Toen ik nog actief was binnen de ChristenUnie, stelde een prominent kaderlid van die partij me in een gesprek over mijn politieke ambities eens de vraag of ik niet meer een ideoloog dan een politicus was. Een onthullende vraag, die mijn indruk bevestigde dat ChristenUnie-politici niet geacht worden al te veel ideologische diepgang te hebben, dat zou ze wel eens kunnen hinderen bij hun dagelijks werk.

Ik moest hier aan terugdenken toen ik laatst door een vriend erop geattendeerd werd dat er een paginagroot opiniestuk van Tweede Kamerlid Joël Voordewind en Europarlementariër Peter van Dalen (beiden ChristenUnie) in het Nederlands Dagblad stond. Het was een reactie op een opiniestuk van ondergetekende dat een paar dagen daarvoor was gepubliceerd in diezelfde krant. Daarin was ik op verzoek van de opinieredactie ingegaan op een artikel van hun politieke redactie over christenen met sympathie voor Forum voor Democratie. De opinieredactie van het ND wilde graag wat debat losmaken, een redacteur kende mij nog uit de tijd dat ik daar geregeld een opiniestuk instuurde en veronderstelde dat ik er misschien wel anders over dacht dan de christenen die geïnterviewd waren voor het eerdere stuk. Ik stemde toe in het schrijven van het artikel, hoewel de teneur van mijn uiteindelijke stuk was, dat ik me goed voor kan stellen dat veel (al dan niet christelijke) kiezers blij zijn met de verschijning van FvD op het politieke toneel, omdat de andere partijen (inclusief de christelijke) het op een aantal cruciale punten grotendeels met elkaar eens zijn of slechts licht variëren binnen een nogal smalle bandbreedte. Nouja, lees het zelf maar:

Het artikel in het ND van 2 september jl. over christenen die enthousiast zijn over de verschijning van Thierry Baudet en het Forum voor Democratie op het politieke toneel roept bij mij de nodige herkenning op. Als christen heb ik me jarenlang ingezet binnen de ChristenUnie en er ook nooit de hand voor omgedraaid als ik eens iets voor de SGP kon doen. Ik stond daarbij echter wel kritisch tegenover bepaalde ontwikkelingen in de opstelling van de ChristenUnie. En op een gegeven moment is de maat vol.
Zo is die partij in de afgelopen jaren steeds minder eurokritisch geworden, terwijl de politieke praktijk in de EU daar niet eens aanleiding toe geeft. Waar de CU ferme kritiek had op de Europese Grondwet, zette ze zich al te licht over bezwaren tegen het Verdrag van Lissabon heen toen er meegeregeerd kon worden. En sindsdien legt de CU zich steeds meer neer bij de eindeloze, soms sluipende, Europese integratie.
Ook op andere onderdelen van het buitenlands beleid overtuigt de opstelling van de christelijke partijen niet, zo stelt men zich veel te volgzaam op tegenover de Verenigde Staten. Steeds weer mag Nederland mee de brokken oprapen van de rampzalige plannen van de Amerikanen en hun cliënten om onwelgevallige regimes omver te werpen. Geen wonder, aangezien Nederland ook tot de Amerikaanse ‘bondgenoten’ behoort.
Noch bij de christelijke partijen, noch bij de andere in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen is er op dit vlak wezenlijk iets te kiezen. Alle politieke partijen zijn als puntje bij paaltje komt voor voortgaande Europese integratie en voor het volgen van het interventionistische buitenlandbeleid van de VS. Diverse partijen uiten voor de vorm nog wel wat kritiek op deelaspecten van de Europese integratie: het moet democratischer, socialer of juist liberaler, groener, sneller of langzamer of het mag minder kosten. Uiteindelijk komt het er steeds op neer dat men meegaat met de hoofdstroom.
Zo ook met het buitenlandbeleid: een linkse partij als de SP tekent nog wel bezwaar aan tegen sommige ‘militaire interventies’ (lees: oorlogen), maar heeft zijn standpunt dat Nederland uit de NAVO moet opgegeven. De christelijke partijen roepen nog wat over christelijke minderheden in het Midden-Oosten, maar denk maar niet dat ze de gevolgen van de westerse politiek voor deze geloofsbroeders bekritiseren. Voor de laatste christelijke politicus die de NAVO nog bekritiseerde moet je terug naar Verbrugh, niet Erik voor de goede orde, maar Kamerlid A.J. Verbrugh van het GPV.
Op dit gebied was er voor christenen, en zeker voor hen die eerder conservatief zijn, dus weinig te kiezen in de vaderlandse politiek. De frustratie hierover kon nog een uitweg vinden door middel van referenda, waarin de Europese Grondwet en later het Associatieverdrag met Oekraïne verworpen werden. De politiek legt die zaken naast zich neer, maar het was wel een uitlaatklep voor kiezers die niets te kiezen hadden. De formerende partijen schijnen het er nu over eens te zijn dat de kiezers hun frustratie zelfs niet meer op deze wijze moeten kunnen ventileren.
Nu de zaken er zo voor staan is het een verademing dat Thierry Baudet en zijn Forum voor Democratie op het politieke toneel zijn verschenen. Eindelijk is er een echt eurosceptische partij, een partij die wil breken met het interventionistische buitenlandbeleid. Uiteraard is er ook op deze partij kritiek mogelijk, perfect is het niet. Maar eindelijk is er wat te kiezen. Ik jubel niet zo snel als het om politiek gaat, maar vooruit: Hoera!

