Dit is het eerste deel van een tweeluik waarin aan de hand van twee contemporaine denkers in wordt gegaan op globalisering. De eerste, de Duitse filosoof Peter Sloterdijk komt hieronder aanbod en benadert de vraag meer historisch. De tweede denker, de Fransman Jean-Luc Nancy, benadert de vraag vanuit een meer abstract perspectief. Precies daarom zijn zij zo interessant om met elkaar te verbinden. Ze vullen elkaar aan.

Placenta

Een kernidee van Sloterdijk is de placenta. In de placenta wordt de mens gevoed, beschermd, is de mens geborgen. Maar op het moment dat de mens geboren wordt, wordt hij tot een buiten geworpene, waarmee hij het binnen en daarmee zijn heelheid verliest. Dit is een traumatische ervaring die gesymboliseerd wordt door het gehuil van de pasgeboren baby. De rest van zijn leven probeert de mens die placenta te reconstrueren, dit poogt hij middels relaties, natiestaten, God, de kosmos, om weer die veiligheid en geborgenheid te hervinden en zich weer in een binnenwereldlijke ruimte te begeven, veilig voor het buiten. Sloterdijk noemt dit sferen. De vraag die centraal staat is niet ‘wat is de mens?’ maar ‘waar is de mens?’ De mens is een sferenbouwer.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Dit idee zet Sloterdijk uiteen in Sferen, zijn magnum opus. Het is een trilogie waarin hij de geschiedenis van de mensheid probeert te vatten in een literair-filosofisch-historisch werk. Het eerste deel van de trilogie, Bellen, richt zich op de interindividuele sferen: sferen die mensen met elkaar in intimiteit creëren. Het tweede deel, Globen, richt zich op brede sferen zoals de kosmos of het goddelijke, waarbinnen de hele mensheid wordt gevat, waar de aarde tot een, zoals Sloterdijk met Rilke zegt, “wereldbinnenruimte” wordt, ten opzichte van het buiten. Het derde deel, Schuim, richt zich op de gemeenschap en de mensen die zich bevinden in deze globaliteit.

De globalisering heeft het onderscheid weg genomen. Het heeft de binnenruimtes bedreigd en heeft ook overwonnen, waardoor de mens zich nu in een buiten begeeft.

Sloterdijk spreekt van een drie-fasen-proces: de eerste fase is kosmologisering; de tweede fase is de aardse globalisering en begint met het ontstaan van de zeevaart en de ontdekkingsreizigers waarin de wereld groter wordt gemaakt en de derde en laatste fase is de elektronische globalisering. Volgens Sloterdijk is de globalisering tegenwoordig dan ook voltooid en past het beter om over globaliteit te spreken dan over globalisering. Kortweg vindt de aardse globalisering plaats van 1492 tot 1945. Voor dit artikel richt ik me slechts op de aardse globalisering.

Kosmologisering

Om het toch even behandeld te hebben, in het kort de kosmologisering. Uiteindelijk gaat het om de aardse globalisering. Dat komt daarna aan bod.

De kosmologisering vindt plaats wanneer de Grieken de hemel willen gaan meten. Of specifieker gezegd: de kosmos wordt gerationaliseerd door de Grieken, waarmee ze als het ware wordt gekoloniseerd door de mens en tot een sferische bescherming wordt gemaakt.

