De twintig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog waren in zeker opzicht net zo ingrijpend als het conflict zelf. In deze periode trad er een verschuiving van wereldmacht, van Europa naar Amerika, op.

Tegen de jaren ’60 hadden de Amerikanen een hegemonie gevestigd, waarmee alleen de Sovjet-Unie nog wedijverde, maar die lag op dat moment duidelijk achter. Groot-Brittannië, als wereldmacht van voor de oorlog, was bankroet, maar zou haar impotentie pas geleidelijk zelf in gaan zien.

Binnen een paar maanden na het einde van de Tweede Wereldoorlog was de Koude Oorlog ingetreden. Het Amerikaanse monopolie op nucleaire afschrikking was van slechts korte duur, want tegen 1949 was ook de Sovjet-Unie in staat een kernbom te fabriceren.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Daar de Europeanen vastberaden waren niet nog eens in een oorlog verzeild te raken, bestreden de nieuwe supermacht en zijn vijand elkaar in plaats daarvan indirect in het Verre Oosten, Afrika en zelfs de Caraïben. Dit zijn de verhalen, onder andere, die Michael Burleigh vertelt in zijn uitstekende kennisrijke, inzichtgevende en vaak geestige boek over conflicten tussen 1945 en 1965.

Kleine oorlogen, verre kusten

Burleigh doet geen poging de hele wereld te beschrijven, maar kiest episodes uit waar hij een bijzondere belangstelling voor heeft en die het overkoepelende thema van zijn werk illustreren: hoe het zover kwam dat de Verenigde Staten aan het eind van Eisenhowers termijn als president, om met Sellar en Yeatman te spreken, ‘top nation’ waren geworden.

Dit was de culminatie van een beleid van Woodrow Wilson dat leidend was geweest in de Amerikaanse benadering van de conferentie van Versailles in 1919: de vernietiging van Europese imperiale macht. De Habsburgers, Hohenzollerns en Ottomanen waren van het toneel verdwenen; de nog uitstaande zaak was het Britse imperium, dat na 1945 onhoudbaar bleek te zijn.

Zoals Burleigh vaststelt, waren de Amerikanen er, vanaf het moment dat ze, in december 1941, deel gingen nemen aan de Tweede Wereldoorlog, volstrekt duidelijk over dat hun doelstellingen in de oorlog niet het in stand houden van het Britse imperium omvatten. En zelfs voor de Indiase onafhankelijkheid in 1947, gedroeg Amerika zich al alsof het geen tegenspraak zou dulden in de wereld, terwijl het zijn bereik vergrootte door middel van bondgenoten en cliëntstaten. Dit had er deels mee te maken dat Amerika zichzelf als enige bolwerk tegen de verbreiding van het communisme zag en deels omdat het sinds het Wilson-tijdperk gewend was geraakt aan het streven naar de positie aan de top van de internationale pikorde. De hoogmoed waar deze mindset toe leidde, wordt door Burleigh treffend geïllustreerd aan de hand van Amerikaanse interventies in de Filipijnen, Cuba en Vietnam met steeds deprimerender resultaten.

Wind of change

De Britse afstand van de wereldmacht wordt geschetst als direct gevolg van de uitputting van haar financiële middelen.Voor 1947 had Groot-Brittannië al aan zijn grote bondgenoot laten merken, dat hij het zich niet langer kon veroorloven in het Midden-Oosten de van hem gevraagde rol te spelen. De Britten waren er op gebrand zich zo snel mogelijk terug te trekken uit Palestina, maar de Conservatieve regering van de jaren ’50 lijkt die les weer te zijn vergeten en keerde terug in de regio met desastreuze gevolgen.

Burleigh schetst het Suezdebacle van november 1956 terecht als het moment waarop de realiteit de overhand kreeg op Groot-Brittannië en zijn regeerders eindelijk beseften dat het land een bijrolspeler was geworden op het wereldtoneel. Zijn pogingen om de Maleisische opstand meester te worden, hielden de schijn nog even op, maar al snel werden blanke kolonisten naar veiliger kusten verdreven. Het aanhouden van Afrikaanse kolonies was alleen mogelijk op basis van grof geweld, zoals geïllustreerd wordt door het Hola-bloedbad van 1959 in Kenia, waarbij kampbewakers Mau Mau-gevangenen doodsloegen, een affaire die enkele maanden voorafging aan Macmillans ‘wind of change‘-speech.

