Het meest recente boek van John Gray, De ziel van de marionet. Een zoektocht naar de vrijheid van de mens, is een verzameling essays die de afgoden van de moderniteit van hun sokkels stoten, één voor één. Met de recht-voor-zijn-raapheid van een zelfverzekerde jonge student neemt de grijze professor alles van gnosticisme tot overmoed en van barbaarsheid tot bijziendheid onder vuur. De scope van de verzameling essays roept tegelijk medelijden en bewondering (dat het toch gelukt is!) op voor degene die daar een flaptekst voor moest schrijven.

Gray heeft dan ook werkelijk iets te melden. Waar de media zich vooral richten op externe bedreigingen voor de westerse beschaving, zoals islamitisch extremisme, geeft Gray er de voorkeur aan een blik naar binnen te werpen. In dit boek bespreekt hij de afslagen die men heeft laten liggen op ieder kruispunt in de ontwikkeling van onze beschaving, de waarden waarop niet de nadruk viel, de illusies die niet gehuldigd werden, de kennis die niet onder het grote publiek verbreid werd.

Wellicht zou niet iedereen onmiddellijk aan gnosticisme denken als vertrekpunt voor een boek dat de weeffouten van de moderniteit aan wil prangen. Enerzijds kan het op sommigen overkomen als een misplaatste christelijke insteek en zou men verder terug willen kijken in de tijd, aan de andere kant zijn veel christenen geneigd om het gnosticisme weg te zetten als een rommelpotje van mystieke cultussen, Joodse folklore, Platonisme en verkeerd begrepen christelijke leerstukken.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Gray laat echter op overtuigende wijze zien dat het gnosticisme cruciaal is voor het begrijpen van het Westen. Sterker nog, de filosoof laat zien dat het Westen in essentie crypto-gnostisch is vanwege het geloof, dat de motoren van de westerse cultuur gaande houdt, dat het kan opklimmen tot een “staat van bewuste onschuld”, waarbij vrijheid wordt verkregen “door in een daad van metafysisch geweld de hemel te bestormen”. Een visie waarvan men volgens Gray gelooft dat deze door de wetenschap verwerkelijkt zal worden. Die zal de menselijke geest op een of andere wijze in staat stellen te ontsnappen aan de beperkingen die haar natuurlijke staat vormen.

Gray schrijft dit alles af als Faustische hoogmoed en herhaalt tegen het culturele regime in zijn bewondering voor de godsdiensten, volken en beschavingen die kwetsbaarheid, eindigheid, geweld, absurditeit enz. toelaten in hun systemen. “Zich bewust van het kwaad”, schrijft hij “weten traditionele gelovigen dat het niet door menselijk handelen uit de wereld uitgebannen kan worden.” Ze hebben de fatale fout in Westerse dromen opgemerkt: iedere hogere soort moet gecreëerd worden door daadwerkelijk bestaande menselijke wezens.

In een ander essay gebruikt Gray, even bijtend sjibbolets tot de grond toe affakkelend, Leopardi om de teleologie van de vooruitgang onderuit te halen. Zijn argument in dezen komt er in essentie op neer dat vooruitgang illusies wegneemt, als illusies weggenomen worden wordt de mens gedenatureerd en gedenatureerde mensen zijn barbaars. Hij deelt ook het briljante inzicht van de Italiaanse dichter dat “naarmate de menselijke kennis toeneemt, de menselijk geest kan wegkwijnen”, een observatie die heden en dage maar weinig onder ogen gezien wordt.

Misschien het meest ongebruikelijke hoofdstuk in het boek, dat tot de kern van de zaak doordringt, is het hoofdstuk over Hobbes. De Engelse denker fundeert grote delen van het moderne denken – een ideologie waarvan de as balanceert op de notie van het sociaal contract – en Gray heeft de moed om de royalist, die meestal beschouwd wordt als de kwintessentiële realist, als quixotisch van de hand te wijzen. Het idee dat mensen op de dreiging van een gewelddadige dood reageren door vrede te zoeken is volgens Gray volslagen onzin. Gray weigert te geloven dat een dergelijke rationele transactie verantwoordelijk kan zijn voor het uitdrijven van de demons van de natuur.

