Sinds de dekolonisatie besteedt het Westen aanzienlijke fondsen aan ontwikkelingssamenwerking. Desondanks blijft het dikwijls nodig om voedselhulp te bieden. Intussen neemt de bevolking van Afrika snel toe en is in sommige regio’s van dat continent sprake van overbevolking. Hoe bereiken we de situatie waarin voedselhulp overbodig is en Afrika minder afhankelijk wordt van ontwikkelingssamenwerking?

Waar projecten in het kader van ontwikkelingssamenwerking op beperkte schaal veel goeds kunnen betekenen, is het voor de langere termijn echter belangrijk de vraag te stellen naar de economische structuren. Als de economische ontwikkeling op de huidige voet verder gaat, zullen sommige Afrikaanse landen er namelijk niet in slagen op afzienbare termijn economisch op eigen benen te kunnen staan. Dat betekent dat het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft alleen maar zal toenemen. Uit cijfers van het UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de VN, blijkt dat nu al bijna de helft van de 800 miljoen inwoners van Afrika bezuiden de Sahara onder die grens leeft.[1] Laat ik een van de structurele economische problemen in Afrika illustreren aan de hand van een voorbeeld.

Sperziebonen uit hongerend Afrika
Vorig jaar werd de Hoorn van Afrika, een regio die landen als Ethiopië en Somalië omvat, getroffen door een hongersnood. Deze hongersnood werd veroorzaakt door droogte. Ondertussen waren er op de groenteafdelingen van Nederlandse supermarkten sperziebonen en avocado’s uit Ethiopië te vinden en werden in andere Europese landen bijvoorbeeld bloemen uit Ethiopië verkocht. Terwijl water, dat vanzelfsprekend een belangrijke voorwaarde is voor het telen van groenten en bloemen, op dat moment dermate schaars was in de Hoorn van Afrika dat er een droogte en daaropvolgende hongersnood ontstond, was er kennelijk wel genoeg water in Ethiopië om in de behoefte van de telers van groenten en bloemen te voorzien. “Het is moeilijk om de zin in te zien van het systeem, want als we bijvoorbeeld sperziebonen uit Kenya importeren, dan onttrekken we het water dat in die bonen geïnvesteerd is aan een land dat door droogte getroffen wordt, die bonen komen bij ons in de supermarkt te liggen of worden ingevroren en een groot deel wordt uiteindelijk weggegooid in plaats van opgegeten”, aldus hoogleraar Bevolkingsecologie aan de Universiteit van Leeds Tim Benton tegenover EurActiv. Ethiopische ambtenaren stellen desgevraagd dat men de inkomsten uit de export van groenten en bloemen niet kan missen.[2]

Hier zien we een nadeel van het EU-beleid ten aanzien van de ontwikkeling van de zogenaamde ACP-landen (Afrika, Caraïben en eilanden in de Pacifische Oceaan). Door middel van dit programma heeft de EU diverse Afrikaanse landen economisch aan zich gebonden. Sinds de start in 1957 is de handel tussen Europa en de Afrikaanse ACP-landen verdubbeld. Volgens het meest recente rapport van de Europese Commissie is de Europese Unie verantwoordelijk voor circa 40% van de Afrikaanse export.[3] Daarnaast exporteert men met name naar Noord-Amerika en de rest van de wereld. De onderlinge handel tussen Afrikaanse landen is echter gering. Sinds de dekolonisatie heeft Europa door Afrikaanse economieën aan zich te binden de directe noodzaak weggenomen om economische relaties tussen nabijgelegen Afrikaanse landen tot stand te brengen. Zo kan het gebeuren dat in een Afrikaans land een voedseloverschot is, terwijl er in een naburig land hongersnood is. En het kan dus zelfs, zoals hierboven geschetst, gebeuren dat een land zelf grote hoeveelheden voedsel exporteert terwijl het voedselhulp ontvangt.