(Nederlands Dagblad, 8 september 2017)

Daar kwam dus een reactie op van Joël Voordewind en Peter van Dalen, die ongeveer zo vlot, verrassend en spannend is als een gemiddelde ChristenUnie-campagneavond voor de Europarlementsverkiezingen. Die zal ik u dus maar besparen.

Voordewind en Van Dalen stellen daarin dat de ChristenUnie niet eurosceptisch is – zoals ik ook al schreef – maar “eurorealistisch”. De politici gaan er voor het gemak maar even niet op in dat de kleine christelijke partijen vroeger wel eurosceptisch waren, maar dat je nu dus alleen nog kunt kiezen tussen christelijke partijen die hoe dan ook niet eurosceptisch zijn. Of op het feit dat substantiële delen van de achterbannen van ChristenUnie en SGP wel eurosceptisch zijn (zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit het stemgedrag in het recente referendum over het Associatieverdrag met Oekraïne, waarbij in diverse christelijke bolwerken duidelijk te zien was dat aanzienlijke aantallen CU- en SGP-kiezers het positieve stemadvies van hun partijen niet opvolgden).

‘Samenwerking’, ja ja…

Met eurorealistisch bedoelt Van Dalen dat de ChristenUnie niet wil dat Nederland uit de Europese Unie vertrekt, maar dat de partij zogezegd wel kritisch is op bepaalde ontwikkelingen. De CU schermt in dit verband graag met de slogan ‘samenwerking ja, superstaat nee’. Van Dalen beticht Thierry Baudet en FvD er in die lijn van tegen Europese samenwerking te zijn. Ten onrechte overigens, wie goed leest wat Baudet te zeggen heeft, zal opmerken dat hij allerminst tegen samenwerking is. Hij is echter van mening dat de EU niet van binnenuit hervormbaar is en deze dus eerst moet verdwijnen om intergouvernementele samenwerking weer mogelijk te maken. Van Dalens suggestie dat ‘Nexit’ voor FvD een einddoel zou zijn, is een stropop.

Deze misvatting van Van Dalen komt voort uit het feit dat hij Europese samenwerking gelijkstelt aan Europese integratie in het kader van de Europese Unie. Maar Europese samenwerking staat niet gelijk aan integratie en is ook goed te realiseren zonder de centralisatie van bevoegdheden in Brussel die vooral sinds het Verdrag van Maastricht een hoge vlucht heeft genomen.  “Samenwerking ja” is met andere woorden eerder van toepassing op de houding van FvD ten opzichte van Europa dan op de houding van de ChristenUnie ten opzichte van de EU.

Wollt ihr den totalen Superstaat?

