Op 22 juni aanstaande houdt Sid Lukkassen een bijeenkomst in het kader van zijn project ‘nieuwe kerk’ c.q. ‘nieuwe zuil’. Op diverse plaatsen, waaronder op Novini, heeft hij hier aandacht aan gegeven. Al eerder heb ik hier op Novini dit initiatief toegejuicht. Niet omdat ik het in alles met Sid Lukkassen eens zou zijn, maar vanwege het initiatief zelf, de pretentie die eruit spreekt, de noodzaak van dergelijke initiatieven, enkele interessante opvattingen die Lukkassen in dit kader te berde bracht en – niet het minst – zijn vermogen om te kunnen gaan met opvattingen die niet stroken met de zijne. Waar bij velen – op zowel rechts als links – elke oppositie wordt beantwoord met een oorlogsverklaring, is Sid één van de weinigen die zijn innerlijke rust behoudt en ook werkelijk de ‘ander’ blijft zien staan.

https://www.eventbrite.nl/e/tickets-crowdfunding-sid-lukkassen-dnk-46875655347?aff=efbeventtix

Mijn agenda laat weinig uitstapjes toe, spijtig genoeg, zodat ik niet in Arnhem kan zijn waar Sid zijn bijeenkomst zal houden. En waar niet alleen hij, maar ook Eric Hendriks een referaat zal houden. Ik schrijf dit artikel dan ook vanaf de zijlijn. Met kritiek die niet alleen mijn eigen positiebepaling uiteenzet, maar die ook bedoeld is dienstbaar te zijn aan een inhoudelijke dynamiek rondom thema en opzet van Lukkassens project.

In zijn jongste bijdrage op Novini, Over nut en noodzaak van de Renaissancevloot – Zin en onzin van ‘imagined traditions’, schetst Sid Lukkassen een helder beeld van zijn visie aangaande hoe ons land eruit zou moeten zien. Kort gezegd zijn het twee polen die elkaar nodig hebben en elkaar versterken: de seculiere rechtsstaat plus nationalisme. Hij citeert daarbij instemmend Gerard Pieters, een oud-docent Middeleeuwen van hem die ooit zei: “Als een natiestaat geen boeiende verhalen kan vertellen over haar geschiedenis, dan verliest de democratie iedere samenhang.”

Het is een kernachtige verwoording van het liberale project van de negentiende eeuw waarbij niet alleen naties werden gevormd, maar ook werden voorzien van nieuwe, bijbehorende verhalen, tradities en idealen. De Britse historicus Eric Hobsbawm zou kunnen zeggen: “toen ‘invented nations’ hun eigen ‘invented traditions’ bijeen gingen scharrelen”.

Robert Fruin ‘verrijkte’ onze geschiedenis door van een reeks gewapende conflicten in de Opstand tegen Spanje een ‘Tachtigjarige Oorlog’ te maken: een term die zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlanders volstrekt vreemd in de oren zou hebben geklonken. De historicus Colenbrander maakte ons wijs dat de Nederlandse volksaard altijd volgzaam en gehoorzaam was geweest, iets wat Johan Joor als mythe heeft ontmaskerd in zijn studie ‘De adelaar en het lam’. Van de Engelse historicus Motley werd de mythe overgenomen van het conflict tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt als die tussen de rekkelijke raadspensionaris en de ‘precieze’ Maurits – iets dat de negentiende-eeuwse liberalen met hun weerzin tegen ‘preciezen’ (gereformeerden) toevallig heel goed van pas kwam. Op scholen werd men overstelpt met verhalen over de typische Nederlandse handelsgeest – terwijl ons land altijd voornamelijk geld verdiende met landbouw en nijverheid, ook in de 17e eeuw – en roemruchte verhalen over de zogenaamde ‘Gouden Eeuw’ die in feite een tijd was van extreme verarming en verpaupering. Het koningschap werd uitgevonden. Patriciërs (regenten) werden in de adelstand verheven als nieuwe geldadel. Nederland liftte mee op de golf die het westen teisterde: de ‘Whig interpretation of history’ in al haar varianten. Geschiedenis zou een gang van vooruitgang zijn, van ellende naar rijkdom, van duisternis naar licht, van geloof en bijgeloof naar redelijkheid en wetenschap. Zwarte legendes werden in het leven geroepen om de duisternis te versterken waaruit de ‘Verlichting’ ons zou hebben uitgeleid. Liberale sprookjes over dat men vroeger leerde dat de aarde plat was, bijvoorbeeld. Dat Aristoteles via de Arabieren naar Europa was gekomen. Dat mensen zich vroeger nooit wasten. Dat de liberalen de mensenrechten hadden uitgevonden. En de vrije-markt economie.

