Van de Engelse schrijver Chesterton is de uitspraak dat een krankzinnig mens niet zozeer zijn verstand heeft verloren, maar dat hij alles heeft verloren behalve zijn verstand.

Ik moest hieraan denken toen ik de verstandige column van Ger Groot las tegen de louter verstandelijke pleidooien voor ‘religie achter de voordeur’, in “Ik wens religiehaters alle sterkte”, Trouw, d.d. 22 mei. In dit schrijfsel maakt Ger Groot zich boos over secularisten die volgens hem religie achter de voordeur zouden willen stoppen en dus willen uitbannen uit het publieke domein.

Groot zegt enkele behartenswaardige zaken, zoals dit citaat laat zien:

“Wie de Engelse irrationaliteit tolereert, kan van het Nederlandse debat misschien niet al te veel coherentie eisen. Maar iets meer besef van wat de openbare ruimte is zou wel mogen. Met het beginsel van de scheiding van kerk en staat heeft die in ieder geval niets te maken. De straat is de staat niet – en dat is maar goed ook. De straat is de plek waar ieder mag zijn en doen wat hij wil, zolang daarbij geen wetten in de weg staan en soms wat praktische bezwaren. Dat recht heeft de homo net zo goed als de hetero, en de gelovige net zo goed als de atheïst. In een democratie is ieder mens rechtens vrij om zichzelf te zijn en zich als zodanig te gedragen.

Voor de staat ligt dat heel anders, maar de staat is niet meer dan een beschermingsring rond de vrije samenleving, bedoeld om die zoveel mogelijk vrij te hóuden. Hij is formeel en abstract: precies daarin schuilt zijn neutrale karakter. Over wat mensen in concreto zijn, doen, willen en geloven heeft hij niets te zeggen – met uitzondering van die paar wetten die excessen moeten voorkomen.”

Het opmerkelijkste van zijn column is wel de verwijzing naar de irrationaliteit van veel van zijn opponenten, wanneer hij opmerkt dat velen die religie achter de voordeur willen wegstoppen ondertussen wel wegzwijmelen bij de Engelse ‘koninklijke’ trouwdienst van ‘Harry en Meghan’, inclusief preek en geestelijk gezang in een oude kerk. Kritiek heb ik ook op Ger Groots column, maar hierover meer verderop in dit artikel.

Gekken zijn vaak grappig, maar vaker vervelend of zelfs gevaarlijk. Want het vervelende van dit soort gekken is dat hun handelen en wijze van bestaan niet louter als iets curieus kan worden opgevat. Ware het maar zo dat deze krankzinnigen door het leven gingen als excentriekelingen met een merkwaardige hobby. Het vervelende is namelijk dat de puur rationeel denkende mens dit inzicht nooit bij zichzelf wil houden, maar juist wil opleggen aan de ganse wereld. En dat maakt een krankzinnig, louter verstandelijk mens zo gevaarlijk.

Het kenmerk van een krankzinnig, louter verstandelijk mens is namelijk diens grenzeloosheid. Want waar het leven, het lichaam of de realiteit bol staat van beperkingen, barrières, tekortkomingen, is het loutere verstand in staat nergens obstakels te zien. Omdat het overal door- en overheen kan denderen, kan het alles opofferen aan zijn of haar theorieën en spitsvondigheden. De Duitse socioloog Arnold Gehlen zag de mens dan ook niet voor niets als een Mängelwesen – een tekortschietend wezen – dat instituties nodig had om zich te beschermen, zijn eigenheid te bewaren en iets te zijn. Juist onze beperkingen, en het besef ervan, liggen ten grondslag aan onze cultuur, aan alles wat waardevol is.

Het menselijk tekort is niet alleen iets waar de mens tekortschiet, maar het is juist ook iets wat boven de mens uitgaat – aan hem vooraf gaat, of juist resteert – wanneer de rede haar werk heeft gedaan. We spreken dan ook niet zozeer over ‘liefde’ of ‘vertrouwen’ om ons redelijk falen aan te geven, maar juist om de grenzen ervan aan te duiden en zo te wijzen op iets dat niet alleen boven ons verstand uitstijgt, maar ook ons bestaan vervult, zinvol en rijk maakt, overblijft wanneer wij verscheiden, en er al was voordat wij begonnen te denken.

