Georges Pompidou was in zekere zin een interim-president, tussen Charles de Gaulle, die het ondergaande, oude Europa representeerde, en Valéry Giscard d’Estaing, de president van de moderniteit, die de basis legde voor de culturele en politieke neergang van Frankrijk, zo niet Europa. De politieke nalatenschap van Pompidou – die vandaag 50 jaar geleden president werd – moet echter niet onderschat worden.

Georges Jean Raymond Pompidou was de zoon van een lerarenechtpaar uit Albi en de kleinzoon van eenvoudige boeren uit de Corrèze. De opwaartse mobiliteit van zijn familie in staat en samenleving wilde men in Frankrijk graag als voorbeeld zien van de kansengelijkheid die openbare scholen van de in de Tweede Wereldoorlog ten onder gegane Derde Republiek begaafde kinderen boden door hun uitdagende lesprogramma.

Studententijd

Na zijn examen in Albi doorliep Pompidou met goed gevolg de zogenaamde classes préparatoires aux grandes écoles (CPGE), de elitaire voorbereidingscursussen voor de elite-universiteiten, aan het beroemde Parijse Lycée Louis-le-Grand. Daar engageerde hij zich in een socialistisch-republikeinse studentenorganisatie en bestreed de monarchistisch-nationalistische Action Française. In 1934 kreeg hij als beste van zijn jaargang zijn diploma klassieke filologie van de Grande école ‘Ecole Normale Supérieur’ (ENS).

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Docent en militaire dienst

Pompidou met zijn vrouw Claude, in 1965 (foto: André Cros)

Tot 1940 doceerde hij Latijn, klassiek Grieks en Frans aan diverse CPGE’s. Daarna kreeg hij een oproep voor militaire dienst en werd hij bij het 41 alpine infanterieregiment ingedeeld. Aangezien hij Duits sprak, werd hij inlichtingenofficier. Hij werd later samen met het regiment met het Croix de guerre onderscheiden.

Politieke carrière

Zijn politieke carrière begon Pompidou aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Als verantwoordelijke voor onderwijs in de provisorische regering van generaal De Gaulle werd hij vanaf 1944 diens vertrouweling. Na De Gaulles tijdelijk terugtrekking uit de politiek bleef Pompidou tot 1954 op het hoogste bestuursniveau werkzaam. Daarop stapte hij over naar de Banque Rothschild. Met De Gaulle keerde Pompidou in 1958 terug in de politiek. Eerst diende hij als zijn kabinetschef, vervolgens werd hij lid van de Grondwettelijke Raad.

Algerije

De Gaulle wees hem bovendien als voorbereider voor de onderhandelingen met de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging Front de Libération Nationale (FLN) aan. Op 18 maart 1962 ondertekenden Frankrijk en Algerije de Verdragen van Évian, waarvoor Pompidou in Neuchâtel en Luzern de basis had gelegd. Dit werd op 8 april in een volksraadpleging door 91 procent van de Fransen bevestigd.

Delegatie van het Algerijnse FLN in Évian

Daarmee kwam er weliswaar een einde aan de Algerijnse Oorlog, maar het betekende ook het verlies van de grootste Franse kolonie in Afrika. Dit ging gepaard met de vlucht van een miljoen Fransen uit Algerije en van 42.500 Harki’s, Algerijnse collaborateurs die voor de Franse koloniale overheerser hadden gevochten, alsmede de uitlevering van nog eens 120.000 Harki’s aan de nieuwe regering van het onafhankelijke Algerije. Een deel van rechts Frankrijk vergeeft De Gaulle dit akkoord nog altijd niet.

Premier Pompidou

Op 14 april 1962 benoemde De Gaulle Pompidou tot premier, een ambt dat hij ook na de volksraadpleging over de directe verkiezing van de president door het volk op 28 oktober 1962 en tot zijn aftreden in juli 1968 zou bekleden. Dat maakt hem tot de langst zittende premier van de Vijfde Republiek.

Bondskanselier Konrad Adenauer en president Charles de Gaulle ondertekenen het Elysée-verdrag. Naast De Gaulle zit Pompidou (foto: Bundesarchiv).

Zijn regering viel in de Trente Glorieuses, de jaren van 1945 tot 1974, die als de gloriedagen van het naoorlogse Frankrijk worden gezien, vergelijkbaar met het Duitse Wirtschaftswunder. Derhalve wordt Pompidous naam nog altijd in verband gebracht met economische groei, modernisering en een inzake industrialisering strategisch agerende staat.

