Soile Lautsi kon tevreden zijn. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) had haar op 3 november 2009 een schadeloosstelling van 5.000 euro toegewezen. Nog grotere tevredenheid zal ze gehad hebben over het oordeel van het EHRM, dat christelijke kruizen in klaslokalen niet met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verenigbaar zijn, omdat ze ouders de vrijheid zouden ontnemen om hun kinderen naar hun overtuiging op te voeden. Jarenlang had de uit Finland stammende moeder voor Italiaanse rechtbanken tevergeefs tegen de crucifix in de klaslokalen van haar beide zonen geklaagd.

Italië bleef soeverein. De regering Berlusconi vroeg revisie van het oordeel aan. Reeds in maart 2011 werd het door de Grote Kamer van het Hof met een meerderheid van 15 tegen 2 stemmen weer opgeheven. De vraag of de massale protesten, ook ver buiten Italië, tot deze revisie leidden, laat ik voor nu even liggen. Feit is dat in Italië ook links tegen het oorspronkelijke oordeel van Straatsburg op de barricaden kwam. In Italië zijn namelijk ook atheïsten, agnosten en (ex-)communisten in staat tussen het kruis als geloofsbelijdenis en zijn symbolische betekenis voor de culturele traditie en identiteit van het land te onderscheiden. Men denke slechts aan de vroegere senaatsvoorzitter Marcello Pera, die samen met paus Benedictus XVI een boek schreef, waarin hij zich in roerende bewoordingen voor het bewaren van de in het christendom wortelende culturele identiteit van Europa uitspreekt, of aan de journaliste Oriana Fallaci, die zich in een van haar laatste artikels, een literaire vulkaanuitbarsting, met woorden van verering, genegenheid en vertwijfeling tot paus Benedictus XVI wendde, omdat ze culturele identiteit van Italië en zijn humaniteit door islamistisch radicalisme bedreigd zag.

Wellicht heeft de angst voor een blamage de rechters in Straatsburg ertoe bewogen het oorspronkelijke oordeel op te heffen? Want wat zou er gebeurd zijn als Italië zich er niet aan had gehouden? Wie had het oordeel gelding moeten verschaffen, tegen de wil van een volk in, dat volgens peilingen destijds met een meerderheid van 86 procent vóór het kruis koos? Begon de rechters soms te dagen dat het hele project van een los gezongen elite-Europa ter discussie stond? Liever het oorspronkelijke oordeel opofferen dan Europa delegitimeren, hebben de rechters misschien gedacht. Voor nu was de poging mislukt, om het op Europese bodem ontstane principe van de universele mensenrechten te gebruiken om juist dat christelijke erfgoed waarin het voor een groot deel wortelt uit de publieke ruimte te verdringen.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


In de steeds meer om zich heen grijpende discriminatie tegen christelijke symbolen in de publieke ruimte uit naam van de mensenrechten treedt een diepergaande crisis in het Europese zelfbeeld aan de dag. In de huidige cultuuroorlog om de uitlegging van de mensenrechten wordt namelijk dit hoge ideële goed van de moderniteit misbruikt, door het op een manier tegen de fundamenten van de moderne samenleving en de statelijke soevereiniteit in stelling te  brengen, die in strijd is met de oorspronkelijke bedoeling ervan. De spanning tussen het mensenrecht op godsdienstvrijheid, zoals het in artikel 9 van het EVRM is neergeslagen, en een cultuurvergeten rechtsinterpretatie van dit mensenrecht laat zien op welke brokkelige basis het gebouw van de mensenrechten werd opgericht.

