Een onderzoekscommissie van de Noorse regering die de relatie met de Europese Unie moest onderzoeken heeft onlangs haar rapport uitgebracht. Het rapport concludeert dat Noorwegen ‘zowel binnen als buiten’ de EU staat. Noorwegen is namelijk geen lid van de Unie, maar maakt wel deel uit van de Europese Economische Ruimte (EEA) en de Schengenzone. Om deel uit te maken van deze overeenkomsten heeft Noorwegen veel Europese regelgeving moeten doorvoeren, terwijl ze als non-lidstaat geen inspraak heeft bij de totstandkoming van die regelgeving. Dit zou als argument kunnen dienen voor de Noorse regering om toetreding tot de EU voor te stellen. Zowel de Noorse regering als de oppositie is daar echter sterk verdeeld over. Bovendien laten recente peilingen zien dat de weerstand onder de bevolking groter is dan ooit tevoren, maar liefst 76% van de Noren zou willen dat hun land buiten de EU bleef. De Noorse bevolking heeft toetreding tot de EU reeds twee maal afgewezen in een referendum. De eerste keer in 1972 toen Denemarken zich bij de Europese Gemeenschappen aansloot en de tweede keer in 1994 toen Zweden en Finland besloten zich bij de EU aan te sluiten.

Europese Vrijhandelsassociatie

In donkergroen de huidige EFTA-lidstaten, in lichtgroen voormalige lidstaten die nu tot de EU behoren

Die Noordse buren van Noorwegen hadden voor die tijd allemaal deel uitgemaakt van de Europese Vrijhandelsassociatie (EFTA). De EFTA is een verdragsorganisatie die momenteel nog Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en IJsland omvat, maar op zijn hoogtepunt in 1970 bestond uit 9 perifere landen in non-communistisch Europa, namelijk de genoemde Noordse landen, de militair neutrale Alpenrepublieken Zwitserland en Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Portugal.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


De EFTA was een alternatief voor de Europese Economische Gemeenschap van Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux-landen, maar dan met een beperktere doelstelling, waar de EEG zich al snel ging bezig houden met de harmonisering van allerlei regelgeving en geleidelijk tot steeds meer politieke integratie leidde, concentreerde de EFTA zich vooral op vrijhandel. Doordat deze samenwerking anders dan die in de EG vooral gestempeld werd door economisch pragmatisme en niet zo zeer door politiek idealisme, of althans andere politieke overwegingen dan zuiver pragmatisch economische, was het bijvoorbeeld ook mogelijk voor het Portugal van Salazar, dat geen liberale democratie en een alternatief economisch systeem kende, om deel te nemen.

De EFTA vormde dus een pragmatisch alternatief in het perifere Europa voor de meer idealistische, diepere integratie in het centrale Europa ten westen van het IJzeren Gordijn. Sinds echter het Verenigd Koninkrijk en Denemarken in 1973 de EFTA verlieten en zich aansloten bij de EG, ging het langzaam bergafwaarts met de EFTA. Geleidelijk werden er meer lidstaten afgepeld die zich op hun beurt bij de EG aansloten, eerst in 1986 Portugal, dat na de Anjerrevolutie van 1975 veel steun van de andere EFTA-landen had ontvangen uit het Portugalfonds, en in 1995 sloten ook Oostenrijk, Zweden en Finland zich aan bij de EU.

Mede omdat de mate van politieke integratie in de EU veel hoger ligt, gelden voor landen die toetreden tot de EU echter allerlei criteria, zo worden lidstaten in ieder geval geacht liberale democratie en een vrije markteconomie in kapitalistische zin kennen. Het vooruitzicht van toetreding tot de EU is een effectieve hefboom gebleken om hervormingen op deze gebieden en op het gebied van rechtsstaat en -handhaving af te dwingen. Ook dit instrument blijft echter onderhevig aan politiek idealistische invloeden, zo is door verscheidene politici gesteld dat de toetreding van Roemenië en Bulgarije prematuur was.

Crisis van de Europese integratie

Het ironische is echter dat naarmate de Europese politieke integratie voortschrijdt, nationale democratische instituten  weer aan belang inboeten. Zo wordt op het moment gesproken over de mogelijkheid om het begrotingsrecht van nationale parlementen fors in te perken, om zodoende meer politiek-economische macht te centraliseren ten behoeve van het in stand houden van de monetaire unie.

Ook de EFTA lijkt in crisis te verkeren. Na het bankendebacle is IJsland immers toetredingsonderhandelingen met de EU begonnen, wat het aantal lidstaten van de EFTA verder zou reduceren. Het recent uitgebrachte rapport wijst nu op het democratisch tekort in de relatie van Noorwegen met de EU. Hier zien we echter opnieuw het ironische in de moeizame verhouding van Europese integratie en nationale democratie. Wanneer Noorwegen immers zou toetreden tot de EU zou ze meer inspraak verkrijgen, wat het democratisch tekort zou verkleinen, anderzijds zou er niets veranderen aan bestaande regelgeving en zou Noorwegen verplicht zijn op termijn toe te treden tot de Euro en dus verdere soevereiniteit af moeten dragen op het gebied van economisch, financieel, monetair en begrotingsbeleid.