De Grieken zoeken naar een bol, omdat het ronde het perfecte was voor de Grieken. Op het moment dat ze zich de bol gaan voorstellen, gaan ze hem volgens Sloterdijk ook produceren. Hier begint het gevoel van de mens dat ze ‘bollen scheppende, bollen bewonende dieren’ zijn. De globalisering begint op het moment dat de Grieken het onmetelijke proberen te meten en te vatten. Dit is precies wat Hannah Arendt bedoelt wanneer ze schrijft ‘dat de mens met haar capaciteit om zijnden te vatten in modellen, nummers en symbolen en het toe te spitsen op de menselijke maat en daardoor vatbaar te maken. Dit proces komt tot uiting in de globe, die we in onze huiskamer kunnen plaatsen en kunnen raken met onze vingers’ (zie onder) De globe in de huiskamer zal pas vele eeuwen later ontstaan, maar de rationalisering en meting van de globe om het vatbaar te maken voor de mens, ontstaat al bij de Grieken. Met dit toe-eigenen van de kosmos, ook wel hemel genoemd, herschept de mens de placenta van de moeder of poogt die te herscheppen. Het in-de-moeder-zijn wordt een in-de-kosmos-zijn. Door de complexiteit van de kosmos, was de kosmologisering nog een taak voor de filosofen en de meetkundigen, zij die zochten naar perfectie en het ook vonden in de ideële wereld. Daarmee maakte ze echter wel, en misschien niet ten onrechte, de aarde imperfect. Daarboven was het goede, het ware en het schone, hier beneden was het minderwaardige. Pas in de moderniteit wordt de aarde opgewaardeerd en krijgt het een gelijkwaardige positie naast de kosmische bol.

Op het moment dat de kosmos de perfectie wordt, waarin het ware het schone en het goede liggen, moet de mens besluiten of hij zich in de bol of buiten de bol bevindt. Volgens Sloterdijk roept de perfectie van de totaliteit van de voorgestelde bol de verleiding op voor de interpretatoren om af te zien van hun werkelijke plaats in het bestaan en zich te verplaatsen in een fictief toeschouwersleven buiten de wereld. Wanneer we Sloterdijk hierin volgen, ligt inderdaad hier al het ontstaan van een afstand tussen de mens en de wereld, wat zowel oorzaak als gevolg is van het ontstaan van het wereldbeeld. De voorgestelde bol wordt geprojecteerd op de kosmos, en de kosmos wordt tot een beeld.

Aardse globalisering

De aardse globalisering, zo zegt de term al, is de globalisering van het wereldlijke, van de aarde. Naast dat deze vorm van globalisering een volgende fase is in het drie-fasen-proces, is het tevens een vervanging van de kosmologisering. Vanaf de Renaissance verlaat de mens de kosmos en richt zich steeds meer op zichzelf en op de aarde. Het goede leven kan niet meer in de ideale kosmos gevonden worden, maar in de werkelijke wereld. De derde fase van het globaliseringsproces probeert de uitgebreidheid van de wereld die voor de mens aanschouwelijk is geworden weer terug te dringen en maakt de wereld weer kleiner, en brengt de mensen weer dichter tot elkaar. Hier zal later op worden ingegaan, wanneer we over het tweede deel komen te spreken, omdat dit volgens Sloterdijk meer tot het interieur behoort dan als een onderdeel van het ontstaan van de wereldsystemen gezien moet worden.

kosmografie

De tweede fase treedt in in 1492 met de ontdekking van Amerika door Columbus en de wending van Copernicus. Het is aan de ontdekkingsreizigers de taak om ‘het nieuwe wereldbeeld te schetsen: het is hun missie de laatste bol aanschouwelijk te maken.’

Door de wending van Copernicus verloor de mens het idee dat hijzelf het centrum was van de kosmos. De ontdekkingsreizigers en de daarbij behorende ontdekking van andere volkeren, zorgden ervoor dat de mens ook het idee verloor dat hijzelf het centrum van de geografische wereld was. Het binnen werd opgeheven omdat het buiten verdween. Met als gevolg ‘(…) om zich voor altijd in een buiten te bewegen dat zich nooit meer zijn prioriteit zal laten ontnemen.’

Kortom: waar eerst de wereldbinnenruimte de primaire existentie was van het subject, heeft het subject zich naar buiten bewogen zonder de mogelijkheid om zich weer in die wereldbinnenruimte te geven.

De wereldreiziger en in zijn nasleep de mens heeft het binnen dus verlaten, zowel kosmologisch als etnografisch. De gebondenheid die de mens eeuwen heeft ervaren aan daar waar hij geboren werd, is doorbroken en de mens is voortaan altijd onderweg in het buiten, altijd zoekende. De nieuwe vestigingsplaats van de ontdekkingsreiziger is de kaart geworden. Sterker: ‘de landkaart absorbeert het land, het portret van de aardbol laat de reële afmetingen voor het voorstellende denken over de ruimte geleidelijk aan verdwijnen.’

