De totstandkoming van de verzorgingsstaat in het naoorlogse West-Europa heeft, ondanks de betrokkenheid van christendemocraten, bijgedragen aan de verstatelijking van het maatschappelijk middenveld, waarmee het maatschappelijk middenveld als alternatief voor staatsbevoogding aan belang heeft ingeboet. Bestendiging van de stand van verzorging vraagt om hernieuwde vermaatschappelijking van het maatschappelijk middenveld enerzijds en ruimte voor het nog bestaande, andere – informeel georganiseerde – maatschappelijk middenveld.

De verzorgingsstaat zoals we die kennen is een typisch West-Europees verschijnsel, dat na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de Wederopbouw, tot stand werd gebracht. Na de oorlog begonnen de sociaaldemocratische regeringen van de Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk het meest voortvarend aan de opbouw van hun verzorgingsstaat. Met aanvankelijk enige aarzeling bij collectieve regelingen voor verzorging ‘van de wieg tot het graf’, volgden ook de door christendemocraten gedomineerde regeringen op het vasteland van het vrije West-Europa.[1]

Optuiging verzorgingsstaat
Dat zowel sociaaldemocraten als christendemocraten er in meer of mindere mate van overtuigd waren dat een verzorgingsstaat opgetuigd moest worden, moet begrepen worden tegen de achtergrond van de periode tussen de twee wereldoorlogen. Toen hadden deze landen immers te stellen gehad met een economische depressie en de bijbehorende grootschalige werkloosheid. Die massawerkloosheid was een van de aangrijpingspunten geweest voor radicale ideologieën als het communisme en het fascisme die in het Interbellum veel aanhang wisten te verzamelen en dikwijls geweld niet schuwden om hun doelen te bereiken.[2] Het toenmalige Europarlementslid voor de Britse Conservatieven en voordien directeur-generaal van de National Economic Development Council (vergelijkbaar met de Sociaal Economische Raad in Nederland), Sir Fred Catherwood, waarschuwde echter al dat we weliswaar ons Europese huis aan kant en fascisme en communisme er uit geveegd hebben, maar dat we nu ook een Europa hebben dat meer dan tevoren ontledigt is van christelijk geloof: “Europa is, in de woorden van Christus’ gelijkenis, een schoon geveegd huis, gereed voor zeven duivels erger dan die van weleer om binnen te komen.”[3] De meest collectivistische ideologieën zijn gemarginaliseerd, maar om dat te bereiken zijn collectieve regelingen ingevoerd die enerzijds hebben bijgedragen aan het afnemen van de opwaartse sociale mobiliteit en anderzijds eigengereidheid, entitlement-mentaliteit en profiteursgedrag in de hand hebben gewerkt.[4] Door de solidariteit in het systeem in te bouwen, is het niet langer noodzakelijk dat de mensen zelf solidair zijn en tiert het individualisme welig.

Werkloosheid en vergrijzing
In de eerste decennia van zijn bestaan functioneerde de verzorgingsstaat naar wens. Na de oorlog was er een geboortegolf geweest en er was werk genoeg voor iedereen. Het zou echter al snel blijken dat voldoende werkgelegenheid een voorwaarde was voor het functioneren van de verzorgingsstaat; zolang er economische groei was en dus werkgelegenheid konden de kosten worden opgebracht. Toen de economische groei echter afnam en de werkloosheid doorzette, begon duidelijk te worden dat de kosten van de zorg voor de werklozen verhoudingsgewijs steeds zwaarder zouden gaan drukken op degenen die nog wel werk hadden. Anders dan in de wederopbouwjaren raakte de samenleving verdeeld in mensen die bijdragen aan het systeem en mensen die ontvangen, waarmee de solidariteit onder druk kwam te staan. Daarnaast is de vergrijzing een belangrijk probleem voor de verzorgingsstaat. Na de oorlog tot in de jaren ’60 was er een geboortegolf, sindsdien neemt het aantal geboortes af. Daardoor moeten steeds minder werkenden het geld opbrengen voor de verzorging van steeds meer gepensioneerden, die door de verbeterde volksgezondheid en gezondheidszorg ook langer leven. Het sterfteoverschot kon in landen als Nederland, Duitsland en Frankrijk lange tijd gecompenseerd worden door immigratie. Italië en Spanje hebben echter al te kampen met bevolkingsdaling, terwijl ook Duitsland zich hier steeds meer zorgen over begint te maken.[5]