Het is dat wat volgens de klassieken voor alles uitging: het leven zelf. Zoals vervat in de maxime ‘primum vivere deinde philosophari’ (eerst het leven, daarna het filosoferen). Of zoals de kerkvader Athanasius het ooit zei: ‘het zijn komt voor het handelen’. En dat zijn is niet alleen iets dat ervoor uitgaat, het is ook rijker dan al ons handelen kan bewerkstelligen, zoals het ook rijker is dan ons denken zich kan indenken.

Je zou zeggen: dat moet toch ieder mens beseffen? Namelijk dat het streven naar het absolute in het hiernumaals een vorm van (gevaarlijke) krankzinnigheid is? Was het maar zo, maar de realiteit is juist andersom.

De gek ziet zichzelf namelijk niet als gek, maar veeleer als baken van licht: als een verlicht persoon. Want wie alleen rationeel naar de wereld kijkt, ziet niet alleen een wereld vervuld van gekte en irrationaliteit; de louter rationeel denkende mens verklaart dan al snel de wereld voor ‘gek’ en zichzelf voor ‘redelijk’. En wanneer dergelijke figuren hun analyse omzetten in een plan om deze waanzinnige wereld aan te pakken, doemt er de hel op. Want wat voor personen geldt, gaat ook op voor samenlevingen: een samenleving die alles verliest behalve rationaliteit, vervalt tot krankzinnigheid. De geschiedenis is doordrenkt met gedachte-experimenten die hun koude ratio wilden opleggen aan samenlevingen en hierdoor ganse samenlevingen ten gronde richtten. Soms abrupt, zoals onder het communisme, soms vertraagd, zoals onder het neoliberalisme of casinokapitalisme.

Ik wil u in dit licht een citaat van Jacques van Doorn niet onthouden, uit diens ‘Conservatieve gedachten over wetenschap en maatschappij’, uit 1976:

“Eerst in de achttiende-eeuwse Verlichting echter krijgt de wetenschap de volle erkenning als culturele en maatschappelijke kracht. Het is het begin van de vooruitgang als programma.

Sindsdien is het verbond tussen vooruitgangsgeloof en rationele kennis in hoofdzaak onaangetast gebleven. De vlag die door het marxisme met de meeste zelfverzekerdheid werd gehesen – ‘van utopie tot wetenschap’ – had evenzeer kunnen worden gevoerd door liberalen en technocraten, door de aanhangers van de markteconomie, en door die hele rij van vernieuwers op ieder gebied, van Louis Pasteur tot Carl von Clausewitz.

In dit historisch perspectief zijn kapitalisme en communisme takken van één stam, rationalistisch, optimistisch en daarom progressief. Adam Smith en Karl Marx behoren tot dezelfde ideologische familie, en het zogenaamde Experiment des Bolschewismus verschilde alleen naar organisatievorm van markteconomie en parlementarisme, vroege uitvindingen van de geest van de Verlichting.”

Dit in zekere zin gelijkstellen van kapitalisme en communisme is voor velen als vloeken in de kerk. De socioloog Van Doorn sprak in dit opzicht zelfs over een ‘geloof’. Maar het kenmerk van dit ‘geloof’ is juist de ontkenning een geloof te zijn. Men is dus als het ware fundamenteel blind voor het karakter van het eigen streven en voor de uitwerking ervan. En die uitwerkingen waren nogal eens desastreus.

Leren mensen hier dan niet van? Nou, nee. Mislukkingen worden door verstandelijke gekken altijd toegeschreven aan gebrek aan radicaliteit. De Verlichting was dan blijkbaar niet radicaal genoeg. De cultuur niet individualistisch genoeg. De rechtsstaat blijkbaar niet seculier genoeg. Het marktdenken niet consequent genoeg doorgevoerd. Of er was en is nog sprake van obstakels die vooruitgang en succes in de weg staan: patriarchaal denken, vrijheid van godsdienst of onderwijs, (doorgeschoten) tolerantie, noem het maar op.

De krankzinnige wereldverbeteraar is als het ware een wereldzuiveraar die wil dat een samenleving alles verliest, behalve het systeem als resultaat van de louter rationele benadering. En wel het systeem van wetenschap, vooruitgang, rationaliteit en welvaart.