Kindertjes werd op scholen onderwezen de grootse daden van ons verleden. Kweekscholen leerden de onderwijzers deze kindertjes mooie verhalen te vertellen van deugdzaamheid, Piet Hein, vlijtigheid, Michiel de Ruyter, gehoorzaamheid, Bredero, volgzaamheid, Willem van Oranje. Historie was nodig om het natiebesef te versterken, christendom was nodig om het volk moraal bij te brengen en ze in het gareel te laten lopen. Maar alles moest wel zijn plek weten: de historie stond in dienst van het natiestaatverhaal, God en de kerk in dienst van de liberale burgermansmoraal. Alles wat hier niet mee strookte werd het liefst verbannen, maar op zijn minst genegeerd. Strenge gereformeerden, katholieken, het rapaille. Maar ook: de werkelijke geschiedenis. Nog in 1935 moest minister Henri Marchant aftreden omdat zijn positie binnen de liberale VDB onhoudbaar was geworden vanwege zijn overgang van de hervormde kerk naar de Rooms-katholieke kerk; nog steeds was katholiek-zijn onverenigbaar met de liberale identiteit die men gerust transponeerde naar die van de ganse natie.

Met andere woorden: men gebruikte de historie, de religie, de tradities als wegwerpartikelen, niet als fundament en identiteit van onze cultuur, en niet omdat men erin geloofde, of er enige waarde aan hechtte, maar vanwege eigen doeleinden. Alles was functioneel zolang het de hogere doelen diende. Het huwelijk was voorlopig nuttig, evenals het patriarchaat, de kerk of wat dan ook. Maar het kenmerk van de liberale geschiedenis, cultuur en moraal is vooral: ze zijn leeg. Het zijn ballonnen die worden opgeblazen om het liberale feestje op te sieren. Om daarna te worden doorgeprikt. Dat doorprikken gebeurde voortdurend. Om in de jaren ’60 van de vorige eeuw te culmineren in een heuse culturele revolutie.

Deze leegheid was en is fundamenteel voor de liberale cultuur. Ooit dacht de GroenLinks-politica Femke Halsema interessant te doen door te spreken over de gedachte van ‘de lege troon’ als essentie van onze democratische rechtsstaat. Die gedachte van Claude Lefort kwam in feite weg bij François Guizot, een protestantse, liberale politicus die na het verbannen van Napoleon naar Sint-Helena een stempel drukte op de Franse politiek. De restauratie na 1815 was geen restauratie, net zomin als die in Nederland dat was na het verdrijven van de Fransen. De Revolutie werd voortgezet: troon en altaar bleven leeg, moesten immer leeg blijven. De geschiedenis werd door de Franse liberalen herschreven door de genocide in de Vendée weg te moffelen, terwijl nota bene Napoleon zelf dit had willen rechtzetten.