Dit laatste punt wordt bij Nancy belangrijker: de mens is niet meer primair in de wereld, maar benadert de wereld vanuit een meta-positie. Nancy baseert zich hier op Heidegger en de totstandkoming van het subject. Belangrijk voor nu is dat Sloterdijk deze aspecten, de landkaart, de globe, de mappen de naam toekent wereldbeschouwingsinstrument. Wat precies laat zien dat de wereld beschouwd wordt middels instrumenten.

Volgens Sloterdijk heeft de aardbol altijd al in latente vorm de boodschap van het buiten in zich gedragen. Namelijk dat alle wezens die zijn oppervlakte bevolken in absolute zin buiten zijn, ook al proberen ze sferen te scheppen. De mens is buiten. Door het verlies van de betovering van de kosmos heeft deze latente boodschap een stem gekregen en is de mens zich hiervan bewust geworden. Wanneer de mens naar boven staart, staart hij vanaf nu in een ‘onmetelijke afgrond.’ Maar dit is slechts één afgrond, de kosmologische, de mens heeft in de moderniteit tevens een etnologische afgrond gecreëerd. Het idee van de afgrond is namelijk het bewustzijn dat de mens niet meer centraal staat. Copernicus heeft ons doen inzien dat we niet centraal in het heelal staan, de ontdekkingsreizigers hebben ons laten zien dat we zelfs niet het centrum van de aarde zijn en heeft ons tot zowel bewoners van de wereld als van ons eigen land gemaakt, zoals Arendt schrijft in The Human Condition.

Maar het is niet het verlies van het midden waarom wij wenen, het is juist het verlies van de periferie. Zoals ik met Nancy zal laten zien, en Sloterdijk aanstipt maar in mindere mate, is de periferie, het buiten, dat wat ons binnen hield. De wereldbinnenruimte werd juist gecreëerd door het gewelf van de kosmos, of beter gezegd, door wat daar voorbij was, en door de grenzen van de aarde, of beter gezegd, door wat daar voorbij was. De buitens maakten het binnen, de periferieën maakten het centrum. Nu beide weg zijn gevallen, staren we in niets dan afgronden. Met andere woorden: het bewustzijn is gekomen van de volledige contingentie van het bestaan en daarmee zijn we ontdaan van de immunologische sferen, zowel kosmisch als aardlijk. Sloterdijk noemt dit de ‘de-ontologisering van de vaste randen.’ Het gevolg hiervan is dat we onze wereld niet meer van binnenuit kunnen bekijken. We kijken altijd naar onszelf, onze stad, en sinds de ruimtevaart, onze wereld alsof we van buiten worden bekeken. De mens wordt daardoor steeds meer ontdaan van de sferen die hem eens beschermden en is in een algeheel buiten gaan leven, ontworteld en ontheemd, zonder welke algehele sfeer dan ook. De mens is een tegenover-de-wereld geworden, in plaats van een in-de-sfeer-zijnde. Het wereldbeeld heeft de mens buiten de wereld geplaatst. Sloterdijkiaans gezegd is er een transformatie opgetreden van de wereld als een baarmoederlijke verbeeldingskracht naar een verlaten en vergeefse wereld waarin het buiten voorrang heeft gekregen.

♠♠♠

Intermezzo Hannah Arendt:

Hannah Arendt schrijft hierover in The Human Condition (1958). Arendt onderschrijft, evenals Sloterdijk, het belang van de ontdekkingsreizen voor de globalisering. Volgens haar is het proces bijna ten einde, maar er is een interessant aspect. Op het moment dat de wereld op zijn grootst is, beginnen we die wereld te verkleinen: “Precisely when the immensity of available space on earth was discovered, the famous shrinkage of the globe began, until eventually in our world, each man is as much an inhabitant of the earth as he is an inhabitant of his country.” Dit zullen we ook bij Nancy en Sloterdijk en Heidegger zien. Op het moment dat we de grenzen hebben bereikt, gaan we alles doen om de wereld die ooit zo groot was, te verkleinen. Dit doen we door middel van vervoer als vliegtuigen en communicatiemiddelen als telefoons en internet. Hierdoor vervagen alle grenzen, het hier en daar vervaagt, de homo wordt tot een orbus, de mens raakt verweest. De ruimtes verdwijnen omdat ze het verliezen van snelheid: “that every survey brings together distant parts and therefore establishes closeness where distance ruled before”.