Leiders van de 53 leden van de Afrikaanse Unie hebben recent dan ook ingestemd met een plan om regionale handel te stimuleren.[4] Het economische samenwerkingsverband ECOWAS (Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten), dat beperkt succes heeft gehad in het economisch integreren van de landen aan de Golf van Guinee, biedt hiervoor een goed voorbeeld. Papier is echter geduldig en het zal een grote investering vragen om alleen al de nodige infrastructuur voor handel tussen sommige Afrikaanse landen tot stand te brengen.

Beperkte protectionistische maatregelen
Het stimuleren van handel tussen Afrikaanse staten onderling is een belangrijke stap op de weg naar een voortvarender economische ontwikkeling, er zijn echter ook andere problemen. Zo worden de sperziebonen en andere groenten en planten die Europa uit de Hoorn van Afrika importeert, bijvoorbeeld dikwijls door boeren uit landen zoals India verbouwd. Sommige niet-Afrikaanse staten kopen of leasen zelfs grond in Afrika voor hun boeren, waarop dan gewassen verbouwd worden voor export als voedsel of biobrandstof. Deze economische activiteit komt zodoende nauwelijks ten goede aan de economische ontwikkeling van Afrika, zeker wanneer buitenlandse boeren hun eigen werknemers meenemen. Een oplossing van dit probleem vraagt dat Afrikaanse regeringen de verleiding kunnen weerstaan om snel geld in het laatje te brengen door grond te verkopen of leasen aan andere staten of buitenlandse boeren. Daarnaast zou er geïnvesteerd moeten worden in de opleiding van inheemse boeren. Dit gevoegd bij het stimuleren van handel tussen Afrikaanse landen zou een structureel gezondere economische ontwikkeling van Afrika mogelijk kunnen maken.

Afrika kan echter niet van de kelder op de zolder springen. De infrastructuur voor grootschalige handel tussen Afrikaanse landen onderling is niet in voldoende mate aanwezig. Ook is niet te verwachten dat Afrikaanse regeringsleiders in staat zullen zijn het lange termijn belang van de eigen economie in alle gevallen voor het belang van de staatsbegroting op korte termijn te stellen. Op korte termijn zullen Afrikaanse landen zich er dus vooral op moeten richten meer in de behoeften van hun eigen markt te gaan voorzien in plaats van zich vooral op export van landbouwproducten te richten, terwijl anderzijds weer gesubsidieerde producten uit de intensieve Westerse landbouw gedumpt worden op Afrikaanse markten. Europa en Noord-Amerika zouden Afrika alvast een gunst kunnen bewijzen door landbouwsubsidies af te bouwen. Dit ligt in desbetreffende landen politiek echter zeer gevoelig en vraagt daarbij coördinatie tussen Europa en Noord-Amerika. In de tussentijd zouden Afrikaanse landen voor een beperkt aantal producten protectionistische maatregelen kunnen treffen. Dat wil zeggen dat over die goederen een importheffing geheven wordt, waardoor ze duurder worden. Doordat de prijs van die goederen stijgt wordt het voor binnenlandse producenten aantrekkelijker om deze goederen te produceren. Nu is het in veel Afrikaanse landen nog zo dat bepaalde eerste levensbehoeften zoals voedingsmiddelen en textiel die men ook in die landen zelf zou kunnen produceren geïmporteerd moeten worden. Door importheffingen ten aanzien van deze producten zou de prijs daarvan voor de individuele consument weliswaar toenemen, de welvaart van het land als geheel neemt echter meer toe.[5]