De aporie tussen individuele neigingen en aanspraken en de belangen van de moderne gemeenschap heeft Ernst-Wolfgang Böckenförde in zijn beroemde dictum scherp geformuleerd: “Der freiheitliche, säkularisierte Staat lebt von Voraussetzungen, die er selbst nicht garantieren kann.” Deze pre-politieke voorwaarden, zoals de “morele substantie van het individu” en de “homogeniteit van de samenleving”, worden meer en meer blootgesteld aan een proces van erosie uit naam van de mensenrechten. Een blik op de geschiedenis van de ontwikkeling van de mensenrechtenidee maakt duidelijk welke specifieke rol ze in het zelfbeeld van moderne westerse samenlevingen speelt en waarom de tegenwoordige tendens, om ze tegen haar eigen basis in stelling te brengen, op de eliminatie van deze samenlevingen en hun statelijke orde afstevent, ook als niet iedereen die de mensenrechtenidee op deze wijze misbruikt zich van dit gevolg van zijn handelen bewust is.

De voorlopers van de moderne idee van de mensenrechten zijn de christelijke leer van de uniciteit van ieder mens als evenbeeld van God en het stoïsche mensbeeld. Het kreeg echter pas politiek vormende kracht in Europa en Amerika in de moderniteit. Ze vereist het bestaan van voorwaarden, die zich in de specifieke historische situatie gevormd hebben, toen de kerngedachte van de volkssoevereiniteit de oude voorstelling van de dynastieke legitimatie van het politieke gemeenschapswezen door de vorst als wereldlijk plaatsvervanger van God afloste. De loyaliteit van het door de natie verenigde burgerschap tegenover hun staat en de zorg van de staat tegenover zijn individuele burgers werd door de opsomming van mensen- en burgerrechten gecodificeerd, die in de plaats kwam van het oude systeem van de concentrische ethiek van wederzijdse rechten en plichten van vorst en onderdaan. De belangrijkste stadia in de ontwikkeling van de moderne algemene mensenrechten waren de Virginia Declaration of Rights (1776), de in de eerste tien amendementen op de grondwet van de Verenigde Staten van Amerika neergeslagen Bill of Rights (1789) en de verklaringen van de mensen- en burgerrechten in het kader van de Franse Revolutie van 1789 en 1793.  

De mensen- en burgerrechten van deze fundamentele oorspronkelijke proclamaties zoals daar zijn de gelijkheid voor de wet, het recht op vrijheid, eigendom, veiligheid, het recht van verzet tegen onderdrukking, alsmede de vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en het principe van de volkssoevereiniteit horen bij elkaar. Het zijn delen van een ideëel instrumentarium dat de legitimatie van de nieuwe orde van de staatkundige natie moest dienen. Mensenrechten zijn gekoppeld aan burgerrechten, ze waren als politieke rechten bedacht, die het de burgers mogelijk moesten maken aan de vorming van de volonté générale mee te werken.  Het private wordt beschermd, het gaat de gemeenschap niets aan, mits de rechten van andere burgers niet geschaad worden. Het grondrecht op menings- en persvrijheid in de Amerikaanse constitutie, zoals vastgelegd in het eerste amendement, betekent bijvoorbeeld dat de regering niet het recht heeft kritiek op haar ambtsuitvoering te verbieden.

De vrije discussie en de vorming van een kritische publieke opinie ten aanzien van publieke aangelegenheden en de kritiek op politieke maatregelen en publieke ambtsdragers mag niet door het Congres gehinderd worden. De idee van mensen- en burgerrrechten is dus in politieke zin emancipatorisch. Vrije meningsuiting en persvrijheid moeten zich echter ontplooien in het kader van een als vanzelfsprekend verondersteld ethisch basisbegrip en niet de ethiek en het fatsoen buiten werking stellen. De auteurs van de grote mensenrechtenproclamaties wilden geen vrijbrief voor het schaden van de publieke moreel afgeven, noch voor de verbreiding van pornografie, voor godslastering of voor het propageren van misdaden en dergelijke. Zo’n vrijbrief laat zich ook niet in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 lezen. Deze legt bijvoorbeeld in artikel 16.3 vast, dat het gezin de natuurlijke basiseenheid van de samenleving is en aanspraak heeft op bescherming door samenleving en staat heeft. Er wordt verder vastgelegd dat iedereen plichten heeft tegenover de gemeenschap, omdat alleen daarin de vrije en volle ontplooiing van zijn persoonlijkheid mogelijk is (artikel 29.1).

