Het meningsverschil tussen Den Haag en Berlijn en Ankara wordt, naast het tegen de diplomatieke usance handelen, met allerhande verbale munitie gevoerd. Van Turkse zijde is sprake van “fascistoïde” manieren en van de andere kant wordt geschermd met de mensenrechten.

Achter diverse politieke belangen en afgunstige sentimenten botsen hier twee standpunten op elkaar. Beide zijden eisen erkenning voor hun standpunt als onbetwistbaar. De Turken eisen het recht op hun eigen staat naar eigen opvatting in te richten, de westerse politieke elites zien zichzelf als heraut van een alle landen en volken omvattende moraliteit.

Van deze verheven aanspraak van westerse regeringen zijn ook andere voorbeelden te geven, minder spectaculaire. Reizen bijvoorbeeld westerse politieke leiders naar China of Rusland, dan laat men niet na daar een preek over de mensenrechten af te steken. Een preek die de gastheer onderhand kan dromen en zodoende nauwelijks opmerkt. Het professionele goedmensendom slaat er nauw acht op dat de schurken in Peking de levieten gelezen worden, opdat ook zij de zegeningen van de westerse moraliteit deelachtig zullen worden.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Wie echter op andere landen en ten overstaan van hun regeringen een aanhoudende kritiek oefent vanwege ongepast gedrag, moet daar een goede reden voor hebben. Die is niet moeilijk te vinden. Het is de hypothese dat er een alle werelddelen omvattend wereldethos, een universele ethiek is, waarnaar zich alle mensen, ongeacht hun afkomst en culturele eigenaardigheden, te richten hebben. In deze hypothese zou er bovendien onder de volken en landen op deze aardkloot een algemene overeenstemming daarover bestaan.

Goed, kan men nu zeggen, dat is zelfs neergeslagen in het mensenrechtenhandvest van de Verenigde Naties, maar zo eenvoudig ligt het niet. De islamitische wereld heeft zich namelijk een eigen mensenrechtencharter aangemeten, die zich van het ‘universele’ handvest van de Verenigde Naties vooral daarin onderscheidt, dat alle bepalingen onder het voorbehoud van hun overeenstemming met de sharia gesteld worden.

Dat wil kortom zeggen dat de universele geldigheid van een wereldethos zich niet eens formeel laat vaststellen, om nog maar te zwijgen van de vraag of iedereen zich er ook aan houdt. Dat hoeft ook niet te verbazen. Iedereen die het handvest van de VN leest, zal vaststellen dat alles wat daar in staat uit de westerse, Europese traditie stamt. Invloeden uit andere cultuurkringen zijn er niet in te vinden.

Deze hebben namelijk toegegeven aan de westerse maatstaf en doen dit nog steeds, zolang ze met hun voorgewende instemming met dit morele dictaat de daadwerkelijke financiële ondersteuning kunnen blijven verwachten uit precies die landen naar wier hand het handvest vervat is.

Maar – zoals het islamitische voorbeeld laat zien – wie van het Westen niet afhankelijk is, laat zich niet vermurwen, vooral niet als het op de eigen identiteit aankomt. Zo neemt men in China al decennia met groot misnoegen kennis van de voortdurende belerende houding vanuit Europa inzake de mensenrechten. Op beschuldigingen over het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, waar naar verluidt 5.000 mensen om het leven kwamen, wierp een Chinese regeringsvertegenwoordiger tegen: “Maar we hebben al vijftig jaar geen hongersnood meer.”

Een ander treffend voorbeeld, al stamt het dan uit de wereld van het amusement: In de bombastische speelfilm Lawrence of Arabia is er een scène waarin Lawrence een hele troep en daarmee zijn missie in gevaar brengt om het leven van een enkeling te redden. Het Chinese en het Arabische voorbeeld hebben gemeen dat het recht van het individu in deze maatschappijen ondergeschikt is aan het belang van het collectief.

Dit principe komen we ook in andere delen van de wereld tegen. Zo was het bij natuurvolken in Afrika en het Arctische gebied gebruikelijk om ouden van dagen en zwakkelingen uit te stoten, zodat ze de stam niet tot last waren en het voortbestaan van de hele stam in gevaar zouden kunnen brengen.

