We leven naar verluidt in een postmodern tijdperk, bevrijd van het traditionele bekrompen denken in termen van nationaal belang of, erger nog, nationalisme. Een nieuw tijdperk van vreedzaam globalisme had aan moeten breken, het einde van de geschiedenis. Recep Tayyip Erdogan, Viktor Orbán, Jaroslaw Kaczynski, Narendra Modi, Alex Salmond en anderen gooiden echter roet in het eten. De natiestaat is weer in opkomst en in plaats daarvan verkeert het supranationalisme nu in crisis.

De mode is naar zijn aard aan verandering onderhevig. Het ligt in de menselijke natuur om samen te werken met mensen die er hetzelfde uit zien, dezelfde taal spreken en dezelfde gebruiken kennen. Omdat het concept van de natiestaat nog niet post had gevat, ontstonden mettertijd echter ook multi-etnische rijken. Totdat een eeuw geleden de belangrijkste multi-etnische rijken – het Oostenrijks-Hongaarse, het Ottomaanse en het Russische – uiteenvielen cq opgebroken werden. Dat, door liberalen als Wilson aangejaagde, proces leidde uiteindelijk mede tot de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, doordat al snel bleek dat de ‘seizoensstaten’ van Midden- en Oost-Europa niet bestand waren tegen het machtsoverwicht van de Sovjet-Unie enerzijds en Duitsland anderzijds.

Einde van de geschiedenis

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


In 1989 brak er weer een nieuw tijdperk aan toen de Sovjet-Unie en het Oostblok uiteenvielen. Westerse commentatoren waren er als de kippen bij om alweer de eindoverwinning van de liberale democratie te proclameren; Francis Fukuyama stelde zelfs dat het ‘einde van de geschiedenis’ was aangebroken, waarbij hij dat einde – anders dan de ‘stalinist’ Alexandre Kojève wiens begrip hij leende – gemarkeerd zag door de liberale democratie als “eindpunt van de ideologische ontwikkeling van de mens”. De omschakeling van totalitair ‘communisme’ naar ‘democratisch kapitalisme’ ging uiteraard niet van een leien dakje. Niet voor niets heeft de Russische president Vladimir Poetin het uiteenvallen van de Sovjet-Unie wel aangeduid als een van de grootste geopolitieke catastrofes van de eeuw; voor de betrokken naties was het een pijnlijk, moeizaam en rommelig proces.

Het instorten van het Oostblok en de daaropvolgende transitie riep als vanzelfsprekend de vraag naar de interstatelijke orde op. De overweldigende reactie, althans het antwoord dat de politieke klasse, bureaucraten, zakenlieden, journalisten, academici en andere elites naar voren brachten, was dat in een ‘post-nationale’, globaliserende wereld het antwoord gelegen was in internationale samenwerking en supranationale integratie.

De Verenigde Naties werden voorgesteld als het antwoord op de problemen van de mensheid. Dat de voorloper van de Verenigde Naties, de Volkenbond, na de Eerste Wereldoorlog gefaald had in het brengen van internationale vrede en harmonie, deed er schijnbaar niet toe. Ook op de inherente beperkingen van een organisatie die gevormd wordt door regeringen van landen met zeer uiteenlopende belangen moest geen acht geslagen worden.

Ondertussen reageerden Europese leiders op het uiteenvallen van het Oostblok door hun eigen internationale organisatie naar het oosten uit te breiden. Een idee dat al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog politieke discussies had beheerst, de Europese Unie als supranationale politieke en economische eenheid werd in 1993 een realiteit. Traditionele verschillen tussen lidstaten werd onderdrukt, er kwam een ongekozen uitvoerende macht in de vorm van de Europese Commissie en het Europese Parlement kreeg controle over de begroting. Om de illusie levend te houden dat de soevereiniteit nog bij de lidstaten rustte kwam er vooralsnog geen EU-leger. Er kwam echter wel al snel een eenheidsmunt, de euro, waarbij men er vanuit ging dat dit mettertijd verdere monetaire en fiscale integratie en dus verdere politieke consolidatie zou afdwingen.

Nationale soevereiniteit

Ondanks deze overwinningen voor internationalisten verdween de zorg om de nationale soevereiniteit niet. De oppositie tegen internationale organisaties nam toe. Amerikaanse regeringen poogden de VN vooral voor hun eigen doeleinden te gebruiken en slaagden daar ook dikwijls in, zo verkregen ze goedkeuring van de Veiligheidsraad voor militaire interventies en economische sancties, tegelijk verzetten de VS zich steeds resoluut tegen VN-beslissingen waar ze het niet mee eens waren en gebruikten politici als John Bolton dit voor binnenlandse stemmingmakerij. Amerikaanse regeringen weigerden ook steevast om VN-activiteiten te financieren waarmee ze het niet eens waren. Zelfs wanneer opeenvolgende Amerikaanse regeringen aandrongen op acceptatie van VN-initiatieven, zoals het VN-zeerechtverdrag (UNCLOS), stribbelde het Congres tegen vanwege zorgen over de nationale soevereiniteit.

