Mariniers zonder winterkleding voor een oefening in Noorwegen, onaanvaardbare hoeveelheden stikstofmonoxide op een schietbaanvoortdurende integriteitskwesties: Defensie staat er niet goed op. In de hoop dat militairen geen narigheid meer lekken naar de pers, kondigde bevelhebber Rob Bauer onlangs een intern meldpunt aan. Spijtig voor hem onthullen veteranen aan Novini wéér een schandaal.

De uiteindelijk dramatisch verlopen missie in Srebrenica begon in 1994. Dutchbat was gelegerd in een oude accufabriek in het naburige Potočari. Het terrein stond vol met achtergelaten zware metalen en chemicaliën zoals lood en accuzuur. Er bevond zich zelfs een open vat met radioactief materiaal. Vlak naast de basis lagen onafgedekte bergen witte asbest.

Bergen wit asbestpoeder, open en bloot (© Privécollectie Remko de Bruijne)

Serge Janssen was soldaat van de eerste lichting Dutchbatters: „Door eerdere gevechten was de fabriek deels kapotgeschoten. Het was er een grote teringzooi. ‘Loodbroodjes’ lagen overal – wij hebben alles aangeveegd. We stonden niet stil bij de gevaren van die chemische zooi, al hoestten we later zwart slijm op. Achteraf werden er wel linten gespannen om de plekken waar je niet moest komen.”

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Volgens Ronald Geval, indertijd adjudant van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD), was de chemische vervuiling bij Defensie bekend. Toch werd de legerbasis op het terrein gevestigd. Vanuit de enclave meldde hij zijn zorgen aan het ministerie. ‘Persgevoelige gegevens’, noteerde men in Den Haag. Ook berichtte hij over de bergen asbest. Die konden niet worden afgedekt, aangezien de uitrusting ontbrak ‘welke geschikt is om met deze carcinogene (kankerverwekkende, red.) stof te kunnen werken’.

Het water stroomt langs en door de bergen asbest (© Privécollectie Ronald Geval).

In het voorjaar van 1995 overstroomt na hevige regenval het riviertje Križevica, dat langs het kampement loopt. Water en modder vermengen zich met het asbest en dit alles verspreidt zich over het fabrieksterrein. „Deze modder is voor een groot deel verwijderd”, schrijft de adjudant in een verslag. „Wíj ruimden dit giftige materiaal op – zonder beschermende kleding of gezichtsmaskers”, onthult oud-soldaat 1e klas Remko de Bruijne. „Een officier beval het ons. Ik heb foto’s gemaakt waarop je ons de troep ziet wegscheppen.”

Kloten

Veteraan Henk van den Berg, 20 jaar destijds, had geen idee waaraan hij werd blootgesteld: „Iedereen die geen dienst had, moest meehelpen. Pas in de weken daarna werd ons duidelijk dat het om asbest ging.” De Bruijne verklaart: „Het werd ons verboden erover te praten.” Dit spreekverbod, uitgevaardigd door een officier, wordt bevestigd in het Feitenrelaas Srebrenica dat het ministerie naar de Tweede Kamer zond in de zomer van 1999. Ook de volksvertegenwoordiging werd toen gelast deze informatie voor zich te houden.

De asbestmodder werd slechts deels verwijderd en de achtergebleven blubber droogde op in de zomerhitte. Zodra er legervoertuigen overheen reden of het hard waaide, ontstonden stofwolken waardoor de militairen asbest inademden. „Dit vormt een groot gevaar voor de gezondheid van het personeel”, legt Ronald Geval vast in een verslag dat de Koninklijke Landmacht liever buiten het zicht van de pers wilde houden.

In zomertenue verwijderden Dutchbatters het asbest (© Privécollectie Remko de Bruijne).

De adjudant neemt dertien monsters van de vervuiling ‘daar mijn gezondheid en die van mijn collega’s mij zeer aan het hart gaat’. Ook maakt hij foto’s. Twee marechaussees maken proces-verbaal op. Op een plattegrond tekenden ze hoe de modderstroom zich over de hele basis had verspreid. Van de monsters worden er slechts tien onderzocht door de Dienst Militaire Gezondheidszorg (DMG) in Utrecht. Drie blijken inderdaad witte asbest te bevatten. De conclusie van DMG: er heeft ‘geen merkbare verspreiding’ van asbest over het complex plaatsgevonden. De manschappen zouden ‘geen onverantwoord risico’ hebben gelopen.

