Het wachten is nog altijd op een duidelijke uitspraak van de Nederlandse regering over wat het gaat doen met de uitslag van het referendum over het Associatieverdrag van de Europese Unie met Oekraïne. Het is niet de Europese Unie die de Nederlandse volkswil negeert, maar de Nederlandse premier. Dat merkwaardige gegeven brengt ons bij de kern van de grotere malaise van de hedendaagse politiek.

De Europese Unie is in zekere zin als een luchtspiegeling. Een luchtspiegeling, van verre lijkt het er echt te zijn en duidelijke contouren te hebben, maar hoe dichterbij je komt, hoe vager het wordt. Zo is het ook met de EU, vanuit Warschau, Boedapest of Den Haag lijkt het duidelijk genoeg. Er is een EU, met eigen instellingen, bombastische gebouwen en zelfs een eigen rechtsorde. De EU kan nationale regeringen op de vingers tikken voor onwelgevallige grondwetsontwerpen of begrotingstekorten en wat dies meer zij. Maar naarmate je dichterbij Brussel komt, begint het beeld te vervagen.

Eenmaal aangekomen bij de luchtspiegeling hap je in het zand. Aangekomen in Brussel worden Europeanen geconfronteerd met hun eigen nationale politieke leiders, Angela Merkel, David Cameron, Mark Rutte enzovoort, die onder elkaar de echte besluiten nemen. Onderweg naar Brussel komen we in de TGV onze eigen ambtenaren en functionarissen tegen, die vanuit de nationale hoofdsteden naar Brussel reizen voor besprekingen waarin Europese wetgeving wordt voorbereid. Ja, er zijn bevoegdheden overgedragen aan de instellingen van de EU, maar de lidstaten zijn betrokken bij de praktische uitwerking.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


De Europese Commissie en het Europees Parlement proberen hun zelfstandige rol te benadrukken, maar de belangrijkste rol speelt nog altijd de Europese Raad van regeringsleiders. Ook de Europese Centrale Bank in het financiële centrum van Frankfurt is lang niet zo zelfstandig als wel gedacht wordt. Veel lidstaten waren bovendien maar wat blij om, in ieder geval voor het oog van de burgers, wat afstand te kunnen nemen van de verantwoordelijkheid voor het oplossen van de economische en financiële crisis in de Eurozone.

Het beeld van de Europese Unie als een superstaat, een entiteit boven de lidstaten, doet geen recht aan de realiteit. Het zijn de nationale regeringen en de nationale politieke klassen in het algemeen die het weefsel van de EU vormen. Maar waar komt dan die luchtspiegeling vandaan?

Het heeft er mee te maken dat de staten die een ‘steeds hechtere unie’ vormen, niet meer de soevereine staten zijn zoals we daar sinds de Vrede van Westfalen over spraken. Het zijn geen staten meer, maar lidstaten, staten wier macht en legitimiteit volledig ontleend wordt aan het lidmaatschap van transnationale politieke entiteiten als de Europese Unie en de NAVO.

We hebben niet meer te maken met staten die hun macht aan een interne bron, de burgers, ontlenen, maar met lidstaten die hun legitimiteit aan externe bronnen ontlenen, namelijk aan relaties met andere regeringen en internationale organisaties.

Het meest extreme voorbeeld hiervan was Italië. Toen Silvio Berlusconi in 2011 werd afgezet als premier, werd hij vervangen door Mario Monti. Monti’s gezag werd ontleend aan de steun die hij kreeg van externe grootheden: mondiale markten (lees: de bankwereld), andere EU-leiders, de ECB. Toen hij alsnog probeerde de steun van de Italiaanse burgers te verkrijgen in de verkiezingen faalde hij jammerlijk, zijn Scelta Civica-partij kreeg slechts steunvan 8,3% van de kiezers in de verkiezingen in 2013.

Zo zijn er meer voorbeelden van regeringen die evident afhankelijk zijn van steun uit externe bron. Eind 2015 stelde de Portugese president tijdens een televisiedebat, dat het “ongrondwettelijk” was om tegen het lidmaatschap van de Europese Unie of de NAVO te zijn. Volgens hem was de Portugese constitutionele orde gemoeid met het lidmaatschap van deze organisaties en het zich conformeren aan hun regels. Te denken valt ook aan de Schotse ‘nationalisten’ van de SNP, die hun onafhankelijkheid van Engeland graag gegarandeerd en erkend zien door lidmaatschap van de EU. Het lidmaatschap van deze internationale organisaties is zodoende een constitutief element geworden voor statelijkheid.