Een uitzondering op dit beeld is de Europese, door het christendom gestempelde, mores. Europa onderscheidt zich cultureel en daarmee oorspronkelijk ethisch van andere beschavingen op deze wereld daardoor, dat het de enkeling en niet slechts het collectief als drager van recht, waarde en waardigheid beschouwt. In die zin is het ethos niet kwantificeerbaar, maar een absolute grootheid, maar dan wel alleen in die zin. In De ontscheping schetst Jean Raspail treffend hoe westerse goedmensen zich dit pas realiseren wanneer het te laat is.

Zo komt het ook dat al naar gelang de culturele omstandigheden het leven van een individueel mens meer of minder op waarde geschat wordt, om van rechten als de vrijheid van meningsuiting of vergadering nog maar te zwijgen.

Het is eigenaardig dat juist die politieke krachten die het 19e-eeuwse statelijke kolonialisme aanklagen dezelfde zijn die zich nu beroepen op een wereldethos. Ze zien daarbij kennelijk volledig over het hoofd dat de dwang die ze daarmee uitoefenen op het denken van andere mensen door hen als minstens even onwenselijk ondervonden wordt als politiek imperialisme.

Voor alles komt de belerende ijver zonder opsmuk als dat voor wat het in werkelijkheid is: uitdrukking van een beschamende arrogantie. Onwetendheid hoort daar ook bij, onwetendheid en domheid. De ethische gelijkschakeling van de hele aardbol kan niet slagen, wat echter helaas wel mogelijk is en dus ook gebeurt, is de vernietiging van tradities en culturen, in de eerste plaats van die volken die het zwakst en het meest weerloos zijn. Vooral de Duitsers zijn met deze ethische preoccupatie behept. Geen Frans politicus zou zijn gespreksklimaat in het buitenland dermate belasten.

In zijn werk De staat behandelt de belangrijke Romeinse filosoof en staatsman Cicero het verschijnsel van de veelheid aan rechtsordeningen en wetten: “Zou ik nu de soorten van recht, van de staatsinrichtingen, van de zeden en gebruiken willen beschrijven, dan kon ik laten zien dat ze niet alleen bij zo vele volken zeer verschillend zijn, maar zich zelfs binnen een en dezelfde stad – bijvoorbeeld in de onze – duizendmaal gewijzigd hebben.”

Met de diversiteit van het recht sneed Cicero al datgene aan, dat bij de kwestie van het wereldethos des Pudels Kern blijkt te zijn: Hier staan diversiteit en gelijkheid tegenover elkaar. Het gaat daarbij om die vernietigende gelijkheid die sinds de Franse Revolutie haar zegetocht heeft aangevangen en tot een onmisbaar instrument van alle totalitaire ordeningen geworden is.

Het is als met het bed van Procrustes: Wie er te groot voor is, worden de ledematen afgehakt; wie er te klein voor is, wordt uitgerekt. Geen van beide overleeft het. Samuel Huntington schreef in zijn Clash of Civilizations over de vraag naar de mogelijkheid van een universele cultuur: “De niet-westerlingen zien als westers, wat het Westen als universeel ziet.”

Dat verdringen de goedmensen echter, omdat ze anders zouden moeten toegeven dat hun export van ‘waarden’, ‘democratie’ en ‘mensenrechten’ niet alleen onwelkom is, maar – voor zover ze überhaupt plaatsvindt – alleen oppervlakkig en door economisch en militair overwicht mogelijk is. Een wereldethos dat slechts verbreid kan worden door oorlog – ‘making the world safe for democracy’ – zal buiten de westerse cultuurkring niemand werkelijk overtuigen.

Steun Novini!

Doe een donatie aan Novini en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken!

Doneer nu!

 

Over de auteur

Jonathan van Tongeren

Jonathan van Tongeren studeerde Internationale Betrekkingen en Slavistiek, was van 2006-2010 secretaris-generaal van het European Christian Political Youth Network (ECPYN) en is eindredacteur van Novini. Verder is hij redacteur bij uitgeverij De Blauwe Tijger.