Ondertussen stonden ook Europeanen gemiddeld steeds minder positief tegenover de EU en haar megalomane ambities. In 2005 verwierpen Nederlandse en Franse kiezers het voorstel voor een Europese Grondwet. De eurocraten reageerden daarop door de grondwet om te katten tot het Verdrag van Lissabon en de Franse en Nederlandse kiezers niet meer te raadplegen.

Alleen de Ierse Republiek legde het verdrag vervolgens wel aan de kiezers voor. De Ieren zeiden nee, tot grote verontwaardiging van de eurocraten. De vraag kwam op of Ierland maar als tweederangs aanhangsel van de EU gezien moest worden. Uiteindelijk besloot men het verdrag nog maar eens aan de Ieren voor te leggen, zodat ze nu het gewenste antwoord konden geven. En zo geschiedde.

Daarmee wonnen de eurocraten weliswaar een slag, maar niet de hele oorlog; ze zijn er niet in geslaagd de euroscepsis uit te roeien. Wel integendeel, de economische crisis die in 2008 uitbrak heeft de onvrede onder de burgers en het nationale sentiment alleen maar versterkt. Toen diverse lidstaten bij de EU aanklopten voor bailouts, zagen de eurofielen hun kans schoon om deze crisis aan te grijpen voor verdere centralisatie van fiscale en politieke bevoegdheden: Brussel kreeg controle over nationale begrotingen en er moesten Eurobonds komen. Lidstaten die om bailouts vroegen werden gedwongen vernederende en pijnlijke economische ‘hervormingen’ te accepteren, waarbij ze effectief een stuk controle over hun economisch beleid moesten afstaan aan een internationale trojka van Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds.In Griekenland leidde dit tot een grote verkiezingsoverwinning voor de radicaal-linkse Syriza-alliantie, die haar eurokritische keutel overigens al snel introk, terwijl ook de extreemrechtse Gouden Dageraad in het parlement doordrong.

In Frankrijk wist Marine Le Pen het Front National weer in het middelpunt van het politieke discours te manoeuvreren. Zelfs bij de flegmatiek-burgerlijke Duitsers kwam een toepasselijk genaamd alternatief op voor het al te meegaande beleid van Merkel in de eurocrisis, zelfs al werd Merkel in Griekenland intussen als Hitlerbruid voorgesteld. Het notoir terughoudende Constitutioneel Hof in Karslruhe zag zich zelfs genoodzaakt beperkingen op te stellen voor soevereiniteitsoverdrachten aan Brussel. Ook in andere EU-lidstaten nam de politieke vertegenwoordiging van eurosceptici toe.

Afscheidingsbewegingen

Afscheidingsbewegingen deden intussen ook opgeld. België was dermate verdeeld dat het in 2010 en 2011 589 dagen duurde voor er een regering gevormd kon worden. Een Vlaams-nationalistische partij werd de grootste partij. In Spanje hield het bestuur van de provincie Catalonië een ‘consultatie’ over nationale zelfbeschikking die door Madrid als een illegaal referendum wordt gezien en waarvoor toenmalig regionaal premier Artur Mas inmiddels door de rechter veroordeeld is. In Schotland zorgde premier Salmond voor een referendum over afscheiding van het Verenigd Koninkrijk. Met de Brexit in zicht wil ook de huidige premier Sturgeon weer een referendum over die vraag houden. Wie dacht dat er een einde was gekomen aan de onttakeling van het Britse imperium kon zich wel eens vergissen. Dergelijke separatistische bewegingen hebben succes doordat ze niet alleen het nationale gevoel stimuleren, maar ook een aantrekkelijk perspectief bieden van een kleinere, meer coherente soevereine staat met een meer overzichtelijke democratische schaal.

Ook op het schiereiland de Krim zagen we dat de lokale, overwegend Russische bevolking er, in dit geval in reactie op een bedreigende situatie, voor koos zich af te scheiden van Oekraïne om zich vervolgens bij Rusland aan te sluiten. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft aanzienlijke aantallen etnische Russen achtergelaten onder het bewind van regeringen van nationale staten die zich vaak tegen Rusland afzetten in een poging hun eigen relatief zwakke identiteit kracht te verlenen. Ten tijde van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie was Moskou te zwak om voor haar geopolitieke belangen op te komen, laat staan voor etnische Russen buiten haar grenzen. Na de steeds incompetentere Boris Jeltsin kwam echter Vladimir Poetin, die zowel het gezag van de staat als de militaire capaciteiten herstelde. Anders dan in westerse media eindeloos herhaald wordt is Poetin geen nationalist in de etnische zin waar westerlingen vaak aan denken – Rusland is immers nog altijd een multi-etnisch rijk; Poetin is daarentegen wel geïnteresseerd in het versterken van de Russische identiteit en solidariteit tussen de verschillende bevolkingsgroepen is daar onderdeel van.

