Oriana Fallaci, die in 2006 op zevenenzeventigjarige leeftijd overleed, was in de jaren ’70 en ’80 een tijd lang de bekendste – en meest gevreesde – interviewer ter wereld. Ze struinde de wereld af met haar taperecorder en camera en liet haar licht schijnen over de groten der aarde, die ze ontleedde en onder kritiek stelde. Haar leven, zoals beschreven in Cristina de Stefano’s respectvolle maar niet kruiperige biografie, was één grote ontmoeting met de macht.

Fallaci werd geboren in Florence in 1929, op het hoogtepunt van Mussolini’s squadrista-geweld en terwijl deze zijn dictatuur vestigde in Italië. Haar vader was een houtsnijder en anti-fascist, die herhaaldelijk in de gevangenis belandde en gemarteld werd. Haar moeder was jong en ambitieus. Ze noemden hun eerste kind Oriana naar Prousts Duchesse de Guermantes. Op jeugdfoto’s heeft Fallaci al de bekende priemende blik, die vastberadenheid lijkt te verraden.

Fallaci was veertien toen Italië in de zomer van 1943 de Asmogendheden verruilde voor de geallieerden, ze was in die tijd staffetta, een koerier voor de partizanen in hun strijd tegen de Duitsers en Mussolini’s zwarthemden, en verborg handgranaten tussen de kroppen sla in een mand aan haar fiets. Ze was een intelligente maar recalcitrante student, die geen geduld had met haar docenten. Ze bracht haar tijd door met het lezen van Italiaanse en buitenlandse literatuur en kocht zelfs boeken op afbetaling.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Tegen de tijd dat ze zesentwintig was, had ze door haar onverschrokkenheid en talent voor het vertellen van verhalen een plaats bemachtigd als vast medewerker van L’Europeo, het meest prestigieuze weekblad van Italië. Ze droeg bij voorkeur een zwarte broek, wat niet gebruikelijk was in het Italië van de jaren ’50, en was haar stijl aan het perfectioneren: doordringend op het onfatsoenlijke af, vasthoudend en haarzelf, haar vragen en haar reacties in ieder verhaal verwerkend. Waarbij ze aan ieder verhaal schaafde en het herschreef, totdat het scherp en helder was. Om Marilyn Monroe op te sporen in New York, bezocht ze twaalf restaurants, achttien nachtclubs, acht bioscopen en veertien theaters, waarop ze uiteindelijk een stuk schreef over hoe ze haar niet gevonden had. Wie haar irriteerde of kleineerde maakte ze belachelijk in kleine meesterstukken.

Toen het haar niet werd toegestaan om politieke reportages te maken, zette Fallaci haar tanden in Hollywood. Dat was geen slechte oefenplaats voor een gretige en ambitieuze journalist. Ze luisterde aandachtig toen Hedda Hopper, de doyenne van de roddeljournalistiek haar zei: “Spaar niemand, spreek kwaad van iedereen. Schep er plezier in als een slang bekend te staan”. Haar eerste verzameling profielen, met hun mengeling van oneerbiedigheid en spot, deed het goed in Italië en ze werd nu zelf als een bekendheid geïnterviewd door collega’s. Fallaci kwam weliswaar koel en hard over, maar ze was ook een bijzondere verschijning, met blond haar, helder blauwe ogen, hoge jukbeenderen en een smal figuur.

Door Vietnam werd ze een oorlogsverslaggever. In de Aziatische rijstvelden kwam ze erachter dat ze fysiek onverschrokken was, onverschillig voor ongemak en dat de adrenaline en het drama van de oorlog het beste in haar als journalist naar boven haalden. Na Vietnam kwamen andere oorlogen en revoluties. In Mexico Stad, waar ze demonstraties versloeg die leidden tot het bloedbad van Tlatelolco in 1968, werd ze neergeschoten en overleed ze bijna.

Interviews met wereldleiders

Hierna begon ze aan de ‘Fallaci interviews’ waarmee ze wereldfaam kreeg, interviews met wereldleiders, waarvan ze er zo’n twintig per jaar schreef en waarop ze zich uitputtend voorbereidde en die ze in aanvalsmodus aanpakte. Ze hield haar gesprekspartner vier à zes uur in gijzeling, terwijl ze kettingrookte en zwarte koffie dronk. Yasser Arafat, Ariel Sharon, de sjah van Iran, Haille Selassie, ayatollah Khomeini, ze wist ze stuk voor stuk te strikken. Wat opvalt is dat bijna niemand haar een interview weigerde. De meest opvallende uitzondering is paus Johannes Paulus II en dat was waarschijnlijk een verstandige keuze van hem, aangezien ze hem wilde onderwerpen aan een verhoor over de Inquisitie en wilde vragen of hij wel eens verliefd was geweest.

