Charles Taylor legt in ‘de malaise van de moderniteit’ de vinger bij het gegeven dat, ondanks dat de maatschappij zich ontwikkelt, men verlies of achteruitgang ervaart, oftewel malaise.

Taylor diagnosticeert drie kwalen die deze malaise uitmaken, “kwalen van de moderniteit. Daarmee bedoel ik eigenschappen van onze hedendaagse cultuur en maatschappij die men ervaart als verlies of achteruitgang, ondanks het feit dat onze beschaving ‘zich ontwikkelt’. Soms heeft men het gevoel dat er de laatste jaren of tientallen jaren een belangrijke achteruitgang is opgetreden – bijvoorbeeld sinds de Tweede Wereldoorlog of de jaren vijftig. En soms ervaart men een verlies over een veel langere historische periode [..]. Maar hoewel de tijdschaal sterk kan verschillen, is er een bepaalde overeenstemming inzake de thematiek van de achteruitgang.”

De Canadese filosoof onderscheidt hier twee centrale thema’s en een derde die van die twee afgeleid kan worden. Ten eerste het individualisme, ten tweede het primaat van de instrumentele rede en ten derde het verlies aan (politieke) vrijheid.

Individualisme

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Taylor constateert dat individualisme enerzijds door veel mensen als de meest innemende vrucht van de moderne beschaving gezien wordt. Mensen hebben tegenwoordig meer vrijheid, meer mogelijkheden om hun leven naar eigen voorkeur in te vullen, dan hun voorouders. Men is niet meer zo gebonden aan bevoogdend patriarchaal of feodaal gezag; men is vrijer om zelf te kiezen als het bijvoorbeeld gaat om bestaansmiddelen en overtuigingen.

Terwijl volgens sommigen de mens nog niet vrij genoeg is van allerlei banden, voelen anderen een aarzeling. De bevrijding van het individu uit sociale en culturele banden is namelijk gepaard gegaan met het loslaten van bepaalde ethische horizonten. Dezelfde rangordes die het individu beperkten in zijn keuzemogelijkheden, verleenden namelijk ook betekenis aan de wereld en aan allerlei sociale activiteiten. Sociale mores hadden meer dan een louter instrumentele betekenis. De ontwaarding van deze ordes is zodoende gepaard gegaan met de ‘onttovering’ van de wereld, dat overschot aan betekenis is eraf gegaan.

Bij de bevrijding van het individu is hij met andere woorden ook iets kwijt geraakt, namelijk de bredere sociale en kosmische horizonten van het handelen. Het besef dat men deel uitmaakt van een groter geheel en dat het eigen handelen daarin een plaats heeft. Mensen hebben zodoende geen gevoel meer voor het hogere of voor iets groters dat het waard is om voor te sterven, maar zijn daarentegen geneigd zich uit te leven in vulgaire geneugten, zoals Alexis de Tocqueville al vaststelde. Kierkegaard spreekt in dit verband van een gebrek aan hartstocht en Nietzsche zag het dieptepunt van deze neergang, zijn ‘laatste mensen’ streven naar niets hogers meer, als ze zich maar comfortabel voelen.

Dit verlies aan zin was gekoppeld aan een blikvernauwing; mensen gingen zich in de eerste plaats op hun individuele leven richten. De keerzijde van het individualisme is de concentratie op het zelf, zegt Taylor, daardoor wordt ons leven armer aan betekenis en minder betrokken op anderen of de samenleving.

Primaat van de instrumentele rede

Met instrumentele rede bedoelt Taylor “het soort rationaliteit waarvan wij gebruik maken wanneer wij berekenen wat de meest economische toepassing van middelen is voor een gegeven doel.” Succes wordt dan afgemeten aan maximale efficiëntie, de beste verhouding van kosten en baten. Met het vervagen van de oude ordes is het bereik van de instrumentele rede vergroot. Zodra bepaalde maatschappelijke ordeningen en handelwijzen namelijk niet meer gegrond zijn in een hogere orde, zijn we vrij om ze opnieuw te ontwerpen. Daarbij is dan echter de instrumentele rede bepalend.

Dit heeft ertoe geleid dat veel mensen bang zijn dat de instrumentele rede op alle terreinen van het leven bepalend wordt; dat ethische overwegingen daardoor terzijde worden geschoven, zodat uiteindelijk zelfs mensenlevens in termen van kosten en baten uitgedrukt worden.

Het primaat van de instrumentele rede zien we volgens Taylor ook duidelijk terug in het aanzien dat de techniek in onze cultuur heeft. Dit brengt ons er volgens de filosoof toe, zelfs in die gevallen naar een technische oplossing voor een probleem te zoeken, waar dat niet de aangewezen weg is. Deze economisering en het al te snel grijpen naar technische oplossingen zien we ook duidelijk in de politiek. Maar ook op het gebied van de geneeskunde is wel gezegd dat de aandacht voor de gezondheid van de mens als volledige persoon wordt verdrongen door een technologische benadering. Zodoende wordt het belang van menselijke zorg in vergelijking met technisch specialisme onderschat.

De instrumentele rede heeft niet alleen een groter bereik gekregen door het ontwaarden van de oude sociale ordes, maar deze ontwikkeling van individualisering is op haar beurt weer versterkt door de dominante plaats van de techniek. Zo stelden Karl Marx en later Hannah Arendt al vast dat moderne gebruiksvoorwerpen een steeds kortere levensduur hebben en zo veel minder betekenis hebben dan de vaste, veelzeggende voorwerpen waarmee mensen zich vroeger omringden.