Een andere EFTA-lidstaat, Zwitserland, neemt niet deel aan de EEA, maar wel aan de Schengenzone en heeft verder een serie bilaterale overeenkomsten met de EU gesloten. Zwitserland heeft zodoende wel de voordelen die participatie in de EEA met zich mee brengt, maar is niet bij voorbaat gebonden aan Europese regelgeving. Zwitserland heeft zodoende meer van haar soevereiniteit behouden dan Noorwegen.

De toekomst van het EFTA-model

Nu IJsland toetreding tot de EU onderhandelt en Noorwegen zijn relatie met de EU heroverweegt, is het verleidelijk om het EFTA af te schrijven. Voorlopig is daar echter onvoldoende reden toe en zelfs als de EFTA als organisatie zou ophouden te bestaan, heeft het model waar de EFTA voor staat wel degelijk toekomst.

In de eerste plaats is het zo dat Noorwegen ondanks de bedenkingen die er zijn bij de huidige stand van zaken daar waarschijnlijk weinig aan zal veranderen. Er is immers geen eenvoudige oplossing voor handen. Toetreding van Noorwegen tot de EU zou de nadelen van de huidige relatie tegemoet komen, maar nieuwe nadelen met zich meebrengen. Noorwegen zou verder kunnen pogen de huidige relatie te heronderhandelen, het terugschroeven van de mate van Europese integratie is echter nooit eerder vertoond en gaat in tegen het heersende idealisme onder de Europese politieke elites, bovendien ontbreekt het Noorwegen nu het al dusdanig geïntegreerd is aan een sterke onderhandelingspositie. Hoewel wellicht weinig bevredigend ligt het dus voor de hand dat Noorwegen voor handhaving van de status quo zal opteren. Dat is ook de weg van de minste weerstand, want ongeacht of IJsland toetreedt tot de EU, blijft de bestaande regeling voor Noorwegen inzake het EEA bestaan en het handhaven van een bestaande situatie vereist ook geen volksraadpleging.

Ten tweede zijn er andere landen die baat zouden kunnen hebben bij een vergelijkbare relatie met de EU als Noorwegen of Zwitserland. Te denken valt aan Oekraïne dat reeds een vrijhandelsverdrag met de EU onderhandeld heeft en daar, zolang toetreding tot de EU geen reële optie is, graag op voort zou bouwen met andere deelverdragen. Verder valt te denken aan landen als Georgië en Armenië. Turkije neemt reeds deel aan de Europese douane-unie en is reeds lange tijd kandidaat-lidstaat van de EU. Turkije begint echter zijn geduld te verliezen, terwijl de Europese publieke opinie alleen maar negatiever tegenover toetreding van Turkije komt te staan. Verscheidene politici hebben reeds een bijzondere relatie met Turkije als alternatief voor EU-lidmaatschap voorgesteld.

Ten derde kan het op enig moment toch nodig blijken dat Griekenland de drachme opnieuw invoert. Verdragsrechtelijk zou Griekenland echter de EU moeten verlaten om de Eurozone te kunnen verlaten. Griekenland zou bij hernieuwde toetreding echter opnieuw verplicht zijn op termijn de euro in te voeren. Om een dergelijke onzinnige gang van zaken te omzeilen, zou het ook voor Griekenland nuttig kunnen zijn wel tot de EEA, de douane-unie en eventueel de Schengenzone toe te treden, maar niet tot de EU als zodanig.

Ten vierde bestaat de mogelijkheid dat door afscheiding van regio’s van EU-lidstaten nieuwe staten ontstaan. Te denken valt aan Schotland waar op termijn een referendum over onafhankelijkheid gehouden zal worden. In het geval dat het zover komt dat Schotland zich afscheidt van het Verenigd Koninkrijk, zal Schotland niet langer tot de Europese Unie behoren. De voorstanders van Schotse onafhankelijkheid zien hun gedroomde Schotland echter wel in de context van de EU. Diverse EU-lidstaten zullen echter niet staan te springen om Schotland tot de EU toe te laten, te denken valt aan Spanje, dat aan de Basken en Catalanen niet de boodschap af zal willen geven dat bij afscheiding het lidmaatschap van de EU bij voorbaat niet op het spel staat. Daarnaast zou toetreding tot de EU als zodanig een aantal nadelen voor Schotland met zich meebrengen. Zo zou Schotland niet onder de Britse opt-outs vallen en dus een relatief hoge afdracht aan de EU moeten betalen. Schotland zou zich verder verplicht weten op termijn de euro in te voeren. In zo’n geval zou Schotland zijn onafhankelijkheid van de Britten hebben gewonnen om haar aan Europa weer prijs te geven. Daarnaast is er het punt van grenscontroles. Omdat het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet tot de Schengenzone behoren, zouden tamelijk hoge eisen aan de Schotse grensbewaking gesteld worden. Het zou allicht een redelijk alternatief voor Schotland kunnen zijn om wel toe te treden tot de EEA en de douane-unie, maar niet tot de EU en dus niet per se tot de Schengenzone en de monetaire unie.

Al met al kunnen we concluderen dat de politieke instabiliteit ten gevolge van de schuldencrisis ook een crisis in de Europese politieke integratie aan de oppervlakte heeft gebracht. Het is zeer de vraag of meer integratie langs de lijnen van de EU in alle gevallen een optimale oplossing biedt voor de situatie waarin individuele landen verkeren. Dit maakt ook dat andere modellen in de toekomst nog belang zouden kunnen blijken te zijn.

 

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.