Voor hen die haar te weinig respect betoonden was ze genadeloos. Henry Kissinger gaf haar een uur, maar werd voortijds door Nixon weggeroepen. Het maakte niet uit, ze had reeds besloten dat ze minachting voelde voor zijn monotone betoogtrant, ontwijkende antwoorden, terughoudende uitlatingen en ergerlijke stiltes. Later zou Kissinger zeggen dat de beslissing om Fallaci een interview te geven een van de slechtste van zijn leven was.

Fallaci veroorzaakte een internationaal diplomatiek schandaal toen ze tegen Indira Gandhi herhaalde dat Ali Bhutto van Pakistan haar als een “middelmatige vrouw met een middelmatige intelligentie” beschouwde. Ook vroeg ze generaal Thieu, president van Zuid-Vietnam, hoe corrupt hij was. De Stefano weet deze veelzeggende episodes goed neer te zetten.

Misschien weinig verrassend waren haar romantische relaties vurig, dramatisch en gedoemd tot kortstondigheid. Als ze een grote liefde had, dan voor Alexandros Panagoulis, de verzetsstrijder die gevangen gezet en gefolterd werd voor zijn rol in een moordaanslag op de leider van de Griekse militaire staatsgreep Georgios Papadopoulos in 1968. Panagoulis kwam in 1976 om het leven door een verdacht auto-ongeluk, waarna Fallaci een van haar meest succesvolle romans schreef: Un Uomo (1979). Zoals al haar fictie was het duidelijk autobiografisch.

Eigenzinnig

Inmiddels was ze een wereldster, die haar levenservaringen en haar eigen opvattingen in boeken omzette en over ieder woord slag leverde met haar redacteurs en vertalers. Ze nam zichzelf uitermate serieus en merkte op: “in welk ander beroep kun je geschiedenis schrijven terwijl ze gemaakt wordt?” Ze ging er in toenemende mate toe over om te verkondigen, te lobbyen, voor te schrijven. “J’accuse”, zette ze als titel boven een lang artikel en de opsomming die volgde bevatte het gedrag van regeringen en de tekortkomingen van hun leiders. Na 50.000 kilometer afgelegd te hebben om over vrouwen overal ter wereld te schrijven, brak ze met de vrouwenbeweging, die volgens haar snibbig en dogmatisch was geworden. Op vergelijkbare wijze brak ze met vrienden en geliefden die niet tegemoet kwamen aan haar hoge standaarden. “Er is niet een man of vrouw”, zo schepte ze eens op, “die mij pijn heeft gedaan en niet in het Siberië van mijn emoties terecht is gekomen.”

Gedurende de jaren ’80 en ’90 en de eerste jaren van de 21e eeuw, was Fallaci nog een lieveling van links in Italië. In 1992 had ze echter in het boek Inshallah al een standpunt ingenomen dat toen ongebruikelijk was, ze waarschuwde daarin het Westen dat het niet genoeg nota nam van de islam als opkomende macht. In de nasleep van 9/11 raakte ze echter pas echt geobsedeerd door het kwaad van de radicale islam, zodat ze zelfs haar kanker niet liet behandelen omdat ze haar zaak op de eerste plaats wilde laten komen. In artikels, pamfletten en boeken (zowel fictie als non-fictie), op televisie en in interviews, voer ze uit tegen westerse landen vanwege hun permissiviteit en naïveteit. Beschuldigd van het aanzetten tot religieuze haat, verloor ze haar vrienden op links en kreeg ze nieuwe bewonderaars op rechts.

Bijna vijftig jaar speelde het huiselijke leven van Fallaci zich af tussen een tot de nok toe met boeken gevulde stadswoning in Manhattan en een huis op het Italiaanse platteland. Toen duidelijk werd dat ze stervende was, liet ze onaangekondigde bezoekers weten dat ze geen behoefte had aan hun medelijden door een post-it op haar deurbel met de puntige formulering ‘Ga weg!’ Zoveel oorlog als ze tijdens haar leven gezien had, zowel letterlijk als overdrachtelijk, verklaarde ze nu de oorlog aan haar kanker. Zo stond ze erop haar kanker, ‘de vijand’, te zien nadat deze door een chirurg verwijderd was. Toen ze wist dat ze weinig tijd meer had, vloog ze terug naar Florence, om te sterven waar ze de klokken van de Duomo kon horen.

Fallaci was meedogenloos, doelbewust en brutaal. Maar het is moeilijk om geen bewondering te hebben voor haar moed, vasthoudendheid en openhartigheid. Cristina de Stefano ontbreekt het aan het gevoel voor achtergrond en geschiedenis dat haar weergave van Fallaci’s leven meer diepgang had kunnen geven. Niettemin heeft ze een levendig boek afgeleverd, met een evenwichtige presentatie en zonder gewichtigdoenerij. Oriana Fallaci zou het vermoedelijk hebben kunnen waarderen.

N.a.v. Cristina de Stefano, Oriana Fallaci. The journalist, the agitator, the legend (Other Press: New York, 2017), 300 pagina’s.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.