Deze verschuiving van natiestaten naar lidstaten is een gevolg van en gaat samen met de uitholling van de nationale democratie. In de lidstaten zijn de nationale parlementen vaak volgzaam, worden vooral geleid door de informatie die de regering al of niet geeft. Zeker waar het gaat om internationale vraagstukken of kwesties met een internationaal aspect, hebben internationale verdragen al snel het laatste woord. Onderhandelingen tussen regeringen zijn dan ook de overheersende manier voor de totstandbrenging van beleid geworden, in plaats van het politieke debat in de nationale parlementen. In plaats van beide een representatie van dezelfde politieke gemeenschap te vormen, staan regering en parlement in internationale kwesties vaak tegenover elkaar, waarbij het parlement onvermijdelijk aan het kortste eind trekt. Regeringen van de lidstaten steken regelmatig een stokje voor het verleggen van bevoegdheden naar nationale parlementen, uit vrees dat het hun eigen grip op de Europese besluitvorming zou verzwakken.

Mark Rutte is “totaal, totaal, totaal tegen referenda”, zogenaamd omdat hij in vertegenwoordigende democratie gelooft. Maar in plaats van de logica van vertegenwoordiging te volgen, zoals min of meer het geval was in de natiestaten, worden de relaties tussen staten en samenlevingen in West-Europa nu gekenmerkt door de logica van het antagonisme. De politieke klasse heeft zich teruggetrokken in de staat en de burgers in de privésfeer. Tussen de twee zit een kloof en men begrijpt elkaar niet meer. Een ander treffend voorbeeld hiervan was de reactie van de Ierse regering op de afwijzing door de Ierse bevolking van het Verdrag van Lissabon in 2008. Door de in Brussel verzamelde pers naar een verklaring gevraagd, was de toenmalige Ierse minister van Buitenlandse Zaken Michael Martin zichtbaar verbijsterd – en beschaamd – over de uitkomst.

De Nederlandse premier is dus totaal (bis, bis) tegen referenda. Het moge duidelijk zijn dat de Ierse premier Enda Kenny, de Britse premier David Cameron et cetera dat eigenlijk ook zijn. Ongeacht of ze nu grondwettelijk verplicht zijn tot een referendum (zoals Kenny) of zelf verkiezingen gewonnen hebben met de belofte een referendum te zullen houden (zoals Cameron).

Nu is er dan eindelijk een referendum over een eventueel vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU aanstaande. Eén van de zaken die opvalt aan de campagne is het veelvuldige beroep op externe bronnen van gezag of geloofwaardigheid, vooral door hen die tegen een Brexit zijn. Een markant punt was de steun van de Amerikaanse president Barack Obama voor het ‘Blijf’-kamp, premier Cameron en minister van Financiën George Osborne waren er verguld mee. Vooral Osborne heeft in de campagne sterk geleund op de gezichtspunten van de Bank of England, het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die stuk voor stuk steun verleenden aan zijn Blijf-standpunt.

Eigenlijk ging het tijdens de campagne vooral veel over de vraag wie welk kamp zou steunen, in plaats van over de eigenlijke kwestie van de Europese eenwording en de Britse rol daarin. Een prominent argument van het Blijf-kamp is dan ook dat je niet in hetzelfde kamp moet willen zitten als Nigel Farage, George Galloway en Nick Griffin. Een kinderachtig argument, dat evenwel niet van de lucht is. Het gezag van argumenten wordt kortom niet ontleend aan de inhoudelijke onderbouwing maar aan de verwijzing naar externe gezagsbronnen. Dit is precies het begrip van gezag en legitimiteit dat tekenend is voor een Europa van lidstaten.

Een ander opvallend kenmerk van de Britse referendumcampagne is het complete onvermogen van het Blijf-kamp om überhaupt te begrijpen waarom zoveel mensen geneigd zijn voor een Brexit te stemmen. De verbijstering over dit feit is vergelijkbaar met de verwarring in Frankrijk toen Jean-Marie Le Pen in 2002 de tweede ronde van de presidentsverkiezingen haalde. Journalisten spoedden zich naar de provincie op zoek naar die mysterieuze Front National-stemmers. Zo is ook nu in Engeland het snobisme van de elite met handen te grijpen. Ferdinand Mount ging in een essay in de London Review of Books zelfs zo ver te spreken van Brexosis om de gezichtspunten van Brexit-voorstanders te omschrijven. Volgens Mount gaat het om een psychische stoornis, ongeneeslijk veronderstel ik. Achter de oppervlakkige humor en hooghartigheid gaat pure verbijstering schuil jegens iedereen die het niet eens is met Mounts (overigens lauwe) verdediging van het Europese project.