Om bij Nederland te blijven: het liberalisme maakte in feite af wat het handels- c.q. protokapitalisme in de zeventiende eeuw reeds had gedaan. In die tijd raakten hordes mensen ontheemd en verpauperd en werden tradities afgeschaft of raakten in vergetelheid. De bindende macht werd geld. Niet voor niets noemde Coornhert de Nederlanders smalend ‘de geldisten’ als het talrijkste soort dat er in ons land rondliep. Dat was dus in de negentiende eeuw niet alleen anders; het werd zelfs het leidende beginsel. Met het censuskiesrecht werden mensen voortaan getaxeerd op hun belastingbijdrage. Niet afkomst of het vrij burger zijn van een stad was bepalend, maar de bijdrage aan de schatkist van de staat. Mensen werden opgepakt en gedropt in streken, wijken of dorpen omdat hun levensstijl niet strookte met de burgerlijke beginselen. Nederland werd één groot heropvoedingskamp. Tot in de jaren na de Tweede Wereldoorlog lagen er plannen klaar om gemeenschappen als Urk uit elkaar te trekken. Deze politiek van saneren en verplaatsen van wortelloze burgers is tot in onze tijd schering en inslag.

Het onthoofden van een koning leidde tot het principe van de lege troon – en deze leegheid werd kenmerkend voor het politieke denken. Ons systeem en onze cultuur mochten principieel nooit meer een hart bezitten. De troon moest leeg blijven, de altaren werden geslecht, en later zouden ook de katheders volgen, het land, de verbintenissen tussen mensen, de natuurlijke verbanden. Ja, zelfs de taal zou volgens de literatuurwetenschapper George Steiner leeglopen omdat het contract tussen hemel en aarde zou zijn verbroken.

In een sfeer van cultuurchristendom, cultuurconservatisme, burgerlijke dominees en ambtenaren die op papier nog lid waren van de hervormde kerk kon het natieverhaal nog functioneren, inclusief dat van de VOC, Michiel de Ruyter en Piet Hein. In de huidige, verliberaliseerde maatschappij slaat dit alles als een tang op een varken. Het afscheid van de oude narratieven stopt echt niet bij wat zeehelden. Ze neemt bezit van alle erfgoederen van onze cultuur. Klassieke vrijheden worden zinloos. De vrijheid van vereniging stopt zinvol te zijn als mensen zich niet meer verenigen. Als roeping, ambt en personificatie holle begrippen uit het verleden zijn, heeft het koningshuis haar betekenis verloren. Maar ook het ministerschap als dienaar van het volk, volkssoevereiniteit bij gebrek aan ‘volk’. Zelfs het begrip ‘ambtenaar’ is dan een ridicuul begrip geworden. Geweten, ziel, huwelijkstrouw, vrije wil – de rij van leeggelopen woorden die leeggelopen zaken aanduiden is ondertussen enorm.

We zijn alleen nog maar in staat in termen van leegheid te denken. Immigratie is geen etnisch probleem, maar een religie-probleem. Integratie is niet meer onderdeel uitmaken van een gemeenschap, maar het omhelzen van abstracte principes plus taalkennis en deelname aan de arbeidsmarkt. Vrijheden die nog inhoud hebben, zoals de vrijheid van godsdienst, moeten opgaan in vrijheden die leeg zijn, zoals die van meningsuiting. Concrete benaderingsvormen hebben plaatsgemaakt voor abstracte zoals het streven naar openheid, verbinding en gelijke behandeling. Met het overzetten van het antidiscriminatiebeginsel van de staat naar het private domein is niet alleen Vrouwe Justitia blind, maar wordt van ons allemaal verlangd dat we blind zijn en ons slechts laten leiden door omstandigheden.

Waarom dit uitweiden over leegheid? Omdat het pleidooi van Lukkassen voor een ‘open debatcultuur’ een valkuil is. Ik citeer eerst Lukkassen uit een eerder artikel:

“Nu nemen wij de Duitse filosoof Julian Nida-Rümelin als uitgangspunt. Hij is bij uitstek de serieuze denker-politicus met een rotsvast vertrouwen in de open debatcultuur als draagsteen van de parlementaire democratie. Lezen we de werken van Nida-Rümelin, dan zien we een democratie voor ons oprijzen die is gebaseerd op overleg, transparantie, feitenkennis en rationaliteit.