Wederopbouw

Bijstellen of veranderen?
Het sociale stelsel, dat ontworpen is in een tijd van economische groei, gekenmerkt door bijna volledige werkgelegenheid, waarin werkende jonge mensen betaalden voor de verzorging van een relatief kleine groep zieken en ouderen, staat kortom onder druk nu de omstandigheden zo anders zijn. Vanuit deze ‘harde’ feiten wordt de laatste decennia dan ook gesproken over aanpassingen waardoor de verzorgingsstaat zou kunnen blijven functioneren. Veel oplossingen zijn daarbij vooral gericht op het in stand houden van voorzieningen zonder er fundamenteel iets aan te veranderen, zo worden bijvoorbeeld hoogte en duur van uitkeringen aangepast.[6] Andere, meer structurele, oplossingen tenderen daarbij in neoliberale richting, er is sprake van privatisering, dat wil zeggen verplaatsing naar de markt, van bepaalde verantwoordelijkheden in de zorg voor ouderen en werklozen. Dit brengt ons bij de ‘zachte’ ideële overwegingen rond de verzorgingsstaat. De afname van het geboortecijfer hangt ongetwijfeld samen met deze zachte kant van de zaak. Steeds minder West-Europeanen zijn christelijk, laat staan kerkgaand, en de toenemende welvaart werkt decadentie, individualisme en egocentrisme in de hand, daarmee wordt ook anders aangekeken tegen het krijgen van kinderen en het dragen van verantwoordelijkheid in gezin, school, kerk, buurt en zorg.

Solidariteit en afstand
Het nemen van verantwoordelijkheid voor elkaar, ook wel solidariteit genoemd, vond ten tijde van de verzuiling, dus al voor de totstandkoming van de verzorgingsstaat, plaats, wat te zien is aan de katholieke of protestantse achtergrond van veel zorginstellingen. Hier was dikwijls sprake van formalisering van informele plaatselijke initiatieven. Waarbij plaatselijke initiatieven weer werden samengebracht in overkoepelende organisaties vanwege vermeende schaalvoordelen. In een later stadium werden deze instellingen door middel van financiering en regulering geleidelijk gecoöpteerd door de staat. Dit is ook wel de verstatelijking van het maatschappelijk middenveld genoemd.[7] Hiermee is het reëel bestaande maatschappelijk middenveld op afstand komen te staan van de samenleving en in feite een uitvoeringsorganisatie van de staat geworden. Het paradoxale van de verzorgingsstaat, die uit naam van de solidariteit tot stand is gebracht, is dat het een afname van verantwoordelijkheidsgevoel in de hand heeft gewerkt, die funest is voor de daadwerkelijk beleefde solidariteit met anderen of de samenleving als geheel. De totstandkoming van de verzorgingsstaat is zo bezien zowel een antwoord op de vraag om solidariteit geweest, als een factor in het afnemen van de beleefde solidariteit. Wanneer nu om financiële redenen ernaar gestreefd wordt om verantwoordelijkheden van de staat naar de samenleving te verplaatsen moet rekening gehouden worden met die staat van de solidariteitsbeleving in de samenleving.

Niet staat, niet markt, maar gemeenschap
Voor de christelijke politiek is het bij het opnieuw vermaatschappelijken van (delen van) de verzorging zaak om twee dingen in het oog te houden. Ten eerste dat deze vermaatschappelijking van de verzorging niet simpelweg tot een verplaatsing naar de marktsector daarvan wordt. Ten tweede dat aangesloten wordt bij bestaande, daadwerkelijk beleefde solidariteit, in plaats van de veronderstelde solidariteit waarop de verzorgingsstaat gebaseerd was.[8] De twee hangen met elkaar samen, het eerste kan bereikt worden door het tweede te doen. Wanneer de staat taken afstoot betekent dat doorgaans dat die taken vervolgens vervuld worden door private partijen, zijnde bedrijven met winstoogmerk. In alle West-Europese landen zien we dat gezochte oplossingen in deze neoliberale richting tenderen. Vanuit christelijk-staatkundig perspectief zijn dergelijke oplossingen echter onbevredigend. We komen zo immers van de regen in de drup; wat oneigenlijke taken van de staat waren, worden nu oneigenlijke taken van grote private ondernemers.