Het tweede deel van de sloganeske EU-filosofie van de CU helpt weinig verder. Superstaat is immers een vaag concept, de EU is geen staat, maar Europees recht gaat wel boven Nederlands recht, is direct van toepassing en een groot deel van de Nederlandse wetgeving wordt bepaald door de EU. De EU is dus allang een entiteit die in veel opzichten boven de Nederlandse staat uitgaat, met andere woorden supra-statelijk is. Het is genoegzaam bekend dat fanatici als Guy Verhofstadt de EU graag volledig tot staat op zouden tuigen. De ChristenUnie is daar tegen, waarvan akte. Maar zogenaamde EU-federalisten als Verhofstadt zijn politiek slim genoeg om geen grote stappen ineens te maken in de richting van dat einddoel. Dat zou namelijk een tegenreactie oproepen bij grote delen van het electoraat in diverse lidstaten, zoals de ‘federalisten’ (eigenlijk zijn het ordinaire centralisten) op z’n laatst bij het per referendum afwijzen van de Europese Grondwet door de Nederlandse en Franse kiezers geleerd hebben. In plaats daarvan worden er steeds kleine stapjes op deelterreinen genomen. Aan het eind van de rit ben je dan net zo ver van huis, het duurt alleen wat langer.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Het zogenaamde eurorealisme van de ChristenUnie bestaat er nu in dat ze een deel van die kleine stapjes kritisch bejegent, en dat al sinds – op zijn laatst – het Verdrag van Maastricht (1992). Die kritische bejegening van al die kleine stapjes heeft echter niet kunnen voorkomen dat het acquis communautaire inmiddels behoorlijk is aangedikt, dat we een heel stuk verder geïntegreerd zijn, dat er meer bevoegdheden gecentraliseerd zijn, met andere woorden: dat de Europese superstaat, om die term maar eens te gebruiken, voor een aanzienlijk groter percentage gerealiseerd is. Goed, het is er nog niet voor de volle honderd procent waar Verhofstadt en dergelijke op azen, maar laten we wel wezen, het is nou niet alsof de ChristenUnie een wezenlijk aspect van de Europese integratie heeft kunnen tegenhouden waar ze dat gewild had. Dus wat kopen we nu eigenlijk voor dat ‘eurorealisme’?

De Britten zijn realistischer

Peter van Dalen mag er graag op wijzen dat de ChristenUnie (en de SGP) deel uitmaken van de ECR-fractie en dat dat de op twee na grootste fractie in het Europees Parlement is. De invloed van deze fractie blijft evenwel gering omdat ze niet onmisbaar is voor meerderheden. Bovendien ligt het in de lijn der verwachting dat de ECR na het vertrek van de Britten fors aan grootte en invloed in zal boeten.

De Britse Conservatieven hebben lang geprobeerd om de Europese Unie van binnenuit te hervormen en ze hadden daarvoor een aanzienlijk betere positie dan de anderhalve man van ChristenUnie-SGP in Straatsburg en Brussel. Daarbij gaat het niet in de eerste plaats om de veel grotere delegatie in het Europees Parlement, waardoor de Tories wél enig gewicht in de schaal leggen, maar vooral om het feit dat de Conservatieven als regering hun inbreng konden hebben in de deliberaties met de andere lidstaten.

Lange tijd wilden de Britten zoveel mogelijk landen bij het Europese project betrekken, hoe breder hoe ondieper de integratie was de gedachte daarachter. Dat bleek een illusie. De Britten hebben ook niet meer kunnen bewerkstelligen dan een rebate, wat opt-outs en hier en daar wat op de rem staan, maar ze hebben de fundamentele tendens van ‘ever closer union’ niet kunnen keren. De Britse bevolking heeft dat ook gezien en zich in het referendum duidelijk uitgesproken: Brexit! Dat getuigt van een realisme en een eerlijkheid in de taxatie van de onderhavige situatie die de ChristenUnie kennelijk niet kan opbrengen. Liever opteert zij ervoor om, als de totale superstaat er over een x aantal jaren dan toch gekomen is, in de notulen te laten optekenen dat ze daar altijd tegen is geweest.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.