereld kan “jouw god mijn duivel zijn, en jouw duivel mijn god” (Max Weber). Het najagen van kwaad of het voorkomen van het kwaad zijn in een gesloten wereld niet meer van elkaar te onderscheiden. Daarom is onze tijd zo gevaarlijk. De wereld die de liberalen ons voorspiegelen is zo’n gesloten wereld. Volgens hen zijn we aan het eindpunt beland van de geschiedenis. De democratische rechtsstaat is het eindpunt van de staatkunde. De gelijkheid van ieder mens in een wereld met wetenschap zonder God, wetten zonder moraal, en politiek zonder kerk moet alle oorlog, achterlijkheid, onwetenschappelijkheid en publieke religiositeit elimineren.

In de wereld van de moderniteit is er geen ruimte meer voor fundamentele veranderingen, aangezien de staatkundige, economische en morele ordesystemen samenvallen en uitsluitend naar elkaar verwijzen. In de totalitaire wereld van democratie, vrije markt en moderniteit is elke openheid voor verandering revolutionair. Elke fundamentele verandering zal het karakter hebben van een culturele omwenteling. Voor een moderne conservatief is daarom de revolutie onontkoombaar. Maar dan wel als ‘conservatieve’ revolutie; een revolutie waarin niet alleen wordt veranderd, maar ook wordt bewaard en waarin er wordt veranderd om te bewaren.

De conservatieve revolutie beoogt niet de vestiging van een systeem of ideologie, maar beoogt het herstel van een open wereld. Daarom is ze wars van ideologie. Ze denkt namelijk niet in afgesloten termen die uitgaan van het einde van de geschiedenis. Daarom kan ze niets met abstracties als democratie, kapitalisme, gelijkheid, mensenrechten, enz. Als het erom spant, zijn abstracties dodelijk en staan ze op gespannen voet met de open werkelijkheid van historie, natuur, traditie en religie.

Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat Nisbet’s gedachten een bonte mengeling waren van paleoconservatieve, localistische en paleolibertaire ideeën; in onze tijd een revolutionaire cocktail. Maar Nisbet was met zijn verholen verwijzing naar de Conservatieve Revolutie niet de enige Amerikaanse paleoconservatief die dit deed. Ook de in 2005 overleden Samuel Francis deed soortgelijke uitlatingen:

“…the Old Right, which, taking Edmund Burke as one of his principal icons, emulated Burke in formulating what was essentially a defense of an existing order. To the Old Right, post-World War II America was analogous to the old regime that Burke defended against the French Revolution and Enlightement. (…) In theory, many of the Old Right saw that this claim was untrue – Richard Weaver and the Southern Agrarians, in particular, were fairly explicit in their rejection of the modern, secularized, materialistic, and basically repressive regime that had triumphed in the United States.”

Nisbet beschrijft in zijn genoemde boek hoe een land, een cultuur wordt getransformeerd tot haar tegendeel; Nisbet beschrijft – met andere woorden – een revolutie. Francis doet hetzelfde wanneer hij Garet Garett citeert, die al in 1936 zag:

“There are those who still think they are holding the pass against a revolution that may be coming up the road. But they are gazing in the wrong direction. The revolution is behind them. It went by in the Night of Depression, singing songs of freedom.”

Conservatief zijn voldoet dus niet meer. Wat valt er te conserveren nu de orde is omgedraaid en de eeuwenoude erfenis der vaderen met een grote boog achter de linies is geworpen? – de linies van waarachter – naar het schijnt – islamieten en andere vijanden een aanval op ons beramen? De revolutie ligt achter ons. Ertegen zijn heeft dus geen zin. Doen alsof er niets is gebeurd – hetzelfde als er principieel tegen zijn – kan dus ook niet meer.

Francis ziet als enige oplossing de radicaal conservatieve houding, vergelijkbaar met de contrarevolutionaire houding. Maar de benaming radicaal conservatief is beter. Het gaat ons niet om de reactie of om een zoveelste revolutie. Het gaat ons niet om een maakbaarheidsgeloof dat – met of zonder wapens – meent een nieuwe gewelddadige orde te kunnen vestigen. De conservatieve missie is beperkt: het creëren en behouden van openheid.

Wat bedreigt deze openheid? Allereerst de liberale rechtsstaat. Deze ziet zichzelf als einde van alle dingen. Bedrieglijkheid is haar aard. Met valse oorlogsvoorstellingen probeert ze iedereen zo gek te krijgen alle woede en wantrouwen op een islam te richten. Ik geef toe: de islam is een probleem, maar ze is een beperkt probleem. De islam is een van de weinige bastions tegen een oprukkend wereldomvattend systeem van liberale democratie en gelijkheidsdenken. Net als China en Rusland dat zijn. We moeten onze weerzin tegenover een islam terzijde stellen en onze volle weerzin richten op de moderniteit.

Dat islamieten hier zijn is een gevolg van deze moderniteit die met mensen sleept alsof het lege hulzen zonder religie, natie en afkomst zijn. En: nu is de islam de vijand, straks is het China of Rusland. Steeds verschuift de vijand, maar de arrogantie van het modernisme blijft. En de agressie ook. Niet tegenover de officiële vijanden als islam, China of wat dan ook, maar tegenover de eigen bevolking, haar morele besef en haar cultuur.

Het lezen van mannen als Nisbet en Francis is een verademing voor een Europeaan anno nu. Niet dat een echte Europeaan op een masochistische wijze zichzelf als grootste probleem zou moeten zien, maar omdat bij hen een zuiverder en eerlijker wijze van denken naar buiten treedt dan bij veel (conservatieve) Europeanen.

Ons wordt door menigeen aangepraat dat het erop of eronder is voor het westen. Maar elk geloof in een laatste slag is gevaarlijk. Wanneer we dan verliezen is alles voorbij. Wanneer we winnen zijn we voor eeuwig overgeleverd aan de moderniteit. En de kans is groot dat we defaitistisch zullen worden, ons zullen terugtrekken, of – het meest waarschijnlijk – dat we ons zullen aanpassen en zullen collaboreren met de moderniteit.

We moeten de liberalen de oorlog met islamieten en anderen laten uitvechten. Laat ons echter onze eigen oorlog uitvechten. Allereerst tegen de moderniteit, pas daarna tegen de islam. Want niet de islam, maar de reactie die een islam teweeg brengt, is een groot gevaar voor onze cultuur. Klassieke vijanden zijn er altijd geweest. Moderne vijanden zijn veel gevaarlijker. Die vreten aan je ziel, tasten je waardigheid aan, beetje bij beetje. De laatste veldslag moet worden uitgesteld, uitgesteld tot de legerleiding is vervangen en er een nieuwe vijand is aangewezen.

[Licht gewijzigde versie van eerder, in Bitterlemon Magazine 2007, verschenen artikel.]

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.