Echt eerlijke chocola is nog duurder
In het Westen kan men natuurlijk ook privaat initiatief nemen om een economische verandering te weeg te brengen. Consumenten zouden er op kunnen letten seizoensgroenten van eigen bodem te eten in plaats van groenten die uit Afrika geïmporteerd zijn. Een andere manier van privaat initiatief zijn de zogenaamde fair trade-producten die inmiddels steeds meer ingeburgerd raken. Uit onderzoek van het Nederlands Dagblad en het Forum for African Investigative Reporters (FAIR) blijkt echter dat cacaoboeren maar weinig terug zien van wat ‘eerlijke chocola’ meer kost.[6] Cacaoproducerende landen – en hetzelfde geldt voor andere landendie dergelijke gewilde grondstoffen produceren, kunnen er zelf een voornamere en effectievere rol in spelen dat hun eigen boeren een goede prijs krijgen voor hun cacao. Ten voorbeeld kunnen deze landen kijken naar de olieproducerende landen. Veel olieproducerende landen zijn voor een groot deel van hun economische voorspoed afhankelijk van de export van olie, nu is dat op zichzelf niet iets om een voorbeeld aan te nemen, maar wel het gegeven dat deze landen zich op enig moment georganiseerd hebben in de OPEC. Zoals de befaamde Britse econoom Fritz Schumacher in een van zijn boeken beschrijft,[7] hadden de olieproducerende landen tot in de jaren zestig steeds meer olie geproduceerd om zo meer inkomsten te genereren. In de jaren zestig begonnen deze landen zich echter te realiseren dat ze door minder olie te produceren het aanbod van olie konden verkleinen, waardoor de prijs omhoog ging. Zo konden ze meer geld binnen krijgen voor minder olie. De olieproducerende landen creëerden met andere woorden schaarste. Iets dergelijks zouden bijvoorbeeld ook de cacaoproducerende landen kunnen doen. Cacao is immers een gewild product dat in allerlei meer of minder exclusieve genotsmiddelen verwerkt wordt. Door schaarste te creëren zouden cacaoproducerende landen een grote winst kunt halen uit de cacao, dit zou zowel de individuele cacaoboeren ten goede kunnen komen als de welvaart van desbetreffende landen vergroten, doordat er meer geld in die economieën in omloop komt, wat weer tot investeringen in andere sectoren kan leiden.

Regionale klimaatverandering
Klimaatverandering is een factor die voor onzekerheid kan zorgen in de ontwikkeling van Afrikaanse economieën, zo krijgt men met overstromingen of juist extreme droogten te maken. Wat het precieze effect van klimaatverandering op deze zaken is, is moeilijk vast te stellen. Er heerst bij veel mensen echter ten onrechte het beeld dat slechts iets tegen klimaatverandering te doen is door in mondiaal concert bepaalde maatregelen te treffen. Klimaten verschillen echter per regio en zijn altijd aan verandering onderhevig. Er worden soms felle discussies gevoerd over de vraag hoe groot de rol van de mens is in de klimaatverandering en of klimaatmaatregelen wel zoden aan de dijk zetten. Feit is dat klimaatverandering op regionale schaal zeer goed mogelijk is en dat hier geen sprake hoeft te zijn van eenrichtingverkeer. Het klimaat kan kortom ook verbeteren. Het probleem met lange periodes van droogte is bijvoorbeeld dat de vegetatie aangetast kan worden, waardoor de oorspronkelijke vegetatie uiteindelijk zelfs kan verdwijnen. In zulke gevallen treedt verwoestijning op. De vegetatie verandert doordat de waterhuishouding van een regio verandert, het omgekeerde geldt echter ook, de waterhuishouding van de regio verandert doordat de vegetatie verandert. Begroeiing speelt immers een belangrijke rol in de manier waarop regenwater wordt opgenomen in de bodem en de manier waarop water verdampt om wolken te vormen.[8]

