Het boekje Der Mensch und die Technik – dat vrij recent in Nederlandse vertaling is verschenen bij Uitgeverij De Blauwe Tijger – is het uitgewerkte manuscript van een lezing die Oswald Spengler hield in het Deutsches Museum in München en tegelijk een voorproefje van een veel groter werk dat echter nooit voltooid werd, de Geschichte des Menschen von seinem Ursprung an. Dat werk had Spenglers culturele antropologie moeten bevatten en een soort voorgeschiedenis van zijn Untergang des Abendlandes moeten worden.

De mens en de techniek is een belangrijke, veelbelovende aanzet om de ontwikkelingshistorische voorwaarden voor het ontstaan van culturen te belichten. Door hun bondige, gecomprimeerde vorm lijken veel gedachten op het eerste oog echter verkort uitgevoerd of in provocerende beelden te blijven steken. Om de bredere context van dit boek te vatten, is het voor de liefhebber aan te raden om ook de beide werken Urfragen (1965) en Frühzeit der Weltgeschichte (1966) er bij te betrekken.

In De mens en de techniek wordt de vroege mens vooral daardoor gekenmerkt, dat hij een “roofdier” en een “krijger” is, die zich vooral om zijn eigen lijfsbehoud bekommert en nog geen sociale deugden kent, medelijden of “het verlangen naar rust” nog wel het minst: “De ziel van deze sterke eenzamen is door en door krijgszuchtig, wantrouwend en eerzuchtig op eigen macht en buit. Ze kent niet alleen het pathos van het ‘ik’, maar ook van het ‘mijn’.” Dit beeld van de mens, gereduceerd tot egoïstische jager die doden wil, is niet alleen te wijten aan de tijdsgeest maar ook aan Spenglers eigen persoonlijkheid, zijn teleurstellingen en ziekten respectievelijk zijn korte beterschap rond 1930. Hij voelde zich zelf als zo’n “sterke eenzame”, was zelf “door en door wantrouwig” en eerzuchtig.

Het denken van hand en oog

In het boek worden de echt grote vragen geschetst, zoals de vraag waardoor de mens eigenlijk in de eerste plaats tot mens geworden zou zijn. “Door het ontstaan van de hand”, antwoordt Spengler: Er is een “denken van de hand” en een “denken van het oog”. In de combinatie van beide vormen van denken ziet Spengler de superioriteit van de mens tegenover alle andere soorten gelegen.

Onder “techniek” verstaat Spengler nu het middel van alle levende wezens om heerschappij te verkrijgen en macht veilig te stellen. Ze dient simpelweg tot overleven, tot vooruitkomen en derhalve het opvoeren van het bestaan. De tragiek ziet Spengler echter daarin, dat de mens zich in de loop van de vertechnisering van zijn leven meer en meer vervreemdt van de natuur doordat hij er mee breekt. Zodoende is het proces van (technische) vooruitgang, dat wil zeggen de menselijke geschiedenis, “de geschiedenis van een onophoudelijk voortschrijdende en noodlottige kloof tussen mensenwereld en heelal, de geschiedenis van een opstandige die aan de schoot van de moeder ontgroeid, de hand tegen haar opheft”. Voor Spengler is de mens altijd nog een wezen, dat in tegenstelling tot de techniek gedacht moet worden, niet als “partner” ervan, die er op de lange termijn mee samen zal smelten. In tegendeel: “De schepping staat op tegen de schepper [..]. De heer van de [wereld]wordt tot slaaf van de machine.”

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Maar Spengler ziet de Europese culturele ruimte ook nog bedreigd worden door een andere ontwikkeling: De “gekleurde” volkeren zullen de “blanke” geleidelijk uit hun voortrekkersrol verdringen, doordat ook zij zich van de – door de blanken geschapen – techniek bedienen, deze kopiëren, misschien zelfs verbeteren en dus niet slechts “ten gevolge van lage lonen een dodelijke concurrentie vormen”.

Omdat Spengler, die streng cyclisch dacht, in de techniek louter een uitdrukking van “beschaving” ziet, deze echter als laatste fase van de cultuur verstaat, wier ondergang ook de ondergang van de techniek betekent, kan hij er curieus genoeg zijn hoop op stellen dat een opkomende jonge cultuur, bijvoorbeeld de Russische, de zaak weer aan het draaien kan brengen. Dit verklaart Spenglers op het eerste oog onlogisch voorkomende vergezicht aan het einde van het boek, volgens welke de “Faustische mens” de machinetechniek – hoewel hij die toch in tegenstelling tot de “apollinische” eerst heeft voortgebracht – uiteindelijk zal overwinnen en achter zich laten: “Deze machinetechniek is met de Faustische mens voltooid en zal op een dag ineengestort en vergeten zijn [..]. Ze zal van binnenuit verteerd worden zoals alle grote vormen van iedere cultuur.”

Het boekje sluit af met de wat gechargeerde, veel geciteerde uitspraak dat optimisme lafheid is. “We zijn in deze tijd geboren en moeten de weg ten einde gaan die voor ons bestemd is [..]. Op de verloren post stand houden, zonder redding, is plicht” – het enige eerlijke einde dat men de mens niet ontnemen kan.

De weerklank van het boek was dan ook terughoudend. Veel dat in het boek sterk aangezet is, heeft tot misverstanden geleid en zodoende veel tegenspraak opgeroepen. Wie zijn oordeel opschort en het boek tot het einde leest, kan er echter groot voordeel mee doen.

Uitgeverij De Blauwe Tijger heeft dit ingedikte meesterwerk uitgebracht in een mooie uitgave met chique stofomslag en dat nog voor de schappelijke prijs van 16,95 euro. Dat maakt het tot een kleinood om te koesteren en bij gelegenheid te herlezen. De vertaling is bij vlagen wat vrij, maar dat wordt goed gemaakt door de parallelle weergave van de Duitse versie en bovendien door een zeer lezenswaardige inleiding van de uitgever, waarin het onder andere over de Spengler-receptie in het Nederlandse taalgebied gaat.

Share.

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.

Comments are closed.