De Georgische autoriteiten stellen gerechtelijk onderzoek in naar de eventuele (mede)verantwoordelijkheid van diverse gezagsdragers voor mogelijke oorlogsmisdaden  tijdens de oorlog in Zuid-Ossetië in augustus 2008. De Georgische minister van Justitie, Tea Tsoeloekiani, stelt tegenover de pers dat enkele Georgische burgers en vertegenwoordigers van buitenlandse ngo’s bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag geklaagd hebben over vermeende oorlogsmisdaden.

Tsoeloekiani zei echter te willen voorkomen dat de zaken voor internationale gerechtshoven moeten komen. De minister sloot niet uit dat ook Saakasjvili gehoord zou worden, als getuige en eindverantwoordelijke voor het Georgische offensief in Zuid-Ossetië. Ze merkte er echter wel bij op dat zijn ambtstermijn als president voor het zover komt al verlopen is. Saakasjvili’s huidige, tweede termijn als president loopt in oktober van dit jaar af, waarna hij niet herkiesbaar is. Saakasjvili’s rivaal en huidige premier, Bidzina Ivanisjvili, stelde dat een onderzoek naar de oorlog in 2008 de reputatie van Georgië ten goede zal komen. Veel van de beweegredenen van Georgische acties tijdens de oorlog zijn volgens de premier nog altijd onduidelijk.

In augustus 2008 lanceerde Georgië een offensief op de hoofdstad van het afvallige Zuid-Ossetië, Tschinvali, waarmee een formele wapenstilstand werd geschonden. Tijdens het offensief sneuvelden naast gewapende Osseten ook Russische vredeshandhavers die in de stad gestationeerd waren onder een mandaat van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), ook vielen er burgerslachtoffers. Rusland reageerde op het offensief met een militaire interventie en wist de oorlog in vijf dagen te beëindigen. Later die maand zou Rusland formeel de onafhankelijkheid van Zuid-Ossetië en Abchazië, een andere afvallige Georgische regio, erkennen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Barakken van de Russische vredeshandhavers in Tschinvali na het Georgische bombardement (foto van enkele weken na de oorlog)

Barakken van de Russische vredeshandhavers in Tschinvali na het Georgische bombardement (foto van enkele weken na de oorlog)

Een door de EU ingestelde onafhankelijke onderzoekscommissie onder leiding van de Zwitserse diplomate Heidi Tagliavini concludeerde in 2009 dat Georgië de oorlog was begonnen met haar aanval op Tschinvali, maar dat dit in het licht gezien moet worden van een langere periode van spanningen en provocaties zoals het geleidelijk opschroeven van de Russische militaire aanwezigheid in de regio, steun aan separatistische bewegingen en het – illegaal – op grote schaal toekennen van Russisch burgerschap, zowel in Zuid-Ossetië als Abchazië. Hoewel Georgië het recht had op aanvallen vanuit Zuid-Ossetië te reageren, was de inzet van zware artillerie en raketten in de aanval op Tschinvali volgens de commissie disproportioneel en dus niet te rechtvaardigen als zelfverdediging. Het geweld van Georgische zijde tegen de Russische vredeshandhavers was volgens de commissie ook niet gerechtvaardigd. Rusland was vervolgens gerechtigd tot militair ingrijpen om zijn vredeshandhavers te verdedigen, maar de daadwerkelijke militaire interventie, die diep in het Georgische territorium doordrong was disproportioneel, in het bijzonder de vernieling die nog werd aangericht na het staakt-het-vuren. Het rapport concludeerde verder dat zowel de Georgiërs, als de Zuid-Osseten en Russen tijdens de oorlog het Internationale Humanitaire Recht en de mensenrechten geschonden hebben. Schendingen betroffen voornamelijk verdrijving, voor beschuldigingen van genocide of etnische zuivering vond de commissie geen grond.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.