De conclusies van Andrew Husseys boek over de moeizame relatie tussen Frankrijk en zijn Arabische inwoners helpen niet verder, omdat hij zijn handen niet wil bevuilen aan het graven naar onderliggende oorzaken.

Met grote en frappante feiten weet Andrew Hussey zijn lezers meteen te grijpen en zijn boek The French Intifada in te trekken. Er zijn zes miljoen moslims in Frankrijk. De bevolking van de Parijse voorsteden groeit zo snel dat ze snel de twee miljoen inwoners van centraal Parijs zal inhalen. Franse gevangenissen zijn bij uitstek plaatsen waar jihadisten ronselen. Dat laatste verrast misschien ook niet als men weet dat 70 procent van de Franse gevangenen de islam aanhangt.

Veel Franse gevangenissen geterroriseerd door islamistische bendeleiders

Door een bekentenis houdt Hussey, die decaan van het University of London Institute in Parijs en geregeld bijdrages schrijft voor het dagblad The Guardian en het tijdschrift The New Statesman, de spanning erin. Hij bekent een ongelovige te zijn, niet in de islam als zodanig, maar in het gangbare narratief dat islamitisch geweld wil verklaren door verwijzingen naar klasse, vooroordelen en materiële ongelijkheid.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


De schrijver dringt er in plaats daarvan bij de lezer op aan met hem de realiteit van de voorsteden in te duiken. Dit is het sterkste deel van het boek en zit vol met eersteklas verslaggeving. Hij verkent delen van Parijs waar zelfs de politie liever niet komt en laat een dystopie van drugs, prostitutie, verkrachting, willekeurig geweld, verveling, ontevredenheid, hip-hop en algemene verloedering. Festivalsfeer gelardeerd met oerangst. “Je wordt er niet goed van”, geeft een inwoner toe.

Koloniale geschiedenis

Als het boek nu maar in dit spoor verder ging en de zaak afrondde met wat diepere analyse. Hussey geeft er echter de voorkeur aan 28 van 32 hoofdstukken te wijden aan wat uiteindelijk neerkomt op een overzicht van de Franse koloniale geschiedenis in de Maghreb. Dit is “een conflict tussen twee heel verschillende belevingen van de wereld – de kolonisators en de gekoloniseerden”, zo verzekerd de schrijver ons. Maar het effect hiervan is dat hij de huidige crisis in de betrekkingen tussen het Westen en de islam reduceert tot weinig meer dan een ongemakkelijke post-koloniale coda.

Hij schildert de Franse koloniale ambities als een omvangrijke tentoonspreiding van onwetendheid, hoogmoed en hebzucht. Maar dit is een aanname die net een slag te simpel is en het verdient om kritisch bevraagd te worden. Waarom trok Frankrijk de Maghreb binnen? Het was laaghangend fruit. Waarom was het laaghangend fruit op een manier waarop pak ‘m beet Duitsland of Engeland dat niet waren? Het was een pre-moderne samenleving. Waarom was dat zo? Dit mogen dan controversiële vragen zijn, ze zijn wel pertinent en er wordt nooit serieus over doorgesproken.

Moderniteit

En dat niet doorvragen leidt in veel opzichten tot een analyse die er naast zit. Het Westen en de Islam hebben op verschillende manieren gereageerd op de complexe revisie van de wereld die we Moderniteit noemen. Een serieuze poging tot het onderzoeken van de relatie tussen de Moderniteit en het Westen wordt bijvoorbeeld ondernomen door Larry Siedentop in zijn boek Inventing the Individual. Stel je voor dat Hussey op dezelfde manier de islam onderzocht had. In plaats daarvan verkiest hij terug te vallen op Frantz Fanon, een man die gewelddadige revolutie tegen kolonialisten voorstond, en op wollige Freudiaanse noties over de onbeantwoorde liefde die Arabieren zouden voelen voor ‘moeder’ Frankrijk.