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


verwoestijning

Bijvoorbeeld in Noord-Afrika zijn er veel verwoestijnde plaatsen die zich goed lenen voor een lokale positieve klimaatverandering. Het gaat dan bijvoorbeeld om opgedroogde beddingen van meren en rivieren, voormalige oases. Door op een zuiniger manier met het irrigatiewater uit de Nijl om te springen zou bijvoorbeeld in Egypte een groter gebied dan het gebied dat direct grenzend aan de Nijl tot bloei gebracht kunnen worden.[9] Ook westelijker in Noord-Afrika is het technisch mogelijk om gebieden die vroeger groen en weelderig begroeid waren opnieuw te doen opbloeien. Door sommige opgedroogde meren via een besluist kanaal met de Middellandse Zee te verbinden kan bijvoorbeeld een nieuw meer gecreëerd worden. Het zoute water in dat meer kan vervolgens gezuiverd worden door een waterontziltingsinstallatie, die kan aangedreven worden door zonne-energie. Zo kan uiteindelijk een zoetwatermeer ontstaan dat gebruikt kan worden om de nabije omtrek van het meer te irrigeren. Na verloop van tijd ontstaat zo opnieuw een oase. De toename van de begroeiing heeft vervolgens op zijn beurt een positieve impact op het lokale klimaat en met name de waterhuishouding.[10] Een en ander vraagt vanzelfsprekend een forse investering, een investering echter die perspectief biedt op het economisch opbloeien van een regio.

Afrika bezit kortom een economisch potentieel dat nog lang niet volledig benut wordt, laat staan op de juiste wijze ingezet. Hier liggen grote uitdagingen, in de eerste plaats voor Afrikaanse landen zelf. Het Westen zou vooral een zekere economische terughoudendheid ten aanzien van Afrika in acht moeten nemen om Afrikaanse landen de kans te geven bepaalde stappen te nemen. Bij het inzetten van grote sommen ontwikkelingsgeld zouden Westerse staten oog moeten hebben voor het bevorderen van economische structuurontwikkelingen die Afrikaanse landen in staat stellen op termijn zonder ontwikkelingssamenwerking te kunnen.

 


[1] www.web.undp.org ‘Poverty reduction and the MDGs’ geraadpleegd op 29 november 2012.

[2] www.euractiv.com ‘EU’s food imports pose ‘tricky balance’ for hungry Africans’ op 19 november 2012.

[3] www.ec.europa.eu ‘EU agricultural trade with African, Caribbean and Pacific (ACP) countries’, juli 2012.

[4] Zie noot 2.

[5] Een verdere uitleg van de werking van deze vorm van protectie en een cijfermatig voorbeeld laten we kortheidshalve achterwege. Een goede uitleg is bijvoorbeeld te vinden in: Hilaire Belloc, Economie voor iedereen (Heemstede, 1939) 108-120.

[6] ‘Fairtrade chocola met bittere smaak’ in Nederlands Dagblad, 10 november 2012.

[7] E.F. Schumacher, Good Work (London, 1979) 5-15.

[8] René Fransen, ‘Regenwoud maakt regen’ in Nederlands Dagblad, 6 september 2012.

[9] Een ander project dat meer gedetailleerd is uitgewerkt, is het Qattara Depression Project, dat niet alleen het locale klimaat zou verbeteren maar ook elektriciteit opwekken, Zie bijvoorbeeld het lemma hierover in de engelstalige versie van Wikipedia.

[10] Zie bijvoorbeeld www.bioticregulation.ru  voor diverse publicaties van A.M. Makarieva en V.G. Gorshkov.


Zicht
Zicht VoedselvoorzieningDit artikel verscheen in Zicht 2012-4: Verzuilen of verzilten.

De nieuwste editie van het kwartaaltijdschrift Zicht belicht verschillende kanten van het eten op ons bord. Waar komt het vandaan? Is het op een verantwoorde manier vervaardigd? Wie zijn de producenten en met welke vragen en problemen worden zij geconfronteerd? Is voedsel met E-nummers nu gevaarlijk of behoort de onrust hierover tot de categorie ‘broodje aap’?

Vanaf 2012 heeft Novini een eigen rubriek in het tijdschrift Zicht onder de naam Worldview. Zicht is een kwartaaluitgave van het Wetenschappelijk Instituut van de SGP. Meer info over Zicht vindt u hier.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Geef een reactie