De hedonistisch-libertijnse krachten van vandaag de dag in politieke partijen, maatschappelijke belangengroepen en de met hen verweven ‘kwalititeitsjournalistiek’ voeren echter een nieuwe cultuuroorlog tegen de lang vanzelfsprekende grondslagen van de samenleving. Onder verwijzing naar de mensenrechten eisen ze wereldbeschouwelijke neutraliteit van de staat in de zin van een tijdgeestconforme radicaal-individualistische en permissieve houding.

De menselijke waardigheid wordt tegenwoordig, ook door rechters, in toenemende mate in de zin van een permissieve grondhouding van de tegenwoordige tijdgeest geduid, die voor de westerse democratieën in het algemeen typerend is, zo meent de filosoof Werner Theobald. Links-liberale waardigheidsaanspraken zoals liberale, ‘repressievrije’ zelfbeschikking, ongestoorde zelfontplooiing, individualiteit, autonomie van het individu, legalisering van abortus en ‘soft’ drugs, het homohuwelijk en wat dies meer zij zijn evenwel nauwelijks universeel door te zetten. De legalisering van abortus, de invoering van het homohuwelijk of actieve euthanasie, die onder verwijzing naar de menselijke waardigheid of de mensenrechten doorgezet wordt, is voor moslims ondenkbaar. In de radicaal-individualistisch-permissieve ‘waardigheidsaanspraken’ komt dan ook het ideologische gehalte van de moderniteit tot uitdrukking, dat zich op de westerse Verlichting beroept, het ratiobegrip daarvan ten onrechte absoluut stelt en zo “haar eigen particuliere geldigheid ontkent”. De universaliteitsaanspraak van deze ‘verlichte rede’ is echter zelf cultureel aan de hedendaagse situatie van het Westen gebonden.

Dat dezelfde kringen die de islam het hof maken deze permissieve waardigheidsaanspraken naar voren brengen en het christendom discrimineren, is een afleidingsmanoeuvre met een multicultureel sausje, want tussen de overtuigingen van moslims en westerse conservatieven zijn er in dezen talrijke overeenkomsten. Het gaat ook niet om ‘rechts’ tegen ‘links’, want zonder een patriottische basisconsensus en een vast bestand aan burgerlijke deugden kan men geen staat maken, ook geen socialistische: ‘Het vaderland of de dood’ was dan ook Fidel Castro’s strijdkreet; “Je moet proper en fatsoenlijk leven en je gezin in acht houden”, verkondigde Walter Ulbricht in 1958 in de ‘Tien geboden van de socialistische moraal en ethiek’ op het 5e partijcongres van de Socialistische Eenheidspartij van de DDR. Daarbij dacht hij voorzeker niet aan het homohuwelijk, dat overigens volgens een oordeel van Straatsburg uit 2010 geen mensenrecht is – vooralsnog althans.

In werkelijkheid gaat het bij dit alles om macht. Vandaag de dag staan de krachten van het identitaire en het lokale tegenover de nieuwe elites, die dromen van het afschaffen van huwelijk en ouderschap en van een enkel mensengeslacht in een Europa zonder grenzen en vaderlanden, geregeerd door een eenheidspartij en een almachtige commissie. Naast het slechten van de inwendige burgerlijke fundamenten van de staten staat de afschaffing van hun soevereiniteit op de agenda. De strijd tegen de innerlijke constitutie van staat en samenleving uit naam van de mensenrechten vindt zijn evenknie in het mensenrechtenimperialisme van de ‘enige overgebleven supermacht’, die profiteert van de verzwakking van andere landen door de nieuwe cultuuroorlog.

Literatuur:

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.