Eind mei 1942 begon de ‘woestijnvos’, generaal Erwin Rommel, zijn meest succesvolle offensief tijdens de strijd in Noord-Afrika. In de loop daarvan werd de frontlinie binnen slechts 36 dagen meer dan 600 kiometer naar het oosten verlegd. Bovendien viel daarbij de Britse kustvesting Tobroek.

In februari 1942 waren zowel de offensieven van het Duits-Italiaanse Panzerarmee Afrika onder Rommel als ook alle tegenaanvallen van het 8. leger van het geallieerde Middle East Command onder luitenant-generaal Neil Ritchie mislukt. Nu lagen de troepen van beide zijden tegenover elkaar in hun stellingen, zoals in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Dit front strekte zich uit van Ain el Gazala aan de Libische Middellandse Zeekust tot aan de haast tot een vesting uitgebouwde oase van Bir Hakeim, 80 kilometer ten zuiden daarvan.

Daarbij bevond zich Rommel in een strategisch ongunstiger situatie dan zijn tegenspeler. Hoewel de Wehrmacht Kreta bezet had en het Britse steunpunt Malta door aanhoudende luchtaanvallen blokkeerde, verliep zijn aanvoer nog altijd relatief moeizaam. Derhalve was het beslist nodig de diepwaterhaven van Tobroek, ten oosten van Gazala, te veroveren – waarbij deze door Gemenebesttroepen bemande vesting ook de grootste hindernis in de richting van het Suezkanaal vormde.

Rommels plan de campagne van 5 mei 1942 voor het offensief met de codenaam Theseus luidde derhalve als volgt: Na afleiding van de vijand door een schijnbaar frontale aanval op Gazala verrassende omtrekking van de verdedigingslinie in het zuiden bij Bir Hakeim en dan aanval in de rug van het 8. leger. Aansluitend coup de main-achtige inname van Tobroek, waarbij de depots aldaar meteen nog de bevoorradingsproblemen van het Panzerarmee Afrika kunnen verminderen.

Voor deze campagne stonden de Generaloberst alles bij elkaar drie Duitse en Italiaanse pantserdivisies alsmede zes infanteriedivisies ter beschikking – al met al 565 tanks, 9.000 overige voertuigen, 460 vliegtuigen en 90.000 man.

Aan de zijde van de vijand, die door ontcijferde radioberichten van het aanstaande offensief wist, wachtten twee pantserdivisies en twee pantserbrigades met 849 stuks. Daarbij kwamen 190 vliegtuigen en tien Britse, Zuid-Afrikaanse en Indische infanteriedivisies of brigades, waaronder de Poolse Karpatenbrigade en de 1. Vrije Franse Brigade onder brigadegeneraal Marie-Pierre Kœnig met bij elkaar 110.000 man.

Generaal Ritchie overlegt met zijn officieren tijdens de slag bij Gazala (foto: Imperial War Museums)

Rommel, die dus over minder tanks en soldaten beschikte, startte zijn offensief op 26 mei 1942 om 14.00 uur met de schijnaanval in het noorden. Daarop concentreerden de geallieerden daadwerkelijk hun krachten daar, want ze wisten alleen wanneer Theseus zou beginnen, maar niet wat het precieze plan was. Daarna begon in het donker de omtrekkende beweging naar het zuiden. Tot zover verliep het eerste deel van de campagne succesvol.

Aansluitend veranderde de situatie echter, omdat de 3.700 Fransen, zwarte koloniale soldaten en vreemdelingenlegionairs, in de stellingen van Bir Hakeim tegen de strijdmacht van de Asmogendheden tot 11 juni stand wisten te houden – niet in de laatste plaats doordat Rommel er voor koos geen tanks in te zetten tegen het woestijnbolwerk.

Ook voor het overige haalden de Duits-Italiaanse gevechtsgroepen in eerste instantie veel van hun operationele doelen niet. De 15. en de 21. pantserdivisie konden weliswaar onder generaal-majoors Gustav von Vaerst en Georg von Bismarck metterdaad in een boog om de Gazala-linie heen trekken, ze verloren daarbij echter een derde van hun tanks. In de strijd met de nieuwe Amerikaanse M3-tanks van de Britten onverwacht vaak aan het kortste eind. Bovendien haperde de bevoorrading, doordat de rest van het contingent achterbleef. En dat terwijl de beide aanvalsgroepen slechts watervoorraden voor vier dagen bij zich hadden. Bovendien kwamen delen van de Panzerarmee Afrika in een omsingeling terecht. Rommels staf wilde reeds de aftocht blazen.

Duitse Panzer III-tank ergens in Noord-Afrika (foto: Bundesarchiv)

In deze situatie ging Ritchie onder druk van de opperbevelhebber in het Midden-Oosten, generaal Claude Auchinleck, tot een tegenoffensief over (Operation Aberdeen). Die mislukte echter al op 5 juni vanwege het geconcentreerde weerwerk van Rommel, wiens vooruitgeschoven tankgroepen er nu van profiteerden dat enkele geallieerde voorraadposten reeds in hun handen waren gevallen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Zes dagen later ontruimde Kœnig Bir Hakeim. Daarop beval Auchinleck op 14 juni, om de Gazala-linie compleet op te geven en voor Tobroek een nieuwe verdedigingslinie aan te leggen. Die zou echter ook maar tot 17 juni standhouden. Het 8. leger trok zich daarop in eerste instantie in het 160 kilometer verder gelegen Marsa Matruh en later nog verder naar het oosten, achter de El Alamein-linie terug, op 110 kilometer van Alexandrië.

Zo kon Rommel met de bestorming van Tobroek beginnen, waar de 2. Zuid-Afrikaanse infanteriedivisie onder generaal-majoor Hendrik Klopper geacht werd zo lang mogelijk stand te houden. De vesting viel na slechts één dag strijd op 21 juni 1942. de 32.000 verdedigers kwamen in krijgsgevangenschap.

Kapotgeschoten Duitse Panzer IV-tank, rechts een Britse Crusader-tank, 27 november 1941 (foto: Australian armed forces)

Al met al verloren de geallieerden vanaf 26 mei 50.000 man door dood, verwonding of gevangenneming. Daarentegen lagen de verliezen aan personeel aan Duits-Italiaanse zijde bij slechts ongeveer een tiende daarvan. Anderzijds had het 8. leger zo’n 400 tanks van Rommel kunnen vernietigen – en dit gegeven zou later net zo fataal blijken te zijn als het afblazen van Operatie ‘Herkules’, oftewel de verovering van Malta, want hierdoor waren de Britten al snel weer in staat grotere aanvallen tegen de aanvoerschepen voor het Panzerarmee Afrika vanaf dit eiland uit te voeren.

De verovering van Tobroek bracht Rommel evenwel de promotie tot de jongste veldmaarschalk van de Wehrmacht, terwijl Ritchie zijn commando verloor. Het volgende doel van de ‘woestijnvos’, wiens troepen op 23 juni de grens overstaken naar Egypte, was optrekken in richting Cairo en het Suezkanaal. Daarvoor moest hij echter de linie bij El Alamein overwinnen. Dat mislukte echter vanwege de absoluut ontoereikende bevoorrading. Zo kwam in juli slechts 20 procent van de nodige voorraden aan het front aan. Zodoende kwam het Duits-Italiaanse offensief tot stilstand, waarop zich de loopgravenoorlog in Noord-Afrika voortzette.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.