“Demokratie ist ohne Wahrheitsansprüche inhaltsleer. Demokratie ist kein bloßes Spiel der Interessen. Politische Entscheidungen sind nicht lediglich »Dezisionen« ohne Begründung und ohne ethischen Gehalt.”  In Demokratie und Wahrheit (2006) stelt de auteur dat aan ieder democratisch besluitsvormingsproces waarheidsclaim over feiten en over ethiek ten grondslag liggen: “Die Wahrheit, das Ringen um das empirisch und normativ Richtige, haben einen zentralen Ort in der Demokratie.””

Ik gebruik dit citaat omdat hierin zowel de openheid als de waarheidsclaim naar voren komt. Had ik namelijk alleen verwezen naar de openheid, dan had ik geen recht gedaan aan de motieven van Sid Lukkassen. Toch blijft mijn kritiek staan. Nida-Rümelin’s kritiek op het decisionisme komt niet uit de lucht vallen. Het is dezelfde kritiek van Voegelin en Löwith op het decisionisme van rechtsgeleerden als Kelsen en Schmitt. Het is de kritiek die is ontsproten aan het inzicht van Weber dat de moderne mens zich bevindt in een ‘ijzeren kooi’, blind voor ‘Gott oder Teufel’. Het is het inzicht dat mede deze blindheid voor ‘Gott oder Teufel’ heeft geleid tot de rampen van de twintigste eeuw.

Openheid is meer dan overlegruimte – is meer dan een lege tafel en een lege agenda. Openheid ontstaat in verbinding met de waarheid en functioneert slechts bij het besef dat de bronnen van deze waarheid buiten ons en ons overleg liggen. Openheid leidt ons net als de vrijheid in een dilemma. Zoals de Duitse filosoof Böckenförde het verwoordde in zijn bekende ‘Diktum’ of theorema:

“Der freiheitliche, säkularisierte Staat lebt von Voraussetzungen, die er selbst nicht garantieren kann. Das ist das große Wagnis, das er, um der Freiheit willen, eingegangen ist. Als freiheitlicher Staat kann er einerseits nur bestehen, wenn sich die Freiheit, die er seinen Bürgern gewährt, von innen her, aus der moralischen Substanz des einzelnen und der Homogenität der Gesellschaft, reguliert. Anderseits kann er diese inneren Regulierungskräfte nicht von sich aus, das heißt mit den Mitteln des Rechtszwanges und autoritativen Gebots zu garantieren suchen, ohne seine Freiheitlichkeit aufzugeben und – auf säkularisierter Ebene – in jenen Totalitätsanspruch zurückzufallen, aus dem er in den konfessionellen Bürgerkriegen herausgeführt hat.”

De staat – de seculiere rechtsstaat – kan haar eigen bestaansvoorwaarden niet waarmaken. De betekenis en daarmee de inhoud van de vrijheid die zij moet waarborgen wordt van buitenaf verleend. Ik zou verder willen gaan: een maatschappij of staat kan slechts dan krachtig zijn en in staat zijn weerstand te bieden tegen machten die haar willen omverwerpen als ze substantie heeft, de nodige hardheid om weerstand te kunnen bieden.

Loutere openheid is niet in staat deze weerstand te kunnen bieden. Haar leegheid houdt niets tegen. Het vluchtelingenprobleem spreekt hier boekdelen. Grenzen zijn nodig, maar ook grensbewakers. En vooral: weerstandsvermogen bij de grensbewakers om tegen te houden. En weerstandsvermogen bij de begrensde maatschappij om achter de grensbewakers te staan en hun handelen. Juist dit voorbeeld laat zien dat dit weerstandsvermogen grotendeels afwezig is. We zien het in het onderwijs waar toenemende problemen gepaard gaan met een steeds grotere afwezigheid van ordebewakers. We zien het in de gezinnen. We zien het overal.

Onze seculiere staat is leeg. En deze haar staat, zijn haar seculiere inwoners blind, wortelloos, zielloos, religieloos en kinderloos. Zelfs eega’s zijn ingewisseld voor partners waar je in no time van verlost kunt worden. Idem met werknemers. Verbondenheid is een lege huls. Kinderen zijn nog net niet formeel volledig eigendom van de staat. Verplichte kinderopvang. Het verplicht stellen van openbaar onderwijs. Het steeds meer beperken van de rechten van ouders m.b.t. hun kinderen – het zijn de contouren van de burger die in principe geen kinderen heeft.

