70 jaar geleden bezetten Nederland, maar ook België en Luxemburg gebieden in het westen van Duitsland. De annexaties waren echter beperkter dan die aan de oostgrens van Duitsland, omdat de Britse en Amerikaanse bezettingsmachten met het oog op de beginnende Koude Oorlog weinig ruimte boden aan de territoriale wensen van de Benelux-landen. 

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog waren zowel Nederland, als ook België en Luxemburg voornemens Duitse gebieden langs hun oostgrens te annexeren. Ze rechtvaardigden dit met een aanspraak op genoegdoening voor oorlogsschade.

Bakker-Schut-plan

Vooral de territoriale ambities van Nederland gingen ver. Daar presenteerde de Staatscommissie ter Bestudering van het Annexatievraagstuk eind 1945 het zogenaamde Bakker-Schut-plan, dat drie mogelijkheden aanvoerde. In zijn maximale variant A beval het naar de secretaris van het Comité voor Gebiedsuitbreiding genoemde plan de bezetting van alle gebieden westelijk van de lijn Wilhelmshaven-Osnabrück-Hamm-Wesel-Keulen-Aken aan, inclusief de grote steden Aken, Osnabrück, Münster, Keulen en Oldenburg. Bij elkaar betekende dit de annexatie van 41 Landkreise en vrije steden, een oppervlak van 10.000 vierkante kilometer. Van de daar levende 1,5 miljoen inwoners zou een groot deel analoog aan de verdrijvingen in Polen en Tsjechië zonder schadeloosstelling onteigend en uitgewezen moeten worden.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


De eisen van België en Luxemburg waren beperkter. Het Groothertogdom sprak daarbij van “désannexion”, omdat het ging om gebieden die voor de Franse annexatie van het hertogdom en zijn omvorming tot het Département Forêts in 1794/95 bij Luxemburg hoorden.

Afwijzing door bezettingsmachten

Alle drie de Benelux-landen kregen van de Geallieerde Hoge Commissie voor Duitsland echter een afwijzing van hun territoriale wensen. De westerse bezettingsmachten streefden met het oog op de beginnen Koude Oorlog namelijk naar een snelle politieke stabilisatie van hun bezettingszones. Met de miljoenen vluchtelingen die uit de gebieden in het oosten verdreven waren, waren de westelijke bezettingszones reeds aan de grens van hun belastbaarheid gekomen. Een bijkomende economische verzwakking door aanzienlijke gebieden af te staan aan de Benelux-landen, inclusief verdrijvingen, was zodoende niet opportuun.

Zesmogendhedenconferentie

Gezien deze weerstand schroefde Nederland zijn eisen terug en eiste vanaf 5 november 1946 nog slechts 1750 vierkante kilometer Duits territorium op, waar 119.000 mensen leefden. Men sprak in Den Haag nu eufemistisch van “grenscorrecties” in plaats van annexatie. De Britten ging echter ook deze verkleining van het bezettingszone nog te ver. De oplossing kwam op de Zesmogendhedenconferentie in Londen in het voorjaar van 1948. Daar kwamen de westerse mogendheden met de Benelux-landen overeen de gebiedsoverdrachten uit te stellen tot de afsluiting van een algemeen vredesverdrag. Op aandringen van Frankrijk werd echter de mogelijkheid ingeruimd “bepaalde geringe voorlopige correcties van de westgrens van Duitsland” reeds uit te voeren. Dit besluit werd naderhand in het Parijse Protocol van 22 maart 1949 vastgelegd.

‘Grenscorrecties’

Dit maakte het Nederland mogelijk 69 vierkante kilometer Duits grondgebied in te nemen. Dit grondgebied lag vooral in de zogenaamde flessenhals bij Sittard, waar Tüddern en Selfkant geannexeerd werden, rond de kleine stad Elten die een vergelijkbare flessenhals tussen Lobith en ‘s-Heerenberg vormt en in de graafschap Bentheim. In totaal werden deze gebieden door 9553 mensen bewoond.

België mocht enkele kleinere Duitse dorpen en bosbouwgebieden langs zijn oostgrens, alsmede het Duitse deel van de Vennbahn tussen Aken en Ulflingen annexeren. België zag echter in de meest gevallen van bezetting af vanwege de kosten. Iets dergelijks gold voor Luxemburg. Dat wilde aanvankelijk 544 vierkante kilometer historisch Luxemburgs gebied in de Duitse Kreisen Bitburg, Saarburg en Prüm met zo’n 32.000 inwoners. Maar uiteindelijk nam het genoegen met het Kammerwald, het dorp Roth en het goed Neuscheuerhof – al met een al een oppervlak van 547 hectare aan de rivier de Our, tegenover Vianden.

Uitvoering

Om de buit te bestieren nam Den Haag op 22 april 1949 het Grenscorrectiebesluit. Deze voorzag in de inzet van zogenoemde landdrosten, die direct antwoordden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ter plaatse over ruime bevoegdheden beschikten. De Duitsers ter plaatse werden van iedere democratische inspraak uitgesloten en mochten niet aan verkiezingen deelnemen.

Grenswijziging bij Elten, een grenspaal wordt overgeschilderd (foto: Joop van Bilsen / Aenfo – Nationaal Archief)

De volgende dag voltrokken de Benelux-landen de “grenscorrecties”. In de gemeente Elten met zijn 3225 burgers zag dit er als volgt uit: Bij stralend lenteweer markeerde de Nederlandse marechaussee in de morgen van 23 april het nieuwe grensverloop om vervolgens ’s middags met enkele jeeps met daarop gemonteerde machinegeweren richting raadhuis te rijden. Deze colonne werd gevolgd door bussen met Nederlandse journalisten en 100 douaniers op de fiets. Ook volgde landdrost Adriaan Blaauboer, die om 12:15 uur officieel de ambtsverantwoordelijkheden van de Duitse burgemeester overnam. De Duitse bevolking aanschouwde een en ander gelaten. Het enige voorval werd veroorzaakt door een dronken man die luidkeels het Duitse volkslied zong. Niettemin hadden de bezetters inmiddels meerdere pantservoertuigen van het type Otter samengetrokken aan de grensovergang Elten-Babberich, om eventuele onlusten meteen neer te kunnen slaan. Bovendien werd Elten voor de daaropvolgende twee weken hermetisch afgesloten.

Teruggedraaid

Nadat de Bondsrepubliek door de Verdragen van Parijs (1954) weer beperkte soevereiniteit had verkregen en in de West-Europese Unie en de NAVO geïntegreerd was, begonnen onderhandelingen met de Benelux-landen over de teruggave van in 1949 bezette gebieden. Deze waren in alle drie de gevallen succesvol. Tussen 28 augustus 1958 en 1 augustus 1963 werden nagenoeg alle ‘grenscorrecties’ teruggedraaid. Daarvoor betaalde Bonn bij elkaar 33,8 miljoen D-Mark aan Nederland en Luxemburg. In Belgische hand bleven alleen delen van de gemeente Leykaul en enkele stukken bos. Nederland behield de 75,9 meter hoge Wylerberg (Duivelsberg) bij Nijmegen en aanvankelijk de autoweg N 274 bij Selfkant, die in 2002 ten gevolge van het Schengenakkoord alsnog onder Duitse verantwoordelijk kwam.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.