Het Britse imperium was echter niet het enige dat in deze periode onttakelde. Het zelfde gold voor het Franse imperium, eerst in Indochina, waar het zich geconfronteerd zag met door de Chinezen en/of Sovjets gesteunde communisten, daarna in Algerije met nationalisten. Alleen De Gaulle, de laatste man van wie men verwachtte dat hij ook maar een vierkante centimeter Frans territorium prijs zou geven, zag de onmogelijkheid in van het in stand houden van de aanwezigheid van zijn land in Noord-Afrika. Door middel van ambiguïteit, dubbelhartigheid en rond verraad aan zijn beginselen – en aan de Harki’s die Frankrijk trouw gediend hadden – bevrijdde hij zijn land van een bloedbad. Net als vele voormalige Britse kolonies, zou Algerije zichzelf nog decennia geweld aandoen, maar Frankrijk kon zich daar ten minste aan onttrekken. Verder naar het zuiden blonken ook de Belgen en Portugezen niet uit in fijnzinnigheid en bekwaamheid, wat mede de nodige bruggenhoofden voor Sovjet-invloed door middel van marxistische guerrilla-organisaties schiep.

Amerika profiteerde, meer dan de Sovjet-Unie, van dit weglekken van Europese macht. Hoewel zijn verhouding met individuele Europese landen ogenschijnlijk nooit die van meester en dienaar werd – of tenminste niet tot het premierschap van Tony Blair, was door het toenemen van de Amerikaanse macht en het ontmantelen van de laatste Europese kolonies voor iedereen duidelijk wie nu de echte meesters waren.

Eisenhower versus Kennedy

Bij de Amerikanen ging dat besef gepaard met een zekere arrogantie. Burleigh is met name scherp in zijn vergelijkende schildering van Eisenhower en zijn opvolger Kennedy: de eerste een man met grote ervaring als bevelhebber en gespeend van het verlangen om indruk te maken, de laatste een construct van zijn vreselijke vader, wiens weg naar de top gekocht werd met familiegeld. Eisenhower wordt neergezet als een man die bedachtzaam en met wijsheid opereerde terwijl Amerika in de jaren ’50 zijn macht uitbouwde. Hij verloor nooit het militaire gevoel voor welke oorlogen te winnen waren en dus veilig aangegaan konden worden. Hij had ook het realisme om te doorzien dat Groot-Brittannië zich in de jaren ’50 (met Churchill voorop) alleen nog voordeed als wereldmacht, en zelfs toen dat waanbeeld verdween nog altijd meende aanspraak te kunnen maken op een bijzondere positie in de internationale betrekkingen en een bijzonder relatie met Amerika. Ike was onsentimenteel in zijn opstelling en wees deze notie dan ook, haast met een toon van deernis, van de hand.

Burleigh is een goede en beknopte schrijver, maar nergens blinkt hij meer uit dan in zijn korte schets van Kennedy, een moreel zwakke figuur die niet in staat was iets anders serieus te nemen dan de vrouw waar hij nu weer eens achteraan zat.  Samen met zijn onbeminnelijke broer Bobby, die vijf jaar later dan hij vermoord werd, blunderde JFK met de Varkensbaai en kon hij, alleen door het gelukkige toeval van Chroesjtsjevs incompetentie en zijn moeizame relatie met Fidel Castro, zonder kleerscheuren een uitweg vinden uit de Cubacrisis.

Het zou echter Lyndon Johnson zijn die de ultieme blunder van Amerikaanse arrogantie beging, met zijn grootschalige inzet van gevechtstroepen in Vietnam. Harry Truman, die toen nog leefde, had hem het een en ander kunnen vertellen over de hoofdpijn die de Korea-oorlog hem bezorgd had en wat een opluchting het was geweest toen Amerika zich daaruit terug kon trekken. Maar Johnson geloofde in Amerika’s goddelijke roeping om de communistische bedreiging te bestrijden en dacht er geen moment aan dat zijn land dezelfde vernederende nederlaag beschoren zou kunnen worden als de Franse een decennium eerder hadden geleden met hun schokkende nederlaag bij Dien Bien Phu in 1954.

Michael Burleighs boeiende boek eindigt voordat Vietnam Amerika’s letterlijke en morele kerkhof zou worden. Benieuwdheid naar zijn interpretatie van die episode is dan ook niet de minste reden om uit te zien naar een eventueel vervolg op dit boek.

N.a.v.  Michael Burleigh, Small Wars, Far Away Places. The Genesis of the Modern World: 1945-65 (Macmillan: Londen, 2013), paperback, 608 pagina’s.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.