Onze veelgeprezen openheid staat dan ook steeds meer voor leegheid. Ook onze rechtsstaat is daarmee leeg. De rechtsstatelijke verrommeling – door o.m. Ollongren – vindt niet voor niets plaats: de rechtsstaat is geen werkelijkheid meer voor haar politici, laat staan voor haar burgers. Innerlijk kan ze niet gedragen worden aangezien het innerlijk is afgeschaft. Lege tronen hebben evenals lege altaren de eigenschap uiteindelijk alleen nog maar een lege plek achter te laten waar zelfs de herinnering is vervlogen. Hoe snel dat kan gaan, zien we in Engeland. Voor veel jonge Engelsen is Europa meer realiteit dan Engeland of het Verenigd Koninkrijk.

De verhalen rond de natiestaat hebben hun betekenis verloren. De leegheid die is ontstaan, is echter niet zichtbaar als leegheid. Het wegtrekken van de oude kaders heeft een ruimte gecreëerd die is opgevuld met consumeergedrag, vermaak, regels en verplichtingen, afhankelijkheid van het systeem. Sociale media hebben het sociale vervangen. Televisie het leven op straat. Het milieu de religie. De versten in de Derde Wereld hebben het gewonnen van de naasten in onze straat.

Het is schijnopenheid die deze zaken bieden. De Eritreeër kennen we via de TV net zolang tot hij naast ons komt te wonen. En dan blijkt het een vreemde te zijn met wie geen gesprek en uitwisseling mogelijk is. Deze liberale openheid is dan ook een illusie.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Klassieke openheid heeft echter evenals vrijheid een positieve betekenis. Het verwijst ergens naar. Het wordt gevoed en heeft daardoor als het ware substantie. Net zoals de echte vrijheid positief van karakter is: je bent vrij tot (in plaats van de liberale vrijheid die slechts vrij doet zijn van), is ook openheid positief van karakter. Openheid staat niet voor leegheid, zoals de liberalen ons wijsmaken, maar voor inhoud. Je bent open tot. Je man of vrouw. Je vrienden. Je familie, vaderland, afkomst, God, noem maar op.

Alleen met dit besef is het volgens mij mogelijk een nieuwe kerk te stichten. Namelijk met het besef dat mensen geen lege wezens zijn. Dat vrijheid niet leeg is. Dat de geschiedenis niet leeg is, niet vrijblijvend en naar eigen inzicht toepasbaar. Een kerk kan alleen gesticht worden als men zich afkeert van de liberalen en hun erfenis.

Om een nieuwe zuil of kerk te vormen, is er geen ruimte nodig voor uitwisseling van ideeën, maar besef van substantie en kracht. Vriendschap, verbondenheid en opofferingsgezindheid vormen samen een vruchtbaardere bodem voor ideeën dan een lege denkpiste.

Het seculiere, het liberale en het rechtsstatelijke hebben hun uitwerking gehad. Hun openheid zou ons gestolen moeten kunnen worden. Het liberalisme heeft zoveel barrières voor vooruitgang en verlichting opgeruimd – maatschappelijke, culturele, mentale, ideologische – dat we nu met lege handen staan. Alles wat weerstand zou kunnen bieden aan de imperiale krachten van EU, marktwerking, gelijkheidsmanie, enz. enz. is ons ontnomen. Natuur, religie en historie waren ooit bronnen voor weerstandsvermogen. Hun beroep op dat wat zich onttrok aan het decisionisme van de machthebbers maakte de dragers en uitdragers ervan krachtig en weerbaar. Alleen met opofferingsgezindheid kun je een kerk bouwen. En je kunt alleen deze gezindheid bezitten wanneer je bereid bent je tijd, geld en zelfs je leven op te offeren voor een grotere zaak. Een zaak die echt is en niet alleen noodzakelijke fictie.

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.