Het Russische voorbeeld laat zien dat een sterke culturele identiteit niet zuiver etnisch hoeft te zijn, ook een historisch gegroeid multi-etnisch rijk kan een sterke identiteit bezitten. Ten westen van Rusland zien we echter een nieuwe politieke tendens in de richting van grotere etnische eenheid, die waarschijnlijk onder andere een natuurlijke reactie is op de koortsachtige eisen van de elites voor grotere diversiteit binnen de staten enerzijds en toenemende machtscentralisatie op supranationaal niveau anderzijds. Etnische en culturele eenheid maken het wel eenvoudiger om een samenhangend body politic te vormen, op zichzelf biedt nationaliteit echter niet voldoende grond voor soevereiniteit, zoals de penibele situatie van de seizoensstaten in het Interbellum duidelijk maakt. Ook biedt de aanwezigheid op een bepaald territorium van een meerderheid met bepaalde etnische kenmerken nog geen principiële rechtvaardiging voor aaneensluiting met andere territoria met vergelijkbare nationale meerderheden. Vooral in etnische lappendekens als Centraal-Europa en de Balkan ligt dit bijzonder ingewikkeld. Gedeelde etniciteit kan dan ook geen vervanging zijn voor democratische instemming.

Nationale zelfbeschikking

Die instemming is vooral van belang waar er substantiële minderheden zijn. In de praktijk worden nationale en etnische homogeniteit onwaarschijnlijker naarmate grenzen ruimer getrokken worden. Zodoende is nationaliteit dikwijls een ontoereikende basis voor soevereiniteit. De poging van Wilson en anderen om na de Eerste Wereldoorlog natiestaten op etnische basis te creëren, legde alleen maar de kiem voor toekomstige etnische conflicten. Zo leidde de schepping van Tsjechoslowakije ertoe dat de drie miljoen Duitsers in Bohemen – nota bene een groter aantal dan de Slowaken in het hele land – onder het onwelwillende bewind van nationaal-liberalen en nationaal-socialisten als Tomas Masaryk en Edvard Benes kwamen. Deze Duitsers hadden onder het beginsel van nationale zelfbeschikking net zoveel recht om voor aansluiting bij Duitsland te kiezen als de Tsjechen hadden om zich af te scheiden van Oostenrijk-Hongarije. Die keuze kregen de Sudeten-Duitsers echter niet.

Zo bezien was het allicht beter geweest om het Oostenrijks-Hongaarse rijk voort te laten bestaan als een losse federatie met een hoge mate van decentraal gezag maar een gezamenlijk buitenlands en defensiebeleid. Ook voor de omgang met separatisme vandaag de dag kan hierin wellicht een les liggen. Dat afscheiding op grond van nationale zelfbeschikking legitiem is, wil nog niet zeggen dat het ook altijd de meest verstandige keuze is.

Dat het nationale sentiment in verschillende gedaantes weer duidelijk terug is op het politieke toneel is wellicht een gruwel voor elites die gericht zijn op het steeds verder samenballen van macht in supranationale organisaties, maar dat sentiment leeft nu eenmaal breed en kan dus maar beter niet genegeerd worden. De grootste fout zou zijn om onverbeterlijk voort te gaan op de weg van supranationale integratie die juist zoveel weerstand heeft opgeroepen.

Het andere Europa

Het is overigens ook onjuist om, zoals eurocraten vaak doen, te veronderstellen dat nationalisme en internationale samenwerking per definitie niet samengaan. Zo stelde Marine Le Pen onlangs in een interview dat ze graag bereid was samen te werken met onder andere de Poolse regering om “de EU te ontmantelen”. De Poolse regering reageerde daarop met te stellen dat ze niet geïnteresseerd is in ontmanteling van de EU. Tegelijk heeft de Poolse regering de afgelopen tijd herhaaldelijk gepleit voor een Europese Unie die meer op intergouvernementele samenwerking berust dan op supranationale besluitvorming. In feite pleiten zowel Le Pen als Kaczynski – beide zeer impopulair bij de eurocraten – voor wat Charles de Gaulle een ‘Europa der vaderlanden’ heeft genoemd, met als enige verschil dat Kaczynski nog de illusie heeft dat de EU zich van binnenuit laat hervormen. In zo’n Europa der Vaderlanden – Le Pen heeft er zelfs haar fractie in het Europees Parlement naar genoemd – werken natiestaten samen, zonder dat Frans Timmermans of een andere mandarijn vanuit Brussel regeringen in Warschau, Boedapest of Parijs de les leest over ‘Europese waarden’.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.