Het probleem lijkt te zijn dat Hussey met zijn vlotte verteltrant en lugubere details zo goed is in het verslaan van oppervlakkige gebeurtenissen, dat hij vermijdt zijn handen te bevuilen aan het graven naar de zaken die aan de wortel daarvan liggen. En dat is jammer, want in de gevallen waar hij wel even de schop ter hand neemt, is hij erg goed. Het gevangenishoofdstuk, waarin hij het hoofd van een Parijse gevangenis interviewt, ontleedt hoe een vorm van Westers anders-zijn (hip-hop, zwarte argot, enz.) wordt ingeruild voor een andere in de vorm van ascetische islam, een wereld waarin de man puur en echt is en de materiële wereld met zijn vrouwelijke listen als corrupt veroordeeld wordt.

Existentiële angst

Hussey weigert echter in te zien dat het niet slechts ouderwets koloniaal gedrag is dat islamitische angst veroorzaakt, maar juist ook elementen van het moderne liberale project. Islamitische extremisten krijgen hun belegeringsmentaliteit door een zeer reële druk die er wordt uitgeoefend op zowel islamitische als westerse gemeenschappen om hun ‘ander’ (historische tegenstellingen, vijanden en wat dies meer zij) af te zweren.

Het idee van de ‘ander’, dat teruggaat op Hegel, wil dat iedere identiteit een tegenhanger vereist, een tegendeel, een spiegelbeeld dat noodzakelijkerwijs gestigmatiseerd wordt. Het is dit anders-zijn dat uitgezuiverd moet worden zodat de vooruitgang voort kan gaan, zo in het kort het conventionele westerse narratief. Het verschil is dat het Westen, met zijn geschiedenis van de Dertigjarige Oorlog tot de Tweede Wereldoorlog, zich als vrijwilliger hiervoor aanmeldt en de ineenstorting van het ‘zelf’ als de noodzakelijke prijs voor het voorkomen van toekomstige holocausts ziet. De meerderheid van de moslims schikt zich in dit inzicht zolang het Westen overheersend is, maar een minderheid die zich het suïcidale ervan realiseert laat gewelddadig van zich horen. ‘Beter sterven in de strijd tegen het nihilisme dan sterven door nihilisme’ is de filosofische mantra van deze minderheid.

De oorsprong van het huidige islamitische geweld ligt dan ook niet zozeer in wat er bijzonder is aan de islam, maar veeleer in wat er bijzonder is aan het post-moderne project van het Westen. Zowel Franse als islamitische mensen in Frankrijk vrezen geen fysieke genocide maar veeleer de vernietiging van hun identiteit. Deze kwesties zijn zoveel groter dan de nawerking van de koloniale geschiedenis – ze zijn existentieel. 

Zijige conclusies

Maar Hussey interesseert zich hier niet voor. In plaats van een conclusie debiteert de auteur wat zijige, Camus-achtige uitspraken, over hoe terrorisme om een gebrek aan hoop gaat. Verder maakt hij het tamelijk Dostojevskiaanse punt dat het beter is om lijden te ondergaan en je waardigheid te laten schenden dan om terug te slaan en de straf voor je overtredingen te moeten dragen. Zijn laatste en misschien wel minst behulpzame suggestie is dat zowel Fransen als Arabieren een massa-exorcisme zouden moeten ondergaan om de geesten van het koloniale verleden te verdrijven, een soort reset die de relaties bevrijdt van het onderdrukkende gewicht van de geschiedenis.

Voor wie een boek wil lezen dat deze kwesties recht in de ogen ziet en de diepe wateren van de irrationaliteit, spiritualiteit en wil intrekt, is David P. Goldmans How Civilizations Die het boek dat wel levert wat Husseys French Intifada belooft maar niet waarmaakt.

N.a.v. Andrew Hussey, The French Intifada. The long war between France and its Arabs (Granta, Londen, 2014), 464 pagina’s, hardcover. In 2017 is bij de Arbeiderspers een Nederlandse vertaling verschenen.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.