Het alternatief is tweeledig en behelst het heruitvinden van het maatschappelijk middenveld. Enerzijds is dit gelegen in het verborgen maatschappelijk middenveld van mantelzorg, tussen buren, in families en kerkelijke gemeenschappen. Het gaat hier om verzorging die juist door haar meer informele karakter goed functioneert en dus ook vooral niet aan financiering en regulering door de staat onderworpen moet worden. Anderzijds moet ingezet worden op het opnieuw vermaatschappelijken van het oude, verstatelijkte maatschappelijk middenveld. Maatschappelijke organisaties zouden niet aan staat of markt overgelaten moeten worden, maar een verantwoordelijkheid van lokale gemeenschappen moeten zijn, waarin sprake is van een reeds bestaande en terdege beleefde solidariteit. Te denken valt aan lokale kerkgemeenschappen en verenigingen of ook aan ideële of vakorganisaties. Veel belangrijke uitvoerende organisaties van de verzorgingsstaat zijn oorspronkelijk ook als zodanig ontstaan, het moet derhalve niet onmogelijk zijn opnieuw een beweging in deze richting op gang te brengen. Bestaande instellingen zullen daartoe in veel gevallen opgedeeld moeten worden in kleinere organisaties met een lokaal of regionaal karakter, waardoor de relationele nabijheid behouden blijft. Daarnaast moeten dergelijke instellingen een coöperatief karakter krijgen, waardoor mensen uit desbetreffende gemeenschap niet slechts bekostigen en/of afnemen, maar ook inspraak hebben ten aanzien van de koers van de organisatie. Als we de crisis van de verzorgingsstaat in deze richting om kunnen buigen is dat vanuit christelijk-staatkundig perspectief zuivere winst, we gaan dan van een gecentraliseerd, verstatelijkt, collectivistisch systeem naar een decentraal systeem dat aansluit bij de reële solidariteit van gezin, buurt en kerk en waar verantwoordelijkheden op hun eigenlijke plaats liggen, een systeem dat beter aansluit bij de concentrische ordening van de liefde.


[1] Zie voor een uitvoeriger bespreking van de historische ontwikkeling van de verzorgingsstaat in Nederland bijv. Wouter Beekers, ‘Van charitas naar zekerheid’ in Wouter Beekers en Koert van Bekkum (red.), Christelijke charitas in een seculiere verzorgingsstaat. Bavinck Lezingen 2010 (Nederlands Dagblad, Barneveld, 2011).

[2] Tony Judt, Een grenzenloze illusie? De kwestie Europa (Bijleveld, Utrecht, 1997) 101-106 en C.J.M Schuyt, Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat (Leiden, 1991) 3.

[3] Frederick Catherwood, A Better Way. The Case for a Christian Social Order (Inter Varsity Press, 1976).

[4] Zie bijvoorbeeld Theodore Dalrymple, Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse in stand houdt (Spectrum, 2004) en Beschaving of wat er van over is (Nieuw Amsterdam, 2005).

[5] Ibid.

[6] R. Kuiper, ‘Op weg naar nieuwe solidariteit’ in Over de schutting. Op weg naar nieuwe solidariteit (De Vuurbaak, Barneveld, 2005).

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


[7] A. Rouvoet, Reformatorische staatsvisie. De RPF en het ambt van de overheid (Marnix van St. Aldegonde Stichting, Nunspeet, 1992) 55-59 en  172-182.

[8] Voor de bestendigheid van solidariteit is relationele nabijheid van essentieel belang. Zie bijvoorbeeld M. Schluter en D. Lee, The R Factor (Hodder & Stoughton, London, 1993), en ook R. Kuiper en C. Visser (red.), Over de schutting. Op weg naar nieuwe solidariteit (De Vuurbaak, Barneveld, 2005).


Zicht
Zicht SGP WelvaartsstaatDit artikel verscheen in Zicht 2013-1: Hervorming welvaartsstaat.

Iedereen beseft dat economische en sociale hervormingen dringend nodig zijn om tot meer gezonde en stabiele verhoudingen te komen. Dat doet pijn. Dat kost inspanning. Dat vergt uithoudingsvermogen. En het vraagt om creativiteit. Deze editie van Zicht bevat een divers palet van bijdragen en interviews over hervorming van onze welvaartsstaat.

Vanaf 2012 heeft Novini een eigen rubriek in het tijdschrift Zicht onder de naam Worldview. Zicht is een kwartaaluitgave van het Wetenschappelijk Instituut van de SGP. Meer info over Zicht vindt u hier.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Geef een reactie