Veel ophef is er in Duitsland ontstaan over een zinnetje in een toespraak van AfD-leider Alexander Gauland. Als men echter ook nota zou nemen van de rest van zijn rede, zou er een constructief en hoognodig publiek debat over de Duitse omgang met het verleden kunnen ontstaan.

Met zijn toespraak op een federale conferentie van de AfD-jongerenorganisatie ‘Junge Alternative’ in Seebach, Thüringen, heeft AfD-leider Alexander Gauland een mediale shitstorm losgemaakt. De media hebben één zinnetje eruit gelicht en zijn daarmee aan de haal gegaan. Wie kennis neemt van zijn gehele toespraak, kan de ophef slechts als overtrokken beoordelen.

Gauland poetste immers de verantwoordelijkheid voor de misdaden van de nationaalsocialisten geenszins weg, stelde echter dat de “twaalf vervloekte jaren” dat zij aan de macht waren “slechts vogelpoep” waren op het geheel van de honderd keer zo lange Duitse geschiedenis, die hij “roemrijk” noemde.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Concreet wordt Gauland nu verweten met de formulering “vogelpoep” niet alleen de in verhouding tot het geheel van de Duitse geschiedenis korte duur van het nationaalsocialistische regime bedoeld te hebben, maar daarmee ook de omvang van de tijdens dat regime begane misdaden te geringschatten. Dit kwam hem op kritiek van politieke tegenstanders, maar zelfs vanuit zijn eigen partijtop te staan.

Wat heeft Gauland tot de bewuste uitspraak bewogen? Dat is de vraag die nu verhit bediscussieerd wordt in Duitsland. Het gaat echter niet aan hem aan te wrijven dat hij de misdaden van de nazi’s weg zou willen relativeren, als we zien dat hij deze in de zinnen daarvoor uitdrukkelijk ter sprake brengt en erkent.

Het probleem is echter de op dit ene punt weinig elegante formulering van zijn these en dat Duitse journalisten er steeds op gebrand zijn AfD-politici te betrappen op uitspraken die op een of andere wijze als relativering van het nationaalsocialisme of de Holocaust uitgelegd kunnen worden. De zakelijke en hoognodige discussie die Gauland aan wilde snijden, raakt daarmee bedolven onder de verontwaardiging over één zin die uit zijn verband gerukt en uitentreuren herhaald wordt in de media.

Kern van zo’n zakelijk debat zou de vraag kunnen zijn, in hoeverre de nazi-misdaden de kijk van de Duitsers op zich zelf, hun land en de lange geschiedenis daarvan zouden moeten overheersen. In alle opwinding over de vogelpoep-uitspraak van Gauland wordt de discussie over deze belangwekkende vraag volkomen overstemd, wat sommigen die dat jammer vinden de spreker zelf dan weer kwalijk nemen, vanwege zijn woordkeuze.

Dat de eigen geschiedenis het referentiekader biedt voor actuele discussies is normaal en onvermijdelijk. In Duitsland beperkt dit referentiekader zich vrijwel uitsluitend tot de 12 jaren dat de nazi’s aan de macht waren. Iedere maatschappelijke discussie over welke kwestie ook, van asielbeleid, tot de Euro, tot zelfs dierenbescherming (“kippenconcentratiekamp”), landt haast als vanzelf na afzienbare tijd bij het nationaalsocialisme.

Wanneer echter alles naast de grootste misdaad uit de eigen geschiedenis gehouden wordt, raken de maatstaven onvermijdelijk uit het lood. Het discours wordt verstikt door verdachtmaking, insinuatie en uiteindelijk openlijke haat. Tolerantie en zakelijkheid krijgen in het publieke debat geen schijn van kans.

Hoe ver die verwarring inmiddels gevorderd is, laten extreemlinkse jongeren zien, die met leuzen als ‘Duitsland verrek!’ door de straten trekken en zelfs de Amerikanen oproepen tot nieuwe tapijtbombardementen (“Bomber Harris, do it again!”).

Wie voorbij zijn weinig elegante woordkeus en de mediale hysterie wil kijken, ziet dan ook dat Gauland een punt heeft. Het denken en handelen van de Duitsers van vandaag zou zijn historische horizon weer naar de gehele Duitse geschiedenis moeten verbreden. Daarmee zouden de monstruositeiten van de nazi’s geenszins uit het zicht raken. Wel zou het de mogelijkheid bieden om de maatstaven weer in het lood te brengen en een opbouwende toegang tot de eigen geschiedenis te hervinden.

Over de auteur

Wolter Berends studeerde Duitse Taal en Letterkunde en Geschiedenis van Midden- en Oost-Europa in Utrecht en Berlijn en woont en werkt in Duitsland.