De lidstaten lijken machtig door de dominantie van de uitvoerende macht, maar schijn bedriegt. De lidstaten zijn hard van buiten, maar hol van binnen, zoals een politicoloog de huidige Italiaanse staat typeerde. Hun vermogen om zich af te schermen voor het publiek is ten koste gegaan van de verstandhouding tussen burgers en politiek. De lidstaat is hol, omdat het ontbreekt aan een legitimerend principe dat de volkssoevereiniteit kan vervangen. Dit is evident ook het geval in het Verenigd Koninkrijk en dat heeft gevolgen voor het referendum. De Britse politieke partijen zijn niet meer de bemiddelende instituten die ze ooit waren, instituten die dienden als brug tussen staat en samenleving. Ze zijn toenemend geabsorbeerd door de staat en maken in verkiezingstijd met de moed der wanhoop campagne-uitstapjes buiten Westminster om genoeg zetels bijeen te schrapen voor een regering. Deze verstatelijking van de politieke partijen leidt dan paradoxaal genoeg weer tot een politisering van de staat, waarbij politici tot alles bereid zijn voor politiek gewin.

Zo was David Camerons reactie op de uitslag van het Schotse onafhankelijkheidsreferendum in 2014 onbeschaamd partijdig. Zijn speech voor zijn ambtswoning in Downing Street de volgende ochtend was een nauwelijks verhuld campagnepraatje voor zijn eigen partijleden en potentiële Conservative-kiezers ter rechterzijde van de Conservatives over devolutie. De Britse premier haalde daar partijpolitieke en constitutionele zaken door elkaar.

Het Brexit-referendum laat dezelfde ontbindende dynamiek zien. Niet in staat om eurosceptici in zijn eigen partij aan banden te leggen, heeft Cameron destijds een referendum toegezegd. Op zichzelf is het goed dat de Britten zich nu uit kunnen spreken over een kwestie die lang niet het voorwerp van ernstig politiek debat is geweest. Cameron heeft zich echter niet ingezet voor een echt debat, ministers werd maandenlang het zwijgen opgelegd, terwijl Cameron een nieuwe deal probeerde uit te onderhandelen met de EU. Toen de referendumcampagne dan toch eindelijk begon, bleek Cameron bereid zijn gezag te verlenen aan ieder denkbaar spookverhaal over de gevolgen van een Brexit. Onlangs impliceerde hij zelfs ernstige geopolitieke conflicten ten gevolge van een Brexit, waarbij het maar net niet zo bont maakte over een wereldoorlog te beginnen. Het saillante punt is natuurlijk dat als Cameron gelijk heeft over de verschrikkelijke gevolgen van een Brexit, het uitschrijven van het referendum een hoogst onverantwoordelijke, roekeloze actie van de premier zelf was.

De referendumcampagne in Engeland is dus onderdeel van de bredere crisis van de Britse politieke klasse, een crisis die we ook in andere EU-lidstaten zoals Nederland zien. Doordat de politieke partijen intern verdeeld zijn, speelt partijloyaliteit een geringere rol voor kiezers in het bepalen van hun stem. Dat maakt de uitslag minder voorspelbaar.

Voorstanders van een Brexit zoals Boris Johnson en Michael Gove stellen dat een vertrek uit de EU veel van de problemen van de Britse politieke gemeenschap zal oplossen. Alsof er een ongeschonden nationale democratie op zal rijzen na jaren onderworpen te zijn geweest aan de Brusselse tirannie. Dat is natuurlijk te mooi om waar te zijn. Er is geen Brusselse superstaat die uit het niets de Britse democratische vrijheden vertrapt. De EU is slechts een externe manifestatie van een binnenlandse politieke malaise. Omdat ze niet meer in staat waren te bouwen op een relatie tussen de staat en de samenleving, zijn regeringen in EU-lidstaten in plaats daarvan toenemend gaan leunen op de EU als een regeringsbunker van waaruit ze op afstand van het volk konden regeren.

Een eventuele Brexit – of het er van komt moeten we nog zien – zal dan ook geen gezonde nationale democratie aan het daglicht brengen, maar veeleer de binnenlandse gezagscrisis nog geprononceerder naar voren doen komen. Problemen van de Britse politiek zouden niet langer op Brussel geschoven kunnen worden, maar herkend worden als wat ze werkelijk zijn: het resultaat van een politieke klasse die zich losgemaakt heeft van de samenleving en van burgers die diep vervreemd zijn van de politiek. Het zelfde zou gelden bij een hypothetisch vertrek van Nederland of een andere lidstaat uit de EU.

Daarmee is overigens niet gezegd dat een vertrek uit de EU niet nuttig of nodig is. Sterker nog, de Europese Unie zou ontmanteld moeten worden om de wederopbouw van de relatie tussen staat en samenleving in Europa mogelijk te maken. Een vertrek uit de EU is geen panacee, waarmee ineens de politieke malaise wonderbaarlijk opgelost wordt. Het is veeleer een vorm van cold turkey, waardoor de malaise nog duidelijker aan het licht komt. Het is de eerste stap op weg naar het overbruggen van de kloof.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.