Als reactie op iedere crisis pleit het establishment voor “meer Europa” of – om het nuchter te formuleren – een verdieping van de Europese integratie. Het militaire is hier geen uitzondering op. Zo riep onlangs de Franse president Emmanuel Macron op tot de vorming van een “Europees leger voor de 21e eeuw”. De geschiedenis leert echter dat een Europees leger een Frans idee-fixe is.

De historisch geïnteresseerde moet meteen denken aan de Europese Defensiegemeenschap EDG) uit de 20e en de Grande Armee uit de 19e eeuw. Het verschil tussen deze beide is dat de Grande Armee ook daadwerkelijk bestaan heeft, terwijl de Europese Defensiegemeenschap in het planningsstadium bleef steken. Verder laat de twee echter opmerkelijke parallellen zien.

Beide Franse projecten beoogden de vorming van een multinationaal leger, waarbij vooral Fransen de leiding zouden hebben. De Britten waren in 1952 niet betrokken bij de ondertekening van het EDG-verdrag, dat overigens nooit geratificeerd werd, omdat men daar prioriteit wilde geven aan de NAVO. Voor Frankrijk was dit des te beter, omdat het zo onbetwist de sterkste partner zou zijn in het Europa van de zes (met Italië, West-Duitsland, Nederland, België en Luxemburg).

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Franse mentaliteit

Nu komt de Franse regering weer met het idee op de proppen. En niets spreekt ertegen dat het door Macron voorgestelde Europese leger ook weer op een Frans leger met continentaal-Europees soldaten uitloopt. Wie in dezen geen herhaling van de geschiedenis vreest, moet zich twee vragen stellen. Ten eerste: Waarom heeft Emmanuel Macron met zijn voorstel gewacht tot duidelijk was dat de Britten de Europese Unie daadwerkelijk gaan verlaten en Frankrijk zodoende onbetwist de grootste militaire macht in de Europese Unie is?

Ten tweede: Hoe gaat een Europees leger zich opstellen in een situatie als bijvoorbeeld in 2011, toen Frankrijk voorop stond om Khadaffi ten val te brengen met een militaire interventie in Libië en Duitsland daarvan niet wilde weten? Hier botsen twee mentaliteiten. Aan de ene kant die van de oude koloniale grootmacht, wiens imperialistische en interventionistische traditie na twee – zij het niet zonder hulp – gewonnen wereldoorlogen ongebroken is. En aan de andere kant de na twee verloren wereldoorlogen deemoedige en vreedzame Duitse houding.

Franse belangen

Bij de beantwoording van de vraag in welke geest een gezamenlijk leger gaat handelen, helpt een blik op de reeds bestaande gemeenschappelijke munt. Ook in de Europese Centrale Bank (ECB) botsen tegengestelde filosofieën en mentaliteiten. Aan de ene kant het traditionele Franse beleid van een zachte munt, aan de andere kant het Duitse beleid van een harde munt. Wie naar het rentebeleid van de ECB kijkt, kan wel raden wiens filosofie en mentaliteit in dit in essentie Frans-Duitse project de overhand heeft.

Ook nu al, terwijl de Duitsers nog een zelfstandige Bundeswehr hebben, worden Duitse militairen in de voormalige Franse kolonie Mali ingezet (net als Nederlandse enz.), voor het veiligstellen van Franse belangen in de vermeende achtertuin van Frankrijk. Als de Duitse en Nederlandse enz. militairen niet meer tot een nationaal maar een Europees leger behoren, zal dit alleen nog maar toenemen.

Defensie-industrie

Iets minder ambitieus is het plan van een verdieping van de integratie van de EU op het gebied van de wapenindustrie. Synergie-effecten liggen voor de hand. Grotere aantallen zullen de kosten per stuk lager doen uitvallen. Door het hanteren van hetzelfde materieel kan de logistiek vergemakkelijkt worden. En ten slotte zou een gezamenlijke defensie-industrie de concurrentie met fabrikanten buiten de EU beter aan kunnen en de Europeanen in staat stellen wapenprojecten aan te pakken waarvoor de individuele staten te klein zijn.

Ook op dit vlak zijn er echter ervaringen het verleden die weinig bemoedigend zijn. Een halve eeuw geleden vatten de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk en Italië het plan op om voor hun strijdkrachten gezamenlijk een moderne tegenhanger van de Amerikaanse jeep te ontwerpen, de zogenaamde Europa-Jeep. De Italianen gaven echter uiteindelijk de voorkeur aan een solo-project. Vanaf 1974 vervingen zij hun Fiat 1101 Campagnola door een puur-Italiaanse doorontwikkeling daarvan. In 1976 stapte ook Frankrijk uit het Europa-Jeep-project. Alleen de Bondsrepubliek zette tot de laatste snik in op een Europese oplossing. Zelfs toen de vervanging van de DKW Munga eigenlijk niet meer kon wachten, stapten de Duitsers niet uit de Europa-Jeep, maar kozen voor de VW 181 Kurierwagen als tijdelijke oplossing. Een provisorische oplossing die geen vierwielaandrijving had en dus niet geheel geschikt was. Nadat de partners uit het project waren gestapt, had de Bondsrepubliek echter geen andere keus dan een nationale oplossing. Nadat meer dan tien jaar verdaan was met de ontwikkeling van de Europa-Jeep, was haast geboden. Alleen Volkswagen kon levering van de voertuigen voor eind 1978 toezeggen en kreeg zo de opdracht.

30 jaar geleden, op 30 november overhandigde de bestuursvoorzitter van Volkswagen, Toni Schmücker, de eerste 200 exemplaren van de nieuwe terreinwagen aan plaatsvervangend inspecteur-generaal Rudolf Reichenberger, waarop tot 1982 nog 8.600 zouden volgen. De naam van het voertuig, ‘Iltis’, legde Volkswagen als volgt uit: “De iltis staat algemeen bekend als een wendbaar, watervlug en bovendien buitengewoon krachtig klimdier. Wat ligt meer voor de hand, dan een automobiel, waarvan de sterke kanten op onverhard terrein liggen, waar het vergelijkbare eigenschappen ontplooit, dezelfde naam te geven?”

Europese versus Atlantische samenwerking

Als Franse presidenten voor meer Europese integratie pleiten, is het dus meestal ter meerdere glorie van Frankrijk en niet in de laatste plaats henzelf. Wanneer niet iedereen naar het Franse pijpen danst, is het weer ieder voor zich. Daarnaast speelt binnen de Europese Unie de kwestie van de verdeeldheid in de visie op de NAVO. Diverse EU-lidstaten zijn huiverig voor Europese militaire integratie in zoverre die ten koste zou kunnen gaan van de Atlantische. Verdere Europese militaire integratie en Atlantische kunnen moeilijk naast elkaar bestaan. Intussen zijn er wel andere manieren om als landen van de Europese Unie assertiever te zijn in de verhouding met de Verenigde Staten en de eigen industrie te stimuleren in plaats van de Amerikaanse kas te spekken.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.