Op 7 februari 1939 belegde de Britse minister van Koloniale Zaken Malcolm MacDonald in Londen een conferentie in het door Hendrik VIII gebouwde St. James’s Palace. Onderhandeld werd over de toekomst van het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina.

Het was een zachte winter en de zon scheen toen de delegaties uit de voorheen onder Ottomaanse heerschappij staande gebieden met hun auto’s aankwamen bij de voormalige koninklijke residentie in Londen: Egyptenaren in zwarte pakken met rode fez, Saoedi’s met hun qamis, de traditionele dracht van de woestijnstammen, Jemenieten met witte tulbanden en Joden, wier kleding zich in niets onderscheidde van hun Britse gastheren. Ze zouden echter niet in dezelfde ruimte bij elkaar komen en ook in de onderhandelingsmaterie kwamen ze niet bij elkaar.

Joodse sympathie voor Centrale Mogendheden

Aan de St. James-conferentie waren verschillende ontwikkelingen voorafgegaan die de druk op de Britten opvoerden. In november 1917 hadden ze het nodig gevonden de Joden overal ter wereld na de overwinning op het met Duitsland geallieerde Ottomaanse Rijk een thuisland in het op dat moment Ottomaanse Palestina te beloven. Met deze garanties in de vorm van de Balfour-verklaring hoopten ze de steun te verwerven van zionistische kringen overal ter wereld in hun strijd tegen de Centrale Mogendheden. Veel Joden sympathiseerden namelijk met het door Duitsland aangevoerde machtsblok, vanwege de talrijke anti-joodse repressies in het tsarenrijk.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Grote beloftes

De Britten hadden echter niet alleen de zionisten, maar ook de onder Ottomaanse heerschappij staande Arabieren grote beloftes gedaan ten aanzien van politieke zelfbeschikking na de oorlog. Beide zijden werden teleurgesteld, aangezien de grootste koloniale macht ter wereld het op Ottomanen buit gemaakte Palestina aan Palestijnen noch Joden overliet, maar het zelf zou gaan besturen met een mandaat van de Volkenbond.

Joodse immigratie

De Britse mandaatmacht schiep echter in overeenkomst met de Balfour-verklaring wel ruime immigratiemogelijkheden voor Joden uit de hele wereld. Waar er in 1918 slechts 66.000 Joden in Palestina woonden, tegenover 573.000 Arabische Palestijnen, waren er in 1936 al 370.000 tegenover 955.000 Arabieren. Dit leidde tot een steeds grotere weerstand aan de zijde van de autochtone bevolking. In 1936 riepen de Palestijnen een algemene staking uit, die het mandaatgebied lam legde. Als belangenvertegenwoordiging richtten Palestijnse leiders het Arabische Hoge Committee op, dat een jaar later door de Britten verboden werd nadat een hoge Britse functionaris door een aanslag om het leven kwam.

Arabische sympathie voor ‘Derde Rijk’

Mede tegen deze achtergrond sympathiseerden veel Arabieren met het zogenaamde Derde Rijk waarmee het British Empire in toenemende mate rivaliseerde. Mohammed Amin al-Husseini, de islamitische groot-moefti van Jeruzalem en een van de belangrijkste Palestijnse leiders, werkte vanaf 1937 dan ook met de Duitsers samen. Met het oog op de op handen zijnde Tweede Wereldoorlog waren de Britten echter niet van zins de Arabische sympathieën zonder slag of stoot aan de Duitsers te laten.

Zodoende werden ook zij voor de St. James-conferentie uitgenodigd. De Britse minister van Koloniën MacDonald weigerde echter Al-Husseini uit te nodigen. Sowieso stonden de gastheren voor de vraag met wie men eigenlijk zou onderhandelen, want veel van de Arabische leiders waren ondergedoken of in ballingschap, terwijl hun organisaties door de Britten verboden waren.

Palestijnse leiders uit ballingschap

Naar de Seychellen verbannen Palestijnse leiders, december 1938

MacDonald besloot vijf hoge functionarissen van het Arabische Hoge Committee, die twee jaar eerder door de Britten naar de Seychellen verbannen waren, op de conferentie uit te nodigen. Naast deze leden van het Palestijnse verzet werden nog enkele pro-Britse Arabische organisaties uitgenodigd, alsmede vertegenwoordigers van de onder Britse curatele staande regimes van Egypte, Irak, Jemen en Transjordanië. Verder werden vertegenwoordigers van het onafhankelijke koninkrijk Saoedi-Arabië geconvoceerd.

Vergelijkbaar met hedendaagse conflicten, wilden ook destijds westerse politici niet met de eigenlijke conflictpartijen onderhandelen, maar liever met een selectie van zelf uitgekozen en vaak minder invloedrijke krachten. Het houden van de conferentie bleek moeilijk. De Palestijnse delegatie wees het van de hand te onderhandelen met deelname van Joodse vertegenwoordigers. De Britten waren zodoende gedwongen tot pendeldiplomatie binnen het St. James-paleis.

Demografische situatie

Ook inhoudelijk kwam men niet bij elkaar. De Arabieren wezen naast een deling van Palestina vooral een verdere Joodse immigratie af. Terwijl de Joods delegatie zowel een deling van Palestina als ook een gezamenlijke staat met de Arabieren geaccepteerd zou hebben, stond ze op voortgaande immigratie van Joden. De Joodse delegatie wist immers dat daarmee op de lange termijn de demografische situatie zich in haar voordeel zou ontwikkelen. Alle Britse compromisvoorstellen werden door de beide zijden van de hand gewezen. De conferentie eindigde op 17 maart 1939 zonder resultaat.

Witboek

Dat betekende echter geenszins het einde van de Britse poging om aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog net als in de Eerste Wereldoorlog de sympathie van de Arabieren te winnen. Zonder voorafgaande overeenkomst met Joden of Arabieren, kwamen de Britten op 17 mei 1939 met een witboek naar buiten, volgens welke Palestina binnen tien jaar tot een onafhankelijke staat moest worden. Voor de Joodse bevolking was binnen het gebied daarvan een eigen thuisland voorzien. Over eventuele verdere immigratie van Joden moest de nieuwe staat na zijn onafhankelijkheid dan zelf besluiten. Tot die tijd moest de immigratie teruggeschroefd en streng gecontingenteerd worden.

De voor de uitvoering verantwoordelijke Volkenbond wees de voorstellen van het witboek echter af. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de ontbinding van de Volkenbond verdween de kwestie Palestina vervolgens vooreerst van de politieke agenda.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.