Volgens Arendt kan de verkleining van de wereld onmogelijk het doel zijn van de ontdekkingsreizigers. Hun doel was om de aarde te vergroten, niet om te verdichten. Maar op het moment dat de aarde groter werd, moest de mens het weer te hanteren maken. Middelen hiertoe waren de landkaarten en kaarten. Maar het belangrijkste is, volgens Arendt, dat de mens met haar capaciteit om zijnden te vatten in modellen, nummers en symbolen en het zo toe te spitsen op de mogelijkheid van het menselijke begrijpen. Dit proces komt tot uiting in de globe, die we in onze huiskamer kunnen plaatsen en kunnen raken met onze vingers.

Hannah Arendt

Maar Arendt haalt nog een ander aspect aan dat sterk terug zal komen bij Nancy. Het ligt in de natuur van de menselijke capaciteit dat het alleen kan functioneren wanneer de mens zichzelf losmaakt van dat wat dichtbij is. De mens trekt zichzelf hiervan terug om op een afstand te komen staan van alles om hem heen. Hoe groter de afstand tussen de mens en zijn omgeving is, wereld of aarde, hoe meer hij bedreven zal zijn om een overzicht te creëren en een meetbaarheid te scheppen, hoe minder de wereldlijke, aardegebonden ruimte overblijft voor hem. Voor Arendt is het vliegtuig, waarmee de aardlijke ruimte wordt verlaten, het symbool van het fenomeen dat iedere vergroting van de aardlijke afstand overwonnen kan worden, waarvoor de prijs is dat de mens vervreemd van zijn nabije omgeving. En, volgens Heidegger, het moment ontstaat waarop het subject ontstaat, waarop de mens het voorstellende gaat voortbrengen, er is ruimte gekomen tussen de mens en de wereld om een wereldbeeld te creëren.

♦♦♦

Globaliteit

Dit is de wereld na de derde fase (elektronische globalisering). Dit houdt het einde in van de aardse globalisering. Dit betekent dat er geen plek meer is op aarde waar de mens nog niet geweest is, het onbekende is opgeheven en de mens heeft overal zijn voetstappen gezet, en iedere reiziger, waar hij ook zal gaan, zal in de voetstappen van een ander stappen, de terra incognita is opgeheven.

Nochtans is de wereld slechts een globaliteit geworden voor een bepaald deel van de mensheid, volgens Sloterdijk ongeveer een kwart van de gehele mensheid, en deze kwart begeeft zich in het westen, opgesloten in haar kristalpaleis.

Het kristalpaleis is een term die Sloterdijk aan Dostojevski heeft ontleend. De Russische schrijver vergelijkt de westerse samenleving met het kristallen paleis dat hij heeft gezien op de wereldtentoonstelling in Londen in 1862. Voor de auteur was het paleis een symbool waarin luxe, comfort en het vermaak van de moderne tijd samen werden gebracht.  Sloterdijk ziet het op zijn beurt als een metafoor voor het leven in het rijke deel van de wereld, het westerse deel.  Dit onzichtbare paleis is een kunstmatige wereldbinnenruimte, waarin de westerse mens beschermd is van het buiten, het gevaar en de armoede. Het is een broeikas waarin de mens verwend wordt  en waarin consumentisme de belangrijkste vorm is van vermaak en ontspanning de hoogst mogelijke staat van zijn. Iedere vorm van tegenslag in dit ontspanningsparadijs is dan ook ondraaglijk geworden voor de inwoners, omdat zij het niet meer gewend zijn. En wanneer Sloterdijk zegt dat we een globaliteit geworden zijn, wil hij niet zeggen dat de gehele globe een globaliteit is geworden. De westerse mens is een globaliteit voor zichzelf, die vanuit het kristalpaleis een globalisering aanschouwt, naar buiten kijkt en naar binnen laat kijken,  zonder dat het werkelijk open is naar dat buiten. 