„Dus Defensie wil beweren dat als er dertien kogels op me worden afgevuurd waarvan er drie raak zijn, ik ‘geen onverantwoord risico’ heb gelopen?” reageert Remko de Bruijne. „In theorie klinkt het leuk, maar in de praktijk ben ik dan wel overleden.” De officiële meldingen van adjudant Geval worden niet gewaardeerd door de Dutchbatleiding: „Ik kreeg op mijn kloten van majoor Rob Franken, de plaatsvervangend commandant. Die wilde geen onrust.”

Gesmokkelde foto’s

Remko de Bruijne wordt begin 1995 als schutter uitgezonden naar Srebrenica. Hij neemt een paar wegwerpcamera’s mee. In juli wordt de moslimenclave aangevallen door Servische troepen en na dagenlange beschietingen zit De Bruijne zonder munitie. Wanneer Srebrenica is gevallen, krijgt hij de taak bussen met evacuees te escorteren naar moslimgebied.

Schutter Remko de Bruijne op zijn observatiepost (©Privécollectie Remko de Bruijne)

De soldaat 1e klas wordt vervolgens gegijzeld door Servische militairen. Zijn uitrusting én fotocamera’s worden hem afgenomen. Ondergebracht in Novo Kasaba probeert hij tevergeefs tientallen moslims te bevrijden voordat ze worden geëxecuteerd. Als hij na drie dagen wordt vrijgelaten, heeft hij alleen zijn camera’s weten terug te stelen.

Bij aankomst in Zagreb wordt nogmaals jacht gemaakt op zijn camera’s: „Ditmaal door de Militaire Inlichtingendienst (MID), de Marechaussee en de Britse inlichtingendienst.” De Bruijne heeft dan al van collega’s vernomen dat fotorolletjes en documentatie in beslag zijn genomen. „Tijdens mijn ondervraging vroegen ze of ik foto’s had. Ik heb nee geantwoord.”

Tijdens zijn verhoor moet hij tekenen voor geheimhouding, maar hij weigert resoluut. Het levert hem nog het nodige gedonder op. Dutchbatters die wel foto’s inleveren, zien deze nooit meer terug. Bij thuiskomst laat De Bruijne zijn rolletjes ontwikkelen in de fotowinkel op de hoek: „Die zijn allemaal gelukt.” Dat kreeg het fotolab van de MID niet voor elkaar.

Besmetting

De onderzoeksresultaten van DMG verbaasden Ronald Geval: „Pas weken na de overstroming wist ik de monsters te verzamelen. Het had veel geregend en er was al veel asbest weggespoeld.” De drie níét-onderzochte monsters kwamen volgens hem juist van plekken dichtbij de oorspronkelijke bergen asbest. De kans op onthutsende bevindingen was dus het grootst bij de genegeerde monsters.

Eind 1999 schrijft hij minister De Grave van Defensie: „Mijn foto’s bewijzen […] dat de mogelijkheid aanwezig is dat personeel van Dutchbat III een asbestbesmetting opgelopen kan hebben. Ik heb nu bijna alle mogelijkheden doorlopen binnen Defensie om dit bekend te maken. En verzoek u om dit tot op de bodem te doen uitzoeken.”

Even later krijgen de bevelhebbers van de krijgsmacht een brief van directeur-generaal personeelszaken Wim Bunnik: „Op basis van de bevindingen [van de Dienst Militaire Gezondheidszorg]  is gemeend dat nadere actie niet nodig was. Achteraf bezien was het echter beter geweest om het betrokken personeel in 1995 op de hoogte te stellen van de bevindingen van het rapport.”

Volgens de Arbowet zijn werkgevers verplicht werknemers te registeren die op hun werk zijn blootgesteld aan asbest. Uit de brief van Bunnik: „Namens de staatssecretaris mag ik u verzoeken na te gaan in hoeverre personeelsleden van uw organisatie in de compound Potočari zijn geweest. Deze personeelsleden dienen te worden geregistreerd.” Hij voegt een conceptbrief bij waarmee de bevelhebbers de veteranen kunnen aanschrijven.

Schofterig

De registratie komt echter nauwelijks van de grond. Ronald Geval: „Pas nadat ik dreigde naar de media te stappen, ben ik geregistreerd – samen met drie collega’s van de EOD. Maar de rest van het personeel heeft de brief nooit ontvangen.” Remko de Bruijne, tot 2010 werkzaam bij Defensie, is evenmin geïnformeerd. Hij staat bij zijn weten ook niet geregistreerd. Monique Bergman, die als 20-jarige bij Dutchbat diende, werd net zomin op de hoogte gesteld door het ministerie: „Ik heb nooit een brief gehad, terwijl ze weten waar ik woon. Ik heb me niet verstopt.”