Het is een perspectief dat echter weinigen kan inspireren. En dat weten de louter verstandelijken ook. Daarom doorspekken ze hun boodschap met termen die als mantra’s herwinningen oproepen, maar als het ware het denken uitschakelen. Men spreekt over Verlichting om daarmee te impliceren dat deze verlichting voortkwam uit totale duisternis. Men spreekt over een culturele renaissance met de suggestie dat de vrouw die opnieuw zal moeten baren onvruchtbaar was. Men spreekt over identiteit om juist de ontworteling aan te prijzen. Men spreekt over vrijheid, en ontkent ondertussen zoiets als een ‘vrije wil’.

Ook dweept men met termen die niet te verifiëren zijn, maar juist al te goed gebruikt kunnen worden om ze in extremis door te voeren en zo de massa’s op te dwepen tot roekeloosheid, zoals men doet door te strooien met termen als gelijkheid, solidariteit, secularisme of anti-discriminatie.

En – meer fijnzinnig en subtiel – maakt men lustig gebruik van termen als roeping, ambt, ambtenaar, universiteit, moraal, algemeen belang, natiestaat, bezieling, Europese gedachte, enz. zonder dat men ook daadwerkelijk gelooft dat deze termen ook maar ergens voor staan. Zoals de Brusselse advocaat Fernand Keuleneer onlangs scherpzinnig opmerkte:

“In het politieke conflict dienen woorden uitsluitend om boodschappen, vaak gecodeerd, en stroomstoten uit te sturen. Woorden hebben er een functie, geen betekenis.”

Zo kan men bijvoorbeeld uitkrijten dat religie achter de voordeur moet, zonder dat men gelooft in zo’n voordeur die de seculiere staat zou kunnen en mogen tegenhouden.

Toegegeven: het is een slimme aanpak: men omringt het uitgedokterde systeem met mantra’s c.q. katalysatoren waar het individu als het ware doorheen moet kruipen om diezelfde mantra’s van zich af te werpen en een te worden met het Systeem. De vrijheid wordt dan bijvoorbeeld instrumenteel: pas als je in het Systeem stapt, kun je dit instrument op haar waarde schatten. Een dode mus wordt dan vanzelf tot leven gewekt.

Wie echter denkt dat ik een lofrede aan het houden ben op de inzichten van Ger Groot moet ik teleurstellen. Hoewel ik het een moedig schrijfsel vind, is het stuk niet moedig genoeg. En zijn inzichten gaan niet ver genoeg.

De column is een aanval op de journalist Wierd Duk die op Twitter een uitspraak deed over ‘religie achter de voordeur’. Waarom kiest Ger Groot als tegenstander deze journalist en geen denker? Of iemand die radicaler is en ook journalist, bijvoorbeeld bij NRC Handelsblad? Zoals Tom-Jan Meeus die – ook in een column, namelijk ‘Nieuw rechts en de gekooide vrouwtjes’ – in deze krant de aanval opende op de Canadese publicist Jordan Peterson en hem opvattingen verweet die negentiende-eeuws zouden zijn en zouden lijken op oude religieuze opvattingen zoals van een SGP.

Ik geef toe: de column van Meeus was nog maar net geschreven (namelijk 21 mei) toen Ger Groot diens column publiceerde. Maar waar Meeus opvattingen gemaakt op het publieke terrein laakbaar acht, gaat hij verder dan Wierd Duk die het inzake de door het Reformatorisch Dagblad verspreide folder tegen zoenende mannen op een reclameposter juist voor de vrijheid van deze krant opnam om in het publieke domein opvattingen te verspreiden en te weigeren die niet stroken met de seculiere meerderheidsopvattingen. Dit lijkt erop te wijzen dat Ger Groot Duk te hard heeft aangepakt. Een ander punt waarin Meeus radicaler is dan een Duk, waar een Meeus zelfs seculiere opvattingen afserveert wanneer deze zouden lijken op zogenaamde laakbare religieuze opvattingen.

Meeus verpakt zijn column in minachting. Hij doet alsof hij tegen censuur is, maar wie beter leest, ziet dat dit slechts onderdeel is van een ironisch spel waarin woorden geen echte betekenis hebben. Hij spreekt achteloos over ‘nieuw rechts’ om daarmee niet alleen geheel rechts te bespotten, maar en passant ook een verband te leggen met het Franse extremisme van ‘Nouvelle Droite’.