Economische ontsluiting

Als regeringsleider was Pompidou verantwoordelijk voor de economische ontsluiting van het land. Grote infrastructuurprojecten als de ontsluiting van de kusten van de tot 2015 bestaande Zuid-Franse regio Languedoc-Roussillon voor het massatoerisme, de bouw van de Villes Nouvelles, steden compleet van de tekentafel, de verdubbeling van het autosnelwegennet en de bouw van de grote Parijse luchthaven Charles de Gaulle werden in zijn ambtstijd doorgevoerd, evenals bestuurlijke hervormingen en het naar de ruimte lanceren van de eerste Franse satelliet Asterix op 26 november 1965. De tijd werd gekenmerkt door een terugkeer naar stabiliteit van de munt en handelsbalansoverschotten.

Pompidou voor de Concorde, 1971 (foto: André Cros)

Linkse tendensen

Vanaf het midden van de jaren ’60 werd op het binnenlandse politieke toneel links sterker. Links viel vooral beslissingen van De Gaulle in het buitenlandbeleid aan, zoals de Franse terugtrekking uit de bevelsstructuur van de NAVO. Analoog hieraan wonnen op rechts linkse tendensen aan kracht in de vorm van het links-gaullisme en de liberalen rond Giscard d’Estaing.

Pompidou als vader van de Énarques

Prins Bernhard met Pompidou en zijn vrouw op Huis ten Bosch voor een galadiner in het kader van een EEG-top in 1969 (foto: Eric Koch. Anefo)

Voor de parlementsverkiezingen van 1966 probeerde Pompidou met verdeeld succes deze tendens af te remmen door het de inzet van zogenaamde jonge wolven, voornamelijk alumni van de staatskaderschool ENA (École nationale d’administration). Daarmee legde Pompidou het fundament voor de door de Gele Hesjes bekritiseerde en nog altijd doorwerkende usurpatie van het regeringsapparaat door de technocratische ENA-kliek, ook wel énarques genoemd.

De ’68-ers en de breuk met De Gaulle

Pompidous laatste, in 1967 benoemde kabinet reflecteerde zijn opening naar de jongere generatie en de linkse ideeën van de soixant-huitards. Deze ontwikkeling is voor een groot deel verantwoordelijk voor de breuk met De Gaulle, die tot Pompidous aftreden als premier op 10 juli 1968 leidde.

Nadat De Gaulle na het mislukte referendum na de studentenopstanden van mei 1968 op 28 april 1969 zelf aftrad, werd Pompidou op 15 juni tot zijn opvolger gekozen. Zijn eerste ambtshandeling bestond erin Frankrijk binnen de Europese Economische Gemeenschap uit het door De Gaulle vrijwillig gekozen isolement te leiden en de Europese integratie een nieuwe impuls te geven. Pompidou hief De Gaulles veto tegen de toetreding van het Verenigd Koninkrijk op en stelde zich ook tegenover de Verenigde Staten gewilliger op dan zijn voorganger.

Pompidou met de Amerikaanse president Nixon in Reykjavik, 1973

Binnenlands zette hij de economische ontwikkeling en industrialisering, tegen de achtergrond van de eerste oliecrisis en sociale spanningen, voort. Daaronder vielen de aanleg van de eerste hogesnelheidslijn tussen Parijs en Lyon, de oprichting van het Airbus-consortium, de uitbouw van de levensmiddelenindustrie en het streven naar autovriendelijke steden.

De nalatenschap van Pompidou

Nog tijdens zijn ambtstijd kreeg president Pompidou op 2 april 1974 een acute bloedvergiftiging als gevolg van de Ziekte van Waldenström. Zo viel het einde van Pompidous leven samen met dat van de Trente Glorieuses. Tot Pompidous nalatenschap behoort het pas na zijn dood, in 1977, geopende, avantgardistisch aandoende staatskunst- en cultuurcentrum in het 4e arrondissement van Parijs: Centre national d’art et de culture Georges-Pompidou, of kortweg Centre Pompidou. Maar ook de naar zijn minister van justitie René Pleven genoemde eerste immigratievriendelijke censuurwet. Sinds 1972 stelt deze wet de aanstichting tot rassenhaat en discriminatie strafbaar. Sindsdien is het niet meer nodig dat een concreet slachtoffer een concrete dader aanklaagt, maar kunnen ook derden uit naam van potentiële slachtoffers tegen de verbreiding van bepaalde abstracte uitspraken klagen. Een wet die rechters veel ruimte biedt om hun eigen politieke voorkeuren te botvieren.

Noud Ingen-Housz ~ Zo bezig met zichzelf. Een politieke biografie van Frankrijk

_

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.