„Ik ben naar Srebrenica uitgezonden als hospik van Dutchbat III”, zegt Ton de Haan. „Mijn adresgegevens waren wel degelijk bekend, want ik heb tot 2015 bij Defensie gewerkt – uiteindelijk als onderofficier bij de Geneeskundige Dienst. Brieven heb ik nooit gezien. Dit lijkt weer een poging van Defensie om onder haar verantwoordelijkheid uit te komen en de waarheid te verhullen.”

Asbestgerelateerde kanker steekt doorgaans pas decennia later de kop op. Wie niet geregistreerd is, komt in zo’n situatie niet in aanmerking voor een schadevergoeding. „Defensie wil geen verantwoordelijkheid nemen: ze hebben geen zin in schadeclaims”, denkt De Bruijne. „Het zou maar zo kunnen dat ik en mijn oud-collega’s over een paar jaar kanker krijgen.”

„Mensen werden op een gifbelt gezet en moesten hun bek houden”, aldus toenmalig adjudant Geval. „Defensie lapt gezondheidsrisico’s aan haar laars, zelfs nadat de bewijzen op tafel liggen – dat vind ik schofterig. Mensonterend.” Bergman, die eveneens hielp met het ruimen van asbest op de compound: „Het is schandalig. Ik ben er behoorlijk klaar mee.”

Remko de Bruijne: „Defensie koos voor een chemische fabriek als onderkomen, terwijl er legio andere plekken beschikbaar waren. Dan kies je er ook voor mensen bewust zwaar lichamelijk letsel te laten riskeren. Defensie blijft zich maar verschuilen achter achterhaalde documentatie en komt steeds weer met makkelijke uitvluchten. Het misleiden houdt niet op.”

Reacties

Klaas Meijer, woordvoerder ministerie van Defensie:

„De Koninklijke Landmacht heeft in 1994 melding gemaakt van mogelijke milieuverontreiniging op de compound. Daarop zijn maatregelen genomen. De overstroming in 1995 heeft destijds voor onrust onder het personeel gezorgd, de eventuele verdere verspreiding van asbest is toen onderzocht. De onderzoekers concludeerden op basis van metingen dat er geen merkbare verspreiding als gevolg van de overstroming heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft het personeel geen onverantwoord gezondheidsrisico gelopen. Ook het verwijderen van de modder vormde geen bedreiging. Het personeel is hierover destijds helaas onvoldoende geïnformeerd. Omdat in 2000 bleek dat sommige oud-medewerkers zich zorgen maakten, is het Dutchbatpersoneel alsnog de mogelijkheid geboden zich te registreren. Aangezien weinig (oud-)medewerkers zich hadden gemeld, zijn zij in 2002 nogmaals benaderd. Voor zover hun adres bij ons bekend was, is men per brief geïnformeerd. Daarnaast heeft in defensiebladen een oproep gestaan. Voor iedereen die in Potočari is geweest en zich niet geregistreerd heeft, geldt dat dit nog steeds kan – bijvoorbeeld via het Veteranenloket. De kans dat men daadwerkelijk risico heeft gelopen, is echter zeer gering.”

Majoor-vlieger b.d. Victor van Wulfen, lid hoofdbestuur Onafhankelijke Defensiebond:

„Defensie had ook een andere locatie kunnen kiezen voor de legerbasis, zoals de Canadese troepen die eerder in de enclave waren gestationeerd. En moet een met asbest vervuild terrein niet per definitie door experts worden gesaneerd? De informatievoorziening aan de veteranen had men vervolgens professioneler kunnen aanpakken. En het ministerie had zich wat de registratie betreft pro-actief moeten opstellen. Giftige kwesties rondom Defensie nemen al lang niet meer gestaag toe, maar exponentieel. Deze onthullingen rondom de compound van Dutchbat verdienen een diepgravend onderzoek. Kwesties als deze onderstrepen eens temeer de noodzaak van een parlementaire enquête naar veiligheid en integriteit bij Defensie.”

 

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Edwin Giltay

Edwin Giltay volgt de ontwikkelingen rond Dutchbat en Srebrenica op de voet. Zijn eigen ervaringen met Defensie beschreef hij in zijn bij Uitgeverij De Blauwe Tijger verschenen boek De doofpotgeneraal.