In plaats daarvan verandert alleen het spel. “Er zijn veel soorten dodelijk geweld die niet onmiddellijk de dood tot gevolg hebben”, zo schrijft hij omineus. Vandaag de dag worden gewelddadige impulsen gesublimeerd, wat we de lange vrede noemen is in werkelijkheid een nieuwe soort oorlog. Geestelijke gezondheid wordt het offerlam in een samenleving die vastberaden is van zichzelf een soort machine te maken: een verderfelijk ding, zoals in Blake, dat met iedere grote sprong een ander deel van de samenleving – en daarmee alles dat echt menselijk is – voor obsoleet achter zich laat. Als de Industriële Revolutie een lompenproletariaat gecreëerd heeft, dan creëert de huidige samenleving een lompenbourgeoisie. En het zou alleen een kwestie van tijd kunnen zijn voor de elite ook irrelevant wordt.

En al zou dat niet zo zijn, hoe kan een samenleving waarin de meerderheid geen productieve rol heeft in de vrede duurzaam zijn, zo vraagt Gray zich af. “Duurzaam”, of misschien nog meer ter zake: moreel juist. Maar moralisme komt er niet aan te pas in het circus, de grap die Guy Debord als het “spektakel” beschrijft en die vier elkaar versterkende kenmerken kent: “onophoudende technologische vernieuwing, integratie van de staat en de economie, onweerspreekbare leugens, en eeuwig heden”.

Een circus met gevangenismuren in plaats van tentdoek, waarin het eeuwige heden in perpetuum geobserveerd en bewaakt wordt met dank aan de aard van elektronische sporen die iedere transactie, sociaal of anderszins, achterlaat. Technologie is alomtegenwoordig geworden en die alomtegenwoordigheid suggereert of impliceert alwetendheid. Het is geen geheim dat de indruk van alwetendheid sinds het Panopticon het model voor sociale controle par excellence is geweest.

Hoe zijn we in dit drijfzand verzeild geraakt? Grays antwoord is tot simplistische kortheid terug te brengen door het antwoord van de Griekse treurspeldichter: hoogmoed. Hoogmoed heeft een aantal dwaasheden omgezet in conventies. Ten eerste bijvoorbeeld het idee dat we de auteurs zijn van ons eigen lot. We zijn hooguit achteraf auteurs van ons eigen leven. Ten tweede het idee dat de wetenschap een wonderbaarlijke sleutel tot een messiaanse hoogte vormt, terwijl het veeleer slechts een nuttige methode voor het begrijpen van een klein hoekje van het universum is, dat toevallig niet volstrekt chaotisch is. Ten derde het ijdel antropomorfiseren van evolutie, alsof het gehecht zou zijn aan in essentie vroege Verlichtingswaarden van zelfbewustzijn, rationaliteit enz., terwijl het in feite nauwelijks te onderscheiden is van onversneden machtsuitoefening. En ten slotte het idee dat onze beschaving rationeel is, gebouwd op rede en niet op geloof.

Basis CMYKMarcus Aurelius had het beter in het snotje. In plaats van te geloven in een god die de gelovigen de overwinning zou garanderen, of in de metafysische onvermijdelijkheid van het zegevieren van beschaving over barbarij, of in een geschiedenis vervuld van betekenis, riep de Romeinse keizer zijn soldaten samen tot de strijd op het brood van hoop alleen: een veel eerlijker onderneming. Vandaag de dag beschouwen we dit als een wanhoopsraad; in de antieke wereld werd het als een teken van gezondheid en helderheid van geest gezien.

N.a.v. John Gray, De ziel van de marionet. Een zoektocht naar de vrijheid van de mens (Ambo/Anthos: Amsterdam, 2015), paperback, 175 pagina’s.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.