De mens als lokaal wezen

De volgende stap en de laatste in het werk van Sloterdijk is aantonen dat de mens in het kristalpaleis eigenlijk ook nog vooral een lokaal wezen is. Om te kunnen leven moet de mens zich op plaatsen begeven en daar wortelen: ‘Leren leven betekent: op plaatsen leren zijn; plaatsen zijn per definitie niet-verkleinbare sferische uitgestrektheden, die door een kring van weggelaten en op afstand blijvende dingen omgeven zijn’. Met andere woorden: voor de mens om te kunnen leven en zich te ontwikkelen, moet hij op plaatsen zijn die kunnen fungeren als een immunologische sfeer die het buiten daar moet houden, opdat de mens in het binnen kan leren leven. Op de plaats kan dus het binnen tot stand komen. En dit is ook hoe het leven voor de meeste mensen is; de reële economie speelt zich nog immer op nationaal niveau en de export is vaak ook een export naar naburige landen. Zo exporteert Duitsland nog steeds naar de haar omringende landen als Frankrijk en Nederland; de autofabrieken in de Verenigde Staten hebben zich van de internationale markt afgekeerd; en de meerderheid van de Fransen brengt bijvoorbeeld de vakantie door in eigen land. De globalisering lijkt de mens dus minder te bedreigen dan dat Sloterdijk in de rest van zijn werk heeft doen lijken. Het lokale is nog steeds gebleven. Natuurlijk, het wordt wel gepenetreerd door de globalisering, maar zo lang de plaats er is, wordt het lokale nog niet gedeterritorialiseerd en kan het als een sfeer fungeren waarbinnen de mens tot wasdom kan komen. Maar de mens mag hier niet in opgesloten worden.

De broeikas die het kristalpaleis is, is niet voldoende. Het verwordt tot een sleur. Daar moet het westen voorbij komen om zin te kunnen geven aan hun contingent geworden bestaan. In de laatste zin geeft Sloterdijk dan ook een opdracht:

 ‘De creatieve mensen, zo heet het, zijn degenen die het geheel ervan weerhouden tot een schadelijke sleur te vervallen. Misschien is het moment aangebroken om die frase aan haar woord te houden.’

[contextly_sidebar id=”c2crgYxMehDGtOT826Rw7mvgJ2QE0NP4"]In het kort samengevat heeft de aardse globalisering de kosmologische globalisering vervangen en daarmee ook de kosmos steeds verder op afstand geplaatst tot het zijn immunologisch sferische rol had verloren en de mens niet meer kon beschermen tegenover het buiten. De ontdekkingsreizen hebben de mens ook etnografisch gezien uit de immunologische sferen getrokken omdat het buiten verdween, waardoor het binnen tot een buiten werd. De de-ontologisering van de vaste randen heeft als gevolg dat de mens niet meer naar zichzelf van binnenuit kan kijken. De mens heeft zichzelf in een buiten geplaatst waardoor hij een uit-de-sferen-zijnde is geworden in plaats van een in-de-wereld-zijnde. Dit maakt dat de mens verloren is, verdwaald, alle oriëntatiepunten zijn verdwenen. Tegelijkertijd is de mens nog steeds sterk geworteld in het lokale. Economie, relaties, vriendschappen, het lokale is nog niet verdwenen. De relatie tussen de geglobaliseerde wereld en de lokale wereld is een lastige. Sloterdijk problematiseert enerzijds de globalisering en het verlies van de binnenwereldruimte, anderzijds problematiseert hij het lokale middels het kristalpaleis en is hij van mening dat het lokale zich open moet laten breken door de creatieve mens.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Peter van Duyvenvoorde

Peter van Duyvenvoorde heeft een propedeuse in geschiedenis en politicologie behaald. Momenteel studeert hij filosofie en theologie en schrijft een masterscriptie over secularisering. Daarnaast was hij tot medio 2016 als Head of Education bij het Forum voor Democratie verantwoordelijk voor het opzetten van de Academy, waarmee deze denktank colleges op het gebied van cultuur, politiek en economie aanbood.