Volgens Taylor neemt dit gevoel van bedreiging toe doordat het niet slechts gaat om een onbewuste oriëntatie. Er zijn namelijk ook sociale mechanismen die ons deze kant uit drijven. Zodat individuen vanwege een beperkte economische rationaliteit, een zekere marktlogica, zich soms genoopt zien beslissingen te nemen, die ze uit andere, sociale of morele overwegingen onmenselijk of onverstandig achten. Weber spreekt in verband met deze onpersoonlijke mechanismen van ‘de ijzeren kooi’. Sommigen trekken hieruit wel de conclusie dat wij machteloos staan tegenover dergelijke krachten, zolang we de vigerende institutionele structuren – dat wil zeggen de markt en de staat – aanhouden. Hoewel hij het er mee eens is dat het niet alleen om individuen gaat, maar er ook institutioneel iets moet veranderen, acht Taylor de bovengenoemde visie te radicaal en totaal. Hij vindt het zinvol te overwegen wat onze doelstellingen moeten zijn en of de instrumentele rede een kleinere rol in ons leven moet spelen dan nu het geval is.

Verlies aan politieke vrijheid

Het toegenomen individualisme en het grotere bereik van de instrumentele rede hebben ook gevolgen voor de politiek. Zo beperken de instellingen en structuren van de technisch-industriële maatschappij onze keuzemogelijkheden. Zowel het individu als de maatschappij worden hierdoor gedwongen  meer gewicht te geven aan de instrumentele rede dan ze bij serieuze ethische afweging zouden doen. Zo hebben we bijvoorbeeld grote moeite met het bestrijden van milieurampen als de aantasting van de ozonlaag, terwijl die uiteindelijk zelfs het menselijk bestaan bedreigen.

Deze depolitisering van de politiek gaat gepaard met de terugtrekking van veel individuele burgers uit het politieke en maatschappelijke leven. Zolang de overheid maar de middelen ertoe verschaft en voor de verspreiding ervan zorgt, richten deze mensen zich liever op wat het privéleven aan bevrediging biedt. Dit brengt volgens Taylor het gevaar met zich mee van een nieuwe, typisch moderne vorm van tirannie, door De Tocqueville ‘zachte’ tirannie genoemd. Dat is een tirannie waarbij de overheid geen gebruik maakt van terreur en onderdrukking, maar juist mild en paternalistisch, als een ‘immense bevoogdende macht’ alles in banen leidt, zonder de mensen nog wezenlijk te betrekken dan slechts voor de vorm. Het atomisme van een samenleving van op zichzelf gerichte individuen werkt dit in de hand. De participatie in sociale verbanden neemt af, waardoor het individu uiteindelijk alleen komt te staan tegenover een enorme bureaucratische staat en zich zodoende terecht machteloos voelt. Daarmee verliest de burger de greep op zijn politieke lot.

Samenvattend gaat het bij de drie kwalen dus om:

  1. een verlies aan zin, het verflauwen van morele horizonten;
  2. een verlies aan doelstellingen ten koste van een welig tierende instrumentele rede;
  3. een verlies aan vrijheid.

♦♦♦

Taylor laat in De malaise van de moderniteit duidelijk de paradox uitkomen dat wat als vooruitgang gezien werd en wordt, de bevrijding van het individu uit allerlei sociale (ver)banden, ook een achteruitgang met zich meebrengt, waar het gaat om zin en doel van het individuele en maatschappelijke leven. De vergroting van de negatieve vrijheid van het ‘niet gebonden zijn aan’ waardoor het individu voor zichzelf kan kiezen, gaat paradoxaal genoeg samen met een verkleining van onze positieve vrijheid om over ons eigen (politieke) lot te beschikken. Door ons te ontworstelen aan knellend geachte intermediaire verbanden, komen we als individu op zich machteloos te staan tegenover grotere tendensen en verbanden, de marktlogica die steeds meer terreinen van het leven in haar macht krijgt en de onverbiddelijke bureaucratische staat.

Dit gevoelen dat in onze tijd breed leeft, is volgens Taylor terug te voeren op ontwikkelingen die zijn ingezet met de Verlichting en de democratisering, vanaf het geleidelijk verdwijnen van het ancien régime na de Franse Revolutie. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat Taylor herhaaldelijk De Tocqueville aanhaalt, die als gematigde liberaal dezelfde ambivalente houding ten opzichte van de moderniteit heeft als Taylor laat zien.

Met de Industriële Revolutie verdwijnen de laatste resten van de oude orde, neemt de sociale mobiliteit toe en daarmee de gebondenheid aan een vaste omgeving en lokale gemeenschap af. De mensen van klein vermogen zijn weliswaar geen horigen meer, maar dan toch loonslaaf geworden. Hier haalt Taylor dan ook de kritiek van bijvoorbeeld Karl Marx aan. Bij alle kritiek die Marx ook had, wilde hij echter niet terug, maar zag hij een noodzakelijkheid in de geschiedenis. Uiteindelijk geloofde hij evenals de liberalen in de vooruitgang, had alleen een ander einddoel in gedachten. Het is dan wel ironisch dat in de analyse van Taylor uiteindelijk de welvaart, met alle comfort en geneugten van dien, in het late kapitalisme een soort ‘opium voor het volk’ is geworden. Waarbij het bevrijde maar daarmee ook op zichzelf teruggeworpen individu machteloos komt te staan tegenover de grootheden van markt en staat. Verdoofd door comfort en amusement voelt het individu daar in veel gevallen echter ook geen behoefte meer aan. Ziedaar Nietzsches ‘laatste mens’, een consumptiedier zonder aspiraties die de individuele bevrediging ontstijgen.

N.a.v. Charles Taylor, De malaise van de moderniteit (Kampen: Kok Agora, 1994).

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.