Grote mannen maken grote fouten, aldus de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper. Dat geldt ook voor Mohandas Karmachand Gandhi, die vanaf 1915 de erenaam ‘Mahatma’ (grote ziel) droeg. En een van deze fouten, namelijk zijn blinde geloof in de macht van de geweldloosheid, zelfs in het spanningsveld van een multiculturele, multireligieuze samenleving, kostte hem 70 jaar geleden het leven.

Gandhi, die op 2 oktober 1869 in de Indiase havenstad Porbandar geboren werd en uit een in aanzien staande familie stamde, studeerde van 1888 tot 1891 in Londen rechten. Dit verblijf in het buitenland had de uitsluiting uit de kaste van de Bania tot gevolg, aangezien het voor hindoes als zware zonde gold de ‘grote oceaan’ over te steken. Tijdens zijn verblijf in Engeland verdiepte de vegetariër en geheelonthouder zich ook in de verschillende wereldgodsdiensten, die hij allemaal voor verenigbaar hield.

Na zijn studie ging Gandhi in 1893 naar Zuid-Afrika, omdat hij in Indië als advocaat geen succes had. Tijdens de treinrit van Durban naar Pretoria ondervond Gandhi voor het eerst raciale discriminatie en werd hierdoor een tegenstander van de Apartheid – zij het slechts in zoverre die de Indische minderheid betrof. Voor de zwarten had de later icoon van de tolerantie, die in totaal twaalf keer voor de Nobelprijs voor de Vrede genomineerd werd, niets dan verachting over: Het ging wat hem betreft niet aan de Indiërs gelijk te stellen met de zwarten. Gandhi initieerde tot het begin van de Eerste Wereldoorlog dan ook diverse verzetsacties tegen de maatregelen en wetten waarmee de blanken de Indiërs in het land benadeelden. Daarbij mat hij zich een demonstratieve persoonlijke onthouding en zelfbeheersing aan en vanaf 1912 zag hij zelfs af van iedere vorm van privébezit. Bovendien ontwikkelde de advocaat in deze tijd de strategie van geweldloos passief verzet die voor altijd met zijn nagedachtenis verbonden zou blijven. 

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Nadat de situatie van de Indiërs in Zuid-Afrika zich door Gandhi’s strijd wezenlijk verbeterd had, keerde de inmiddels 45-jarige eind 1914 naar Indië terug, waar hij lid werd van het Indian National Congress en aansluitend zijn Harijan Ashram opbouwde. In dit meditatiecentrum werd het eenvoudige, agrarisch-autarkische leven geleefd dat Gandhi als voorbeeld voor een vrij, van de Britten onafhankelijk, Indië zag. In deze context gebruikte hij ook het oude spinnewiel, dat ook de officieuze vlag van het INC van 1921, alsmede de 1931 aangenomen vlag die tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt zou worden door de Provisorische Regering van het Vrije Indië, sierde. De huidige vlag van India heeft een gestileerd wiel in het midden.

Gandhi’s ontvangstruimte in de ashram (foto: Rahulogy)

Aangezien de ashram, ondanks alle demonstratieve bescheidenheid en de nadruk op autarkie, zichzelf niet bedruipen kon, was het project afhankelijk van doorlopende giften van aanhangers, waaronder de industrieel Ghanshyam Das Birla. De Indiase dichteres en politica Sarojini Naidu, een vertrouweling van Gandhi, stelde dan ook gevat dat het de Indiërs tamelijk veel geld gekost heeft om hun nationale held een leven in armoede mogelijk te maken.

Desalniettemin waren Gandhi in zijn eigen land nog opmerkelijker succes vergund als in Zuid-Afrika. Door zijn niet aflatende en zeer succesvolle oproepen tot hongerstakingen en protestmarsen alsmede tot burgerlijke ongehoorzaamheid in plaats van samenwerking met de koloniale machthebbers dwong de nu vaak in een simpele lendendoek gekleed gaande onafhankelijkheidsstrijder in 1930 het begin van onderhandelingen over de Indische kwestie af. Daarop volgde in 1942 de belofte van Londen, dat Indië na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk zou mogen worden.

Na de oorlog lieten de Britten Indië inderdaad onafhankelijk worden, maar bleven ze gelijk trouw aan hun motto van ‘verdeel en heers’ door het land op te delen in de Republiek India en de Islamitische Republiek Pakistan. De gelijktijdige oprichting van een in meerderheid islamitische en een in meerderheid hindoeïstische staat in augustus 1947 leidde meteen tot grootschalig geweld. Historici schatten het aantal verdrevenen op tot wel 20 miljoen en het aantal doden op tussen de 500.000 en twee miljoen. Dit was voor Gandhi, die nog altijd de visie voor ogen stond van een multiculturele en multireligieuze samenleving met behoud van het traditionele kastensysteem, aanleiding zich als bemiddelaar op te werpen. Het mocht echter niet baten.

Nadat de door Gandhi afgewezen deling van Indië een feit geworden was, stond hij een eerlijke deling van de staatskas voor. Zo begon hij op 15 januari 1948 de laatste hongerstaking van zijn leven, om te bereiken dat de Indiase regering de 40 miljoen pond aan Pakistan zou betalen waarop de staat nog aanspraak had uit de boedel van de Kroonkolonie. In de ogen van veel radicale hindoes werd Gandhi daarmee een landverrader.

Eén van de grootste Gandhi-haters was Nathuram Vinayak Godse, die in 1942 een eigen ondergrondse organisatie genaamd Hindu Rashtra Dal opgericht had. De brahmaan wachtte de 78-jarige ‘vader der natie’ in de late middag van 30 januari 1948 voor zijn Birla House in New-Delhi op toen hij zich wilde vertonen aan zijn samengestroomde bewonderaars. Met drie pistoolschoten in de borst vloerde hij Gandhi, die enkele ogenblikken later stierf. Godse werd nog op de plaats van het onheil door de Amerikaanse vice-consul Herbert Reiner aangehouden en op 8 november 1949 ter dood veroordeeld. Een week later werd de aanslagpleger verhangen in de gevangenis van Ambala. Wat Gandhi daarvan gevonden zou hebben, kan men raden. Zijn zoons vroegen echter tevergeefs om omzetting van de straf.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.