Van alle toonaangevende academici die met het symbolische jaar 1968 en zijn demonstraties verbonden zijn, was hij de luidste en zeker ook de door zijn aanhangers meest bejubelde. Herbert Marcuse leerde zijn vereerders, dat ze zich ook gerust met intolerantie mochten verweren tegen wat hij “repressieve tolerantie” noemde. 

De familie van de op 19 juli 1898 in Berlijn geboren zoon van een textielfabrikant behoorde tot de geassimileerde joodse hogere middenklasse. Na zijn middelbare schoolexamen werd hij opgeroepen. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was hij lid van de soldatenraad in Berlijn-Reinickendorf, in 1917 was hij reeds SPD-lid geworden. Zijn eigen beweringen, dat hij de soldatenraad weer verlaten zou hebben, nadat ook officieren opgenomen werden, en dat hij de SPD de rug toegekeerd zou hebben, omdat hij die medeverantwoordelijk hield voor de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in januari 1919, zijn slecht te controleren.

Marcuse en Heidegger

Na filosofie, germanistiek en economie gestudeerd te hebben in Berlijn en Freiburg promoveerde hij in 1922 op ‘Der deutsche Künstlerroman’. Na enkele jaren als antiquair in Berlijn, ging hij naar Freiburg en behoorde hij tot de kring rond de filosoof Martin Heidegger. Met zijn daar geschreven werk hoort Marcuse tot degenen die het, in de woorden van de socioloog Hauke Brunkhorst, lukte “het marxisme van zijn metafysische geschiedopvatting te bevrijden”. Marcuses in 1932 gepubliceerde werk Hegels Ontologie und die Theorie der Geschichtlichkeit had oorspronkelijk voor zijn habilitatie moeten dienen, maar meningsverschillen met Heidegger hadden tot gevolg dat een verdere kwalificatie aan de universiteit Freiburg niet tot stand kwam.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Marcuse en de Frankfurter Schule

Marcuse werd medewerker van het Institut für Sozialforschung in Frankfurt, dat eerst naar Genève en in 1934 naar New York verplaatst werd. Het instituut stond onder leiding van Max Horkheimer. Daar ontstonden, niet in de laatste plaats door Marcuse, de nodige werken over de ‘kritische theorie’, die zich wijdde aan het onderzoek naar de voorwaarden van de kapitalistisch-burgerlijke samenleving en het blootleggen van dier ‘onderdrukkingsmechanismen’. Niet alle vertegenwoordigers van de ‘kritische theorie’ waren blij met Marcuse. Zo schreef Theodor W. Adorno in 1935 aan Horkheimer, dat Marcuse niet meer was dan een “door jodendom gehinderde fascist”.

Marcuse in Amerika

In 1940 kreeg Marcuse het Amerikaanse staatsburgerschap. Met andere Duitse emigranten werkte hij vanaf 1942 voor het Office of Strategic Services (OSS), de inlichtingendienst van het Amerikaanse ministerie van Oorlog. Hun taak was het analyseren van de situatie in Duitsland. Als Amerikaanse officier keerde Marcuse korte tijd naar Duitsland terug. Daarna werkte hij enkele jaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington. Er volgden aanstellingen aan Amerikaanse universiteiten, in 1954 het hoogleraarschap aan de Brandeis universiteit in Waltham en in 1965 uiteindelijk een leerstoel voor politieke wetenschap in San Diego.

Invloed op de studentenbeweging in Duitsland

Vooral van daaruit had Marcuse, die dikwijls in Duitsland uitgenodigd werd, invloed op de studentenbeweging. Marcuse gaat het in eigen optiek om de ‘bevrijding’ van de samenleving. De westerse mens van de moderne tijd leeft naar zijn mening in een “comfortabele, gladde, redelijk democratische onvrijheid”. Zijn ideeën heeft hij in meerdere werken uiteengezet, die in eerste instantie in de VS verschenen. Ze hadden echter ook al snel hun invloed op Duitse studenten, zij het eerder door het oppikken van bepaalde frasen dan door grondig lezen.