Waar Duk te kort door de bocht twitterde, zijn de woorden van een Meeus weloverwogen en uitgebalanceerd smerig, insinuerend en erop gericht afwijkende opvattingen buiten het maatschappelijk discours te plaatsen.

Gekken zijn niet altijd grappig of interessant. De gek die geforceerde afstand creëert tot datgene en diegenen die hij minacht, hult zijn of haar verstandelijke gekte in een waas van dedain voor iets dat hij of zij nooit serieus zal of kan nemen. Zoals bij een NRC. Of een partij als D66.

Afgezien van de tekortkomingen – er zijn er meer die ik hier niet ga uitwerken, zoals diens abstrahering van religie of zijn misplaatste bewondering voor Nozick – heeft Ger Groot een lans gebroken voor iets dat ons aan het hart zou moeten gaan: onze traditie van constitutioneel denken en de staatsrechtelijke benadering die hieruit voortspruit. Uit Ger Groots observaties blijkt iets van de noodzaak die hij ziet van beperking om het leven te beschermen tegen krankzinnigen die geen enkel besef van beperking kennen en waarvoor iedere deur of voordeur slechts een denkconstructie is en geen realiteit.

Uit de reacties op de column van Ger Groot blijkt weinig voortschrijdend inzicht. Ze getuigen veeleer van angst voor wat er achter een deur kan plaatsvinden, dan van rationele afweging. Let maar eens op hoe vaak grondrechten (c.q. grondvrijheden) worden gekoppeld aan uitwassen om daarna de vrijheden of te willen beperken of zelfs te willen afschaffen. Zo zou de islam de vrijheid van godsdienst problematisch maken en zou deze zelfs moeten worden afgeschaft. Hetzelfde met andere vrijheden, zoals die van onderwijs: als deze de afgedwongen homoacceptatie in de weg staat, kan deze beter verdwijnen. Althans volgens onze hyperrationele voordeur-intrappers. Partijen moeten kunnen worden verboden, evenals verenigingen, stichtingen, clubs en kerkgenootschappen. Het is de ‘rationele’ angst voor misbruik die een diepere angst verhult: de angst voor frictie, conflict en de confrontatie met fundamenteel verschillende opvattingen die ook nog eens gepraktiseerd, gegenerationaliseerd, georganiseerd en uitgedragen worden.

Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden: Volg Novini!


Ik zou het inzicht van Ger Groot wel verder willen trekken. We hebben niet alleen bescherming nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een grondwet met grondrechten, om ons te beschermen tegen de Staat. We hebben ook bescherming nodig tegen gekken die ons alle bronnen willen afnemen die ons kracht en inspiratie kunnen geven om ons te verweren tegen zowel de Staat als tegen hen die met Spinoza onder de arm een wereldbeeld willen opdringen waarin voor niets ruimte is dan louter een materialistische vaart der volkeren.

Wie beschermt ons tegen de goochelaars met termen, die niet alleen religie, maar ook traditie, identiteit, bezieling en vele, vele andere zaken willen laten wegkwijnen achter de voordeur van ons denken om ons zo naar een wereld te leiden waarin krankzinnigheid de norm is? Namelijk de krankzinnigheid van niets anders bezitten dan verstandelijkheid?

Wie beschermt ons tegen de blindheid van de seculiere vooruitgangsdwepers? Die zelfs institutioneel blind lijken te zijn geworden; de reeds genoemde Van Doorn had hier oog voor:

“Het succes van het geloof in de vooruitgang blijkt uit het verdwijnen ervan als doctrine en programma: het is opgegaan in de moderne instituties van onze samenleving, het heeft de vanzelfsprekendheid gekregen van het dagelijks bestaan.”

Waar instituties ons zouden moeten beschermen en zicht geven op gevaren en op de realiteit die meer is dan een opeenstapeling van abstracte concepten als vooruitgang, secularisme en democratie, ontnemen de moderne instituties ons juist het zicht hierop. Althans: als we de zeloten van het losgemaakte verstand nog verder toestaan de grondwet te vernielen, het staatsrecht tot een lachertje te maken en cultuur en identiteit te verwringen tot zelfontplooiing en individualiteit.

Over de auteur

Erik van Goor

In een vorig leven conservatief. Thans werkend huisfilosoof met reactionaire trekjes.