Een van de politiek meest invloedrijke boeken van de sociologie

MarcuseIn Eros and Civilization uit 1955 laat Marcuse zien hoe in een “bevrijde samenleving” het “lustprincipe” tot “realiteitsprincipe” kan worden, zonder daarbij de “cultuur” te vernietigen. In 1964 verscheen One-Dimensional Man, dat wetenschappers tot de politiek meest invloedrijke boeken van de sociologie rekenen. Volgens Marcuse wordt in het kapitalisme pluraliteit slechts voorgespiegeld, maar is ze niet werkelijk voorhanden: “De heersende vormen van sociale controle zijn technologisch in een nieuwe zin. [..] Ze komen voor als belichaming van de rede [..] dermate, dat alle tegenspraak irrationeel voorkomt en alle weerstand als onmogelijk.” Niettemin roept hij tot weerstand op – door kritiek, maar vooral door weigering moet die vorm krijgen.

Repressieve tolerantie

Bijzonder duidelijk drukte Marcuse zich in zijn essay Repressive Tolerance uit 1965 uit: “Maar ik geloof, dat er voor onderdrukte en overweldigde minderheden een ‘natuurrecht’ op verzet is, om illegale middelen aan te wenden, zodra de legale zich als ontoereikend bewezen hebben. Wet en orde zijn overal en altijd wet en orde van diegenen die de gevestigde hiërarchie stutten; het is onzinnig om aan de absolute autoriteit van deze wet en deze orde te appelleren tegenover hen die er onder lijden en er tegen strijden, niet om persoonlijk voordeel of uit persoonlijke wraak, maar omdat ze mensen willen zijn.”

Socialistische Duitse Studentenbond

In dergelijke woorden herkenden de studenten zich. Marcuse was in 1966 aan de universiteit Frankfurt op uitnodiging van de Socialistische Duitse Studentenbond (SDS) hoofdspreker op het congres ‘Vietnam – analyse van een voorbeeld’. In het jaar daarop sprak hij onder grote bijval in een vierdelige serie voordrachten met als titel ‘Het einde van de utopie’. Daar discussieerde hij ook met Rudi Dutschke, die later stelde, “de bureaucratie als machtsorganisatie moet vernietigd worden”.

De politicoloog Richard Löwenthal, ooit KPD-lid, sinds 1945 bij de SPD, duidde de door de SDS gevoerde discussies als een poging het zelfstandig denken “zonder basiskennis” te willen leren, en verweet de studenten een “extreme vijandigheid naar feiten”.

Heraut van de ’68-ers

Marcuse schrok dat echter niet al te zeer af, hij werd tot “heraut van de ’68-ers”, schrijft de historicus Götz Aly die destijds zelf deelnam in zijn kritisch boek ‘Unser Kampf’. Marcuses ideeën waren “toegankelijk geformuleerd en schreven de studenten een sociale leiderschapsrol met hoge lolfactor toe”, schrijft Aly. Van de inmiddels vooruitboerende industriearbeiders, die hun onderdrukking nauwelijks nog doorzagen, verwachtte Marcuse de revolutie niet meer. Als bondgenoten zag hij volgens Aly daarom niet zozeer de arbeiders in eigen land, als wel de ‘onderdrukten’ in de ‘Derde Wereld’. Gezegd moet overigens ook, dat Marcuse weer in Berlijn in 1968, weigerde de studenten het door hen gevraagde advies over de ‘revolutionaire praxis’ te geven. Wat tot groot misnoegen leidde.

Herbert Marcuse, die een wezenlijke ideologische gedachteleider van de studentenrellen was en deze door zijn aanwezigheid ook ondersteunde, stierf op